Financiën
Een overzicht van het financiële wel en wee van de gemeente Leeuwarden in de eerste twintig jaren na het einde van de tweede wereldoorlog zou zeer uitgebreid kunnen zijn. Het is mogelijk aan de hand van reeksen cijfers nauwkeurig te rapporteren over alles wat er op financieel gebied in de hiervoor genoemde periode is voorgevallen. De vrees is dan echter niet ongerechtvaardigd, dat door de vele bomen, voor minder goed ingewijden in de stof, het bos niet meer te zien zou zijn. Een globale bespreking van de financiële historie der laatste twintig jaar lijkt in dit geval daarom op haar plaats.
Vergelijken we de stukken waarin de financiële situatie in 1945 is vastgelegd met de overeenkomstige stukken voor 1965, dan springt onmiddellijk in het oog hoe belangrijk de ontwikkeling in de tussenliggende jaren is geweest.
En die ontwikkeling zet zich in 1966 voort.
Een en ander blijkt uit een staatje van de totalen der uitgaafposten op de gewone dienst van de gemeentebegroting.
|
1938 |
ƒ 5.- miljoen |
|
1946 |
- 10.- miljoen |
|
1950 |
- 13.- miljoen |
|
1955 |
- 16.- miljoen |
|
1960 |
- 26.- miljoen |
|
1965 |
- 40.- miljoen |
|
1966 |
- 47.- miljoen |
Uit de in het staatje vermelde cijfers zijn dubbeltellingen zo goed mogelijk geëlimineerd.
Ter vergelijking met de vooroorlogse toestand is ook een cijfer van vlak voor de oorlog vermeld.
Omdat in 1945, tengevolge van de beëindiging van de oorlogstoestand, nog zeer bijzondere omstandigheden heersten, zijn in het overzicht in plaats van de cijfers over 1945 die over 1946 vermeld. Hoewel sinds de oorlog een zeer aanzienlijke waardevermindering van het geld is opgetreden, die ook haar sterke invloed op het gemeentelijke budget heeft gehad en nog heeft, kan uit bovenstaande cijfers worden afgeleid, dat de gemeentelijke activiteiten sterk zijn toegenomen. Met name in 1958, welk jaar een moeilijke periode voor de gemeentelijke financiën afsloot, zijn van jaar tot jaar belangrijke stijgingen in de “omzet”opgetreden.
De gewone dienst, waar over het algemeen de jaarlijks terugkerende uitgaven - zoals b.v. salarissen, rente en afschrijving, subsidies, onderhoud e.d. - op jaarlijks terugkerende inkomsten worden verantwoord, is in de loop van de afgelopen twintig jaren sterk in omvang toegenomen. Hetzelfde kan echter ook worden gezegd van de kapitaaldienst. Daar vinden we - over het algemeen - de (grote) uitgaven, die in de loop van een reeks van jaren worden afgeschreven, en waarvan het nut zich meestal over meer jaren uitstrekt. Dergelijke kapitaalsuitgaven zijn en worden grotendeels gefinancierd met de opbrengst van geldleningen. Ook eigen gemeentelijk kapitaal en reserves worden in de regel als financieringsmiddel voor de gemeentelijke kapitaalsuitgaven gebruikt.
In grote trekken komt de omvang van de gemeentelijke investeringen overeen met het totaal van de gemeentelijke leningsschuld, het eigen kapitaal en de reserves. In onderstaand overzichtje zijn hieromtrent enige gegevens opgenomen.
|
1938 (per 1/1) |
ƒ 5.5 miljoen |
|
1946 |
- 15.5 miljoen |
|
1950 |
- 25.- miljoen |
|
1955 |
- 59.- miljoen |
|
1960 |
- 102.5 miljoen |
|
1965 |
- 185.- miljoen |
|
1966 |
- 224.5 miljoen |
Bovenstaande cijfers illustreren in hoe snel tempo de ontwikkeling van Leeuwarden zich in de afgelopen twintig jaar heeft voltrokken. De uitgaven van de gewone dienst zijn in die periode ongeveer 4,7 maal zo hoog geworden. Een deel hiervan heeft betrekking op de sinds 1946 opgetreden waardevermindering van het geld, doch het lijdt geen twijfel, dat de gemeente Leeuwarden in staat is geweest voor het welzijn der inwoners zeer grote bedragen te besteden. Het bleek mogelijk naast het op peil houden en zo nodig verbeteren van het niveau van de reeds aanwezige voorzieningen tal van nieuwe verzorgingstaken ter hand te nemen. Een en ander wordt in verschillende andere hoofdstukken van dit boek nader belicht.
Het is echter, als illustratie van hetgeen hiervoor over de financiële ontwikkeling in het algemeen werd opgemerkt, wel aardig om toch nog enkele cijfers te noemen, waaruit blijkt, dat in enkele sectoren de kostenstijging veel groter was dan de gemiddelde stijging met 370 %.
|
|
1946 |
1966 |
Stijging |
|
rente en aflossing van geldleningen (totaal) |
ƒ 1,35 miljoen |
ƒ 13,75 miljoen |
920 % |
|
exploitatiebijdragen woningwetbouw |
- 0,09 miljoen |
- 1,07 miljoen |
1090 % |
|
onderhoud straten en wegen |
- 0,13 miljoen |
- 0,89 miljoen |
585 % |
|
onderhoud plantsoenen |
- 0,07 miljoen |
- 0,80 miljoen |
1045 % |
|
onderhoud rioleringen |
- 0,01 miljoen |
- 0,14 miljoen |
1300 % |
|
kleuteronderwijs |
- 0,07 miljoen |
- 1,08 miljoen |
1445 % |
|
buitengewoon lager onderwijs |
- 0,06 miljoen |
- 1,18 miljoen |
1870 % |
|
musea, monumenten, muziek, bibliotheken, jeugdwerk e.d. |
- 0,05 miljoen |
- 0,87 miljoen |
1640 % |
|
sport en recreatie |
- 0,02 miljoen |
- 1,13 miljoen |
5550 % |
|
veemarkt |
- 0,03 miljoen |
- 0,80 miljoen |
2565 % |
|
openbaar vervoer |
- |
- 0,19 miljoen |
|
Het vermelden van cijfers over de bestedingen voor de gewone dienst kan aanleiding geven tot het stellen van de vraag of de gemeente over voldoende middelen beschikte voor die bestedingen. Dit was, over het algemeen, het geval. Wel deed zich verscheidene malen de moeilijkheid voor, dat aanvankelijk een bijzonder ongunstig perspectief de verdere uitbouw van het verzorgingsgebied scheen te verhinderen, doch achteraf was de stroom der middelen meestal wel bevredigend. Met name na het van kracht worden van de financiële verhoudingswet 1960 kwamen belangrijke bedragen uit het gemeentefonds beschikbaar. Uit onderstaand staatje blijkt hoe zeer de gemeentefondsuitkeringen in de loop der jaren zijn gestegen:
|
1946 |
ƒ 0.6 miljoen |
|
1950 |
- 2.4 miljoen |
|
1955 |
- 6.1 miljoen |
|
1960 |
- 8.5 miljoen |
|
1965 |
- 17.- miljoen |
|
1966 |
- 20.6 miljoen |
In aansluiting op deze cijfers volgen nog enkele opmerkingen over de wijzigingen in de regeling der financiële verhouding tussen het rijk en de gemeenten, die tot de opmerkelijke stijging der uitkeringen aan de gemeenten hebben geleid.
In 1946 was nog van kracht de wet van 15 juli 1929, zoals die inmiddels was gewijzigd. De gemeenten ontvingen ook toen een uitkering uit het Gemeentefonds.
Deze uitkering werd vastgesteld aan de hand van een formule, waarin o.m. de draagkracht der gemeenten en de druk van de uitgaven voor politie, lager onderwijs en armenzorg (op basis van 1939/1940) tot uitdrukking kwamen.
Voor de jaren 1948, 1949 en 1950 werd bij de wet van 15 juli 1948 een noodvoorziening getroffen, die het beschikbaar stellen van meer geld aan de gemeente beoogde. De voornaamste uitkering krachtens die regeling - de algemene uitkering - werd vastgesteld op basis van de kosten van lager-, middelbaar-, voorbereidend hoger-, hoger- en nijverheidsonderwijs, alsmede van armenzorg, over de jaren 1939 t/m 1941. Bovendien kon een bijzondere uitkering worden toegekend om tot een sluitende begroting te komen.
De noodvoorziening is bij de wet van 24 januari 1952 - in grote trekken ongewijzigd - ook voor de jaren 1951 en 1952 van toepassing verklaard.
Een geheel nieuwe regeling werd bij de wet van 8 januari 1955 getroffen. Deze regeling heeft gegolden voor de jaren 1953 t/m 1959. Er kwam een nieuwe algemene uitkering, ter vervanging van en vastgesteld op basis van o.m. de oude algemene en de bijzondere uitkeringen. De nieuwe regeling opende de mogelijkheid om op subjectieve gronden tot verhoging van de algemene uitkering over te gaan. Van die mogelijkheid tot verhoging is ruimschoots gebruik gemaakt.
Met ingang van 1960 is de thans nog geldende regeling, die is vervat in de financiële verhoudingswet 1960, van kracht geworden. Bij het vaststellen van die nieuwe regeling werd beoogd het subjectieve element zoveel mogelijk te verdringen. De gemeenten ontvangen thans uit het gemeentefonds verschillende uitkeringen. De voornaamste van die uitkeringen heet ook weer algemene uitkering.
Deze bestaat uit:
- een bedrag van ƒ 5,- per ha grondgebied,
- een bedrag gelijk aan vijfmaal de opbrengst van de grondbelasting op de gebouwde eigendommen,
- een jaarlijks vast te stellen bedrag per inwoner en
- een bedrag, dat verondersteld wordt overeen te komen met 80 % van de kosten van sociale zorg.
Jaarlijks wordt voor de onderdelen a t/m c een uitkeringspercentage vastgesteld. Dit percentage bedraagt voor 1966 156, zodat boven het basisbedrag (a t/m c) een toeslag van 56 % wordt genoten. De totale opbrengst van de algemene uitkering (a t/m d) wordt voor 1966 geraamd op ƒ 16,65 miljoen. De in de financiële verhoudingswet 1960 geopende mogelijkheid tot het toekennen van aanvullende (subjectieve) uitkeringen op grond van bijzondere omstandigheden heeft tot dusver niet of nauwelijks toepassing gevonden. Wel ontvangen bepaalde groepen van gemeenten, die aan zekere voorwaarden voldoen, op grond van z.g. verfijningregelingen toeslagen op de algemene uitkering. De gemeente Leeuwarden ontvangt - als ontwikkelingskern - over 1966 een verfijninguitkering van naar raming ƒ 0,61 miljoen. Naast de algemene uitkering kent de financiële verhoudingswet 1960 een belastinguitkering, die wordt toegekend als de opbrengst van grond- en personele belasting in een gemeente beneden het landelijk niveau blijven, en verder een onderwijsuitkering. Voor de belastinguitkering komt de gemeente Leeuwarden niet in aanmerking, doch de onderwijsuitkering - voor het gewoon-, voortgezet gewoon-, uitgebreid- en buitengewoon lager onderwijs - is zeer belangrijk. Voor 1966 wordt de opbrengst ervan geraamd op ƒ 3,31 miljoen. De gemeentefondsuitkeringen vormen tezamen de belangrijkste inkomstenbron van de gemeente.
Daarnaast kwamen naast de in 1946 reeds bestaande uitkeringen uit ’s rijks kas - o.a. voor de exploitatie van woningwetwoningen, voor de politie en voor de onderwijssalarissen - verschillende nieuwe z.g. doeluitkeringen tot stand, zoals die voor het kleuteronderwijs, het lager onderwijs en het middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs. De kosten van het nijverheidsonderwijs, die aanvankelijk grotendeels door de gemeente en voor een kleiner deel door het rijk werden gedragen, komen sinds 1960 volledig voor rekening van het rijk. De doeluitkeringen staan over het algemeen tegenover lasten van dezelfde orde van grootte. Lastenstijging en inkomensverhoging gaan ongeveer gelijk op.
Naast de gemeentefondsen en de uitkeringen van het rijk voor verschillende doeleinden vormen de eigen gemeentelijke heffingen de derde belangrijkste inkomstenbron van de gemeente. Ook deze bron is geleidelijk aan een groter bedrag gaan opleveren, doch gezien het toch nog vrij bescheiden aandeel dezer heffingen in het totale inkomstenpakket kwamen door verhoging der opbrengst van de eigen heffingen slechts op relatief beperkte schaal middelen beschikbaar. Dit moge blijken uit het onderstaande staatje, dat betrekking heeft op de opbrengst van enkele belangrijke heffingen, t.w. hoofdsommen en opcenten grond- en personele belasting en straatbelasting.
|
1946 |
ƒ 1.10 miljoen |
|
1950 |
- 1.05 miljoen |
|
1955 |
- 1.65 miljoen |
|
1960 |
- 1.95 miljoen |
|
1965 |
- 2.20 miljoen |
|
1966 |
- 2.60 miljoen |
Deze t.o.v. de opbrengst der gemeentefondsuitkeringen, in absolute cijfers, bescheiden aanwas ging evenwel, met name wat de straatbelasting betreft, wel gepaard met forse tariefsverhogingen.
Was in 1946 het tarief van de straatbelasting voor de gebouwde eigendommen in het stedelijk gebied nog 6½ % van de kadastrale opbrengst en dat voor de overige eigendommen 4 %, in de loop der jaren werden de heffingspercentages als volgt gewijzigd:
|
|
gebouwd |
ongebouwd |
|
1958 |
8 |
4 |
|
1961 |
10 |
5 |
|
1964 |
15 |
7½ |
|
1966 |
20 |
10 |
De vermakelijkheidsbelasting, die in 1946 over het algemeen 20 % bedroeg, is ook thans weer op dit percentage bepaald. Van 1948 tot 1955 golden voor bioscoopvoorstellingen en dansavonden e.d. echter hogere percentages, t.w. 45 % (in bepaalde gevallen 35 %) voor bioscoopvoorstellingen en 50 % voor dansavonden.
Het tarief van de hondenbelasting werd in 1946 van ƒ 7,50 op ƒ 20,- gebracht.
De huisvuilrechten werden eerst in 1951 ingevoerd. Zij bedroegen achtereenvolgens per jaar:
|
1951 |
ƒ 1,25 |
|
1956 |
- 2,- |
|
1958 |
- 7,20 |
|
1961 |
- 8,40 |
|
1963 |
- 11,40 |
|
1964 |
- 14,40 |
|
1966 |
- 18,- |
Het privaattonnenrecht, dat in 1946 nog ƒ 5,- per jaar bedroeg, werd in 1956 gedifferentieerd op basis van de huurwaarde voor de personele belasting. De ontwikkeling was als volgt:
|
1946 |
ƒ 5,- |
~ |
|
|
1956 |
- 7,50 |
~ |
ƒ 25,- |
|
1961 |
- 10,- |
~ |
- 55,- |
|
1964 |
- 15,- |
~ |
- 75,- |
Een opbrengst die wegviel, was die wegens opcenten op de ondernemingsbelasting. In 1950 ontving de gemeente terzake nog ƒ 1,05 miljoen.
Het plan bestaat in 1966, ter gedeeltelijke dekking van de kosten van rioolwaterzuivering en riolering, een rioolbelasting in te voeren, met een geschatte opbrengst van ƒ 650.000,-. Na bovenstaande beschouwingen over de uitgaven van de gewone dienst en de er tegenoverstaande inkomsten is het op zijn plaats melding te maken van het totale resultaat van al die jaren, t.w. een batig saldo van ongeveer ƒ 2.- miljoen. Gezien tegenover het over al die jaren op de gewone dienst bestede bedrag van ongeveer ƒ 475.- miljoen is dit dus procentueel van bescheiden omvang.
Tenslotte nog enkele opmerkingen over de financiering, d.w.z. over de wijze waarop de gemeente zich van de middelen voorzag, die nodig waren om de kapitaalsuitgaven te doen. De geldleningen leverden het overgrote deel van de benodigde middelen. In totaal bedroeg de leningsschuld per 1 januari 1966 rond ƒ 190,5 miljoen. Op 1 januari 1946 was die schuld in totaal niet groter dan ƒ 15,5 miljoen. In deze bedragen zijn mede begrepen de overschotten (leningen) van het rijk voor de woningwetwoningen. Overigens vormen onderhandse leningen het grootste deel van het totaal. De hiervoor verschuldigde rente varieerde, t.w. van 3 % tot 6 %. Zij schijnt thans, na een geleidelijke stijging, die in 1964 is begonnen, op 6 % of iets hoger te zijn gestabiliseerd. De gemeente heeft slechts in enkele gevallen obligatieleningen gesloten. Eén van deze leningen verdient bijzondere vermelding, namelijk de z.g. burgerzinlening, groot ƒ 2,4 miljoen, die in 1951, toen er nauwelijks geleend kon worden, voor de financiering van de bouw van woningen in veelal kleine coupures bij particulieren en instellingen werd geplaatst tegen een rente van 4 %. De destijds betoonde daadwerkelijke belangstelling voor de gemeentelijke zaak moet in dit overzicht met grote waardering voor allen die hun steen(tje) bijdroegen worden gememoreerd.
Terug