AA | Grafisch
Nederlands | Frysk | English

Zorg voor veiligheid

15 April 1945. Leeuwarden werd van de Duitsers bevrijd. Een chaos bleef over op allerlei terrein. Weliswaar waren door de regering in ballingschap allerlei voorzieningen - ook op bestuurlijk gebied - getroffen, maar de uitvoering van al die maatregelen verliep niet zo glad. Het was in het bijzonder ook de politie, die, belast met de handhaving van de openbare orde en rust en die toch ook diende te waken voor de rechtszekerheid van de mensen, voor grote moeilijkheden kwam te staan, niet alleen voor wat betreft haar uitvoerende taak, doch ook met betrekking tot haar interne organisatie.

Wel was men direct na de oorlog begonnen met de reorganisatie van de Nederlandse politie en de regels daarvoor waren neergelegd in het buitengewoon politiebesluit en even later in het politiebesluit 1945. Er zouden echter nog twaalf jaren verlopen eer dit alles zijn beslag had gekregen in een wet. Het werd de politiewet 1957, het uiteindelijke resultaat van een meer dan honderdjarige arbeid op dit gebied.

Ook op bestuurlijk terrein ten aanzien van de politie bracht deze politiewet 1957 toch wel een wat vaste lijn in de veelheid van aspecten, die de politieorganisatie sedert 1814 kenmerkten. De bespreking van deze organisatie zou vele hoofdstukken vergen. Daarom wordt in het kader van dit overzicht slechts enige aandacht besteed aan de plaats van de burgemeester. In de politiewet wordt hij belast met de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gemeentepolitie, terwijl verder is bepaald, dat voor de handhaving van de openbare orde de burgemeester optreedt als hoofd van de politie ter plaatse en dat voor die handhaving de in de gemeente dienstdoende politie onder zijn bevelen staat. Voorschriften, waaraan deze autoriteit dus belangrijke bevoegdheden kan ontlenen en waarin de verantwoordelijkheid toch wel eng is omschreven. Tot zover in dit verband de politiewet 1957.

De praktijk leert - en het kan ook niet anders - dat het beleid door de korpschef in nauw overleg met de burgemeester wordt uitgestippeld. In een gemeente als Leeuwarden is de burgemeester opsporingsambtenaar noch hulpofficier van justitie en hij wordt derhalve in het eigenlijke politiewerk niet direct betrokken, behoudens uit de aard van de zaak in die gevallen, waarin een ernstige verstoring van de openbare orde dreigt of een feit is geworden. In de achter ons liggende jaren hebben dergelijke ordeverstoringen op een grotere schaal zich enkele malen voorgedaan.

Allereerst wordt hierbij gedacht aan de berucht geworden “Slag op het Zaailand”, ook wel bekend onder de naam van “Kneppelfreed”, zo genoemd, omdat de gemeentepolitie op deze vrijdag ter beteugeling van die ordeverstoring gebruik moest maken van de gummistok. De aanleiding tot deze toch wel zeer ernstige ordeverstoring was een zitting van de arrondissementsrechtbank op 16 november 1951. Enkele voormannen uit de Friese Beweging, met name Fedde Schurer en T. de Jong, moesten terecht staan als verdacht van belediging van de kantonrechter te Heerenveen, mr. S.R. Wolthers. Men wilde daarbij tevens een uitspraak forceren omtrent de vraag of het toegestaan was de eed in het Fries af te leggen. Men had besloten, dat deze terechtzitting zou plaats vinden in een kleine zaal van het paleis van justitie, doch de belangstelling voor deze affaire was zo groot, dat velen in die zaal gen plaats konden vinden. De gangen van het gebouw stonden vol met belangstellenden en toen bleek, dat de parketwacht van de rijkspolitie geen kans zag het paleis van justitie te ontruimen, werd assistentie gevraagd van de gemeentepolitie. De mensen werden verwijderd en al mokkend en zich lijdelijk verzettend verdween de groep naar het parkeerterrein tussen de “Harmonie” en het Paleis van Justitie. Men ging spreekkoren aanheffen en riep onder meer: “Wy wolle Fedde sjen”. Aan dit alles werd nog kracht bijgezet door het gebruik van autoclaxons en het kabaal werd zo hevig, dat men zich in de zittingzaal niet meer verstaanbaar kon maken; redenen, waarom de politie de menigte moest verspreiden. Het publiek dromde hierna samen op het Wilhelminaplein. De groep was inmiddels aangegroeid tot verscheidene honderden mensen, die een dankbaar gebruik maakten van het feit, dat op het Wilhelminaplein nog kramen en goederen aanwezig waren van de weekmarkt. De politie werd dan ook alras bekogeld met allerlei fruit, ja zelfs met lege kisten en stukken hout van marktkramen. De orde moest hersteld en met behulp van de gummistok en later nog met de brandspuit kon uiteindelijk de massa uiteen worden gedreven. Dit muisje had echter nog een staartje, want later bereikten de politie en de justitie vele klachten van “toeschouwers” - onder wie ook journalisten en personen met bekende namen uit de Friese Beweging - dat zij door de politie waren mishandeld.

De vertoning van de film “Rock Around The Clock” had reeds in verscheidene plaatsen in den lande aanleiding gegeven tot ordeverstoringen op de straat, zowel door jongens als door meisjes, voornamelijk “teenagers”. Toen deze film dan ook op 19 oktober 1956 in de Cinema-bioscoop aan de Wirdumerdijk werd vertoond, was de politie paraat en op alle eventualiteiten voorbereid. Toen die avond de bioscoop uitging, drongen vele honderden jongelui voor dat gebouw samen en al dringende en schreeuwende golfde deze massa heen en weer tussen Wirdumerdijk en Nieuwestad. Het verkeer liep vast. Op den duur gaf alleen het geschreeuw en gejoel blijkbaar niet meer voldoende bevrediging en begon een aanval van deze opgeschoten lummels zich te vergrijpen aan andermans eigendommen. Men trachtte auto’s in de gracht te gooien en straatlantaarns werden uitgetrapt, spiegelruiten van zaken aan de Nieuwestad vernield. De politie, die bekogeld werd met bloempotten en zelfs met ijsco’s, voerde verscheidene charges uit met de gummistok, waarbij rake tikken werden uitgedeeld. De volgende avond herhaalde zich de geschiedenis en dit alles was voor de burgemeester aanleiding de vertoning van de film te verbieden.

De moderne tijd kenmerkt zich door de verschijning in het straatbeeld van de nozems en de provo’s. Tot op heden hebben deze groepen - zij zijn samengesteld uit alle geledingen van de bevolking - in Leeuwarden betrekkelijk weinig moeilijkheden veroorzaakt. In de tweede helft van 1965 zijn hier, in navolging van andere grote steden, wel enige groepen nozems op de straat met elkaar slaags geweest, doch door een snel optreden van de politie en de arrestatie van een tiental van die belhamels was het kwaad de kop ingedrukt. De justitie stond achter dit alles en zeer spoedig na de aanhouding werden de verdachten berecht. Deze snelle afdoening van het geheel heeft zeer zeker een grote preventieve werking gehad.

Een aantal provo’s - artistiekelingen werden zij genoemd - heeft nog geprobeerd een “happening” te houden bij het beeld “Us Mem” aan het Zuiderplein. Het is bij proberen gebleven en het zaakje is doodgebloed. Volgens inlichtingen die de politie bereikten, is er omstreeks september 1965 nog sprake van geweest, dat op een vrijdagavond omstreeks 300 nozems met bromfietsen en auto’s uit Den Haag zouden komen om in Leeuwarden met bevriende makkers op de straat de strijd aan te binden met vijandige “gangs”. De nozems in Leeuwarden hadden zich verenigd in de “Dingley Boys”, “The Hawks” en de “Vliegende Tijgers”, om enkele van deze groepen te noemen. Een omroepvereniging heeft het zelfs nodig gevonden een televisie-uitzending te wijden aan de nozemgroepen uit Leeuwarden, tengevolge waarvan deze langharige en met lederen vesten geklede slenteraars juist bereikten wat zij graag wilden: het op een stoere manier in de openbaarheid komen, waaraan in een dergelijk geval geen enkel risico is verbonden. De voorstelling van zaken was erg geflatteerd en waar men nadien ook kwam, daar werd gesproken over het zo erge nozemprobleem in Leeuwarden. De politie had van de bewuste omroepvereniging het verzoek gekregen aan de uitzending mede te werken, doch om begrijpelijke redenen werd voor de eer bedankt.

Een vermeldenswaardige onderbreking van de dagelijkse politiezorgen en een voorbeeld van dienstbetoon in de ware zin des woords is geweest de hulp, die in de periode van 18 tot en met 30 oktober 1954 door een twintigtal Leeuwarder politiemannen is verleend aan een aantal boeren in de omgeving van Zijen in Drente. De aardappeloogst van deze boeren dreigde door het bijzonder natte voorjaar verloren te gaan. De politiemannen hebben de handen uit de mouwen gestoken en de boeren op een, zoals later werd gezegd, voorbeeldige wijze geholpen bij het binnenhalen van de aardappeloogst. Iedere morgen om omstreeks zes uur werden zij met een auto naar Zijen gebracht.

Terugkerend naar de realiteit van het politiewerk, moet nog een ander facet van de openbare orde worden gememoreerd, namelijk dat van de justitiële politie, de recherche. In het bestek van dit overzicht moet uit de aard van de zaak een summiere greep gedaan worden uit de veelheid van criminele aangelegenheden, waarvoor de politie zich in de loop van deze jaren heeft geplaatst gezien.

Een spectaculaire zaak, die in het jaar van 1958 in politionele en in justitionele kringen opgeld deed, was de zaak “Dr. O(pdam)”, de arts uit Berkel, die wegens moord op zijn vrouw een levenslange gevangenis uitzat in de gevangenis te Leeuwarden. Het was een vergiftigingsmoord, begaan met cyaankali. Deze intellectuele misdadiger heeft kans gezien om in de nacht van 4 op 5 februari 1958 op een ingenieuze wijze, waarvoor een zeer lange tijd van voorbereiding nodig was geweest, zijn medegevangene A.L. Lodder, die - merkwaardige coïncidentie - eveneens was veroordeeld wegens moord op zijn vrouw, om het leven te brengen en ook weer door middel van cyaankali. Dat een dergelijk misdrijf in een gevangenis kon worden gepleegd op deze wijze, was uniek in de criminele geschiedenis. Dr. Opdam, die in alle toonaarden ontkende en op velerlei manieren, die er van getuigden goed doordacht te zijn, probeerde zijn onschuld te bewijzen, werd door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden en later, in hoger beroep, door het gerechtshof andermaal tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Eerst kortgeleden heeft deze man de moord op zijn vrouw bekend en tevens gratie gevraagd van de hem eerst opgelegde straf. Het behoeft natuurlijks nauwelijks gezegd, dat de politie te Leeuwarden aan het onderzoek, dat een lange tijd in beslag heeft genomen en dat zich zelfs tot in België heeft uitgestrekt, de handen vol heeft gehad.

De tweede wereldoorlog heeft onmiskenbaar zijn stempel gedrukt op de criminaliteit. De jeugd van toen werd opgevoed in tijden van een ander normbesef, de wijze van plegen van het delict is veranderd en vandaag de dag gaat als het ware een golf van geweldmisdrijven over ons land. Misdrijven, die voordien zelden voorkwamen.

Toen het einde van die oorlog daar was, moest dat gevierd worden. Het gevolg hiervan was, dat het drankgebruik en het drankgebruik in ernstige mate toenamen en ook op het terrein van de zeden haperde er het een en ander. Velen hadden het gevoel, dat toen “vrijheid” betekende, dat alles maar mocht en alles maar kon. Al deze omstandigheden hebben de politie veel werk gegeven. Het aloude “Wijntje en Trijntje” speelde derhalve een belangrijke rol in de naoorlogse jaren.

De prostitutie zag haar kans schoon en zij heeft deze ook gegrepen. In Leeuwarden kwamen er nogal wat huizen, waar gelegenheid werd gegeven tot het plegen van ontucht, in de meeste gevallen gekoppeld aan drankverkoop. Zelfs vrouwen uit Amsterdam en Den Haag kwamen zich hier vestigen om het oudste beroep van de wereld uit te oefenen. Verscheidene acties van de recherche hebben uiteindelijk een einde gemaakt aan het welig tieren van die rendez-vous huizen. Een van de exploitanten daarvan verklaarde bij haar arrestatie, dat de politie eigenlijk nog te vroeg was gekomen, omdat zij kort tevoren op verzoek van haar “klanten” een negerin had besteld. Het was wel jammer, maar het feest is dus niet doorgegaan. Hoe het zij, de meeste van die “meisjes” keerden Leeuwarden de rug toe en één van hen is enkele jaren later in Den Haag in de uitoefening van haar beroep vermoord. Onlosmakelijk aan deze affaires verbonden is natuurlijk de souteneur. Ook dergelijke “heren” kwamen in Leeuwarden op de buit af, doch mede door de genoemde acties werd hen hier het werken onmogelijk gemaakt. Daarbij kwam nog, dat de opgelegde straffen afschrikkend werkten. Zo werd één van deze souteneurs veroordeeld tot 3 jaren rijkswerkinrichting en 7 weken hechtenis; dit laatste terzake van een zevental overtredingen van de drankwet 1931.

De afdeling van de gemeentepolitie, die zich in het bijzonder bezig houdt met onder meer het toezicht op de drankwetinrichtingen, is de afdeling bijzondere wetten. De drankwetcontrole is een aangelegenheid, die bij voortduring de aandacht van de politie eist en haar daardoor - ook in administratief opzicht - veel werk geeft. Ter illustratie moge dienen, dat op 1 mei 1939 in deze gemeente in totaal 80 drankwetvergunningen werden verleend, waarvan 20 volledige, 44 tap-, 14 slijt- en 2 sociëteitsvergunningen. Op 1 mei 1965 waren 69 vergunningen uitgegeven, waarvan 14 volledige, 36 tap-, 17 slijt- en 2 sociëteitsvergunningen. Met toepassing van verschillende bepalingen van de drankwet werden in de periode van 1 mei 1945 - 1 mei 1965 in totaal 24 vergunningen ingetrokken. Na de laatstgenoemde datum en wel op 4 november 1965 kwam nog één tapvergunning door intrekking te vervallen, namelijk die, welke werd uitgeoefend in het hotel “De Groene Weide”, dat werd opgeheven. Uit deze cijfers komt derhalve naar voren, dat in de genoemde periode 14 drankwetvergunningen werden verleend.

Nog een andere vorm van een drankwetinrichting is: de kroeg. In het jaar 1947 werden door de burgemeester van Leeuwarden ingevolge de bepalingen van de verordening regelende de politie op de openbare vermakelijkheden en plaatsen van vereniging een viertal kroegen op de lijst geplaatst. In de loop der jaren verdwenen er drie, zodat er thans in deze gemeente nog maar één kroeg is overgebleven.

Tot de competentie van de afdeling bijzondere wetten behoort verder nog onder meer het toezicht op de naleving van de arbeidswet, de winkelsluitingswet, de bioscoopwet, de economische wetten, waaronder de verschillende vestigingswetten en besluiten en bijvoorbeeld ook nog de leerplichtwet. Zij is daarnevens nog belast met de registratie van de jachtaktehouders, de machtiginghouders inzake de vuurwapen- en wapenwet. Het is wel gebleken, dat vóór de oorlog al deze controles zo te hooi en te gras plaats vonden, doch heden ten dage heeft deze afdeling iedere dag druk werk, omdat het toezicht op al deze sociale- en utiliteitswetten een belangrijk onderdeel vormen van de politiezorg. In samenwerking met de geüniformeerde dienst wordt bovendien nog controle gehouden op de sluitingsuren van de plaatsen van vermaak en in dit verband zij nog vermeld, dat in het jaar 1964 in totaal 2192 vergunningen werden afgegeven voor openbare vermakelijkheden.

Door de toename van het aantal baldadigheden heeft de korpsleiding zich in de jaren nà de oorlog genoodzaakt gezien een speciale afdeling in het leven te roepen, die tot taak heeft de bestrijding van dat euvel en het onderzoeken van klachten, die de politie in verband met dergelijke feiten bereikten. Zij heeft zich verder nog belast met de regeling van de veroorzaakte schade.

Weer een geheel ander aspect van de openbare orde is het toezicht op de hier ter stede verblijvende vreemdelingen. Verschillende factoren hebben hun invloed gehad op de terzake gewijzigde omstandigheden. Zo kunnen in dit verband worden genoemd de steeds verdergaande integratie op politiek, economisch en sociaal terrein, de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië op 27 december 1949, de bestuursoverdracht van Nederlands Nieuw-Guinea op 1 oktober 1962 en verder nog de Hongaarse opstand in 1956. Al deze factoren zijn er oorzaak van geweest, dat vele vreemdelingen zich in Nederland en dus ook in Leeuwarden al dan niet blijvend kwamen vestigen. Waren het vóór de oorlog voornamelijk vreemdelingen uit de Europese buurlanden, waarmede de politie bemoeiing had, vandaag zijn het mensen, die afkomstig zijn uit - men kan wel zeggen - alle delen van de wereld. Het aantrekken van buitenlandse arbeidskrachten heeft nogal wat Italianen en Spanjaarden naar Leeuwarden doen komen. Velen, die uit Indonesië en uit Nederlands Nieuw-Guinea waren gerepatrieerd, hebben de politie werk gegeven in verband met hun naturalisatieaanvragen. Dit was ook - zij het in mindere mate - het geval met Hongaarse vluchtelingen. Ter toelichting diene nog, dat in het jaar 1940 137 vreemdelingen stonden geregistreerd. Op 31 december 1964 bedroeg dit aantal 455 en in datzelfde jaar werden 410 verblijfsvergunningen uitgereikt.

Ter afsluiting van dit overzicht volgen hieronder nog enkele cijfers, die het verloop weergeven van de criminaliteit in Leeuwarden.

In het jaar 1939 kwamen 662 misdrijven ter kennis van de politie, waaronder 36 tegen het leven en tegen de persoon, 201 tegen eigendommen en 26 zedenmisdrijven. In datzelfde jaar werden 2438 processen-verbaal opgemaakt terzake van overtredingen.

In 1946 kwamen 1461 misdrijven ter kennis van de politie, waarvan 38 tegen het leven en tegen de persoon, 1147 tegen de eigendom en 37 zedendelicten. Het aantal processen-verbaal wegens overtredingen bedroeg 7556.

Voor het jaar 1964 bedragen deze cijfers: 842 misdrijven ter kennis van de politie, waarvan 61 tegen het leven en tegen de persoon, 464 tegen de eigendom en 39 zedenmisdrijven. Wegens overtredingen werden in dat jaar 13.682 processen-verbaal opgemaakt.


Het verkeer

Het verkeer baart niet alleen de rijksoverheid, doch ook de provinciale en de gemeentelijke overheden grote zorgen. Als men in vroeger dagen het verkeer ter sprake bracht, bedoelde men in de allereerste plaats en vrijwel uitsluitend de verkeersdeelnemers, toen dus de fietsers, de bespannen wagens, de handkarren, de motorfietsen en de auto’s. Voetgangers bezorgden eigenlijk niemand een bijzondere last. Alles ging nog wel langs de wegen van geleidelijkheid en zo kon het gebeuren, dat de verkeerswetgeving nog werd gevonden in de motor- en rijwielwet van 1905. Het zou duren tot 1935 eer men zover was gevorderd, dat de verkeersbepalingen in een geheel nieuwe wegenverkeerswet - de wet van 13 september 1935 - waren samengebundeld. Uit de memorie van toelichting op die wet blijkt, dat de toenmalige minister als doel van die nieuwe wet voor ogen had: het verkrijgen van een grotere veiligheid op de weg, welk doel door de bestaande motor- en rijwielwet niet kon worden nagestreefd, daar deze wet in feite te veel bleek te regelen, waardoor een onvoldoende aanpassing aan de steeds wisselende verkeerseisen werd verkregen, terwijl zij aan de andere kant niet de mogelijkheid liet om met voldoende strengheid tegen hen, die gevaren op de weg veroorzaakten, op te treden. Gezien de huidige ontwikkeling van het verkeer en de gedragingen van vele weggebruikers, is men toch wel geneigd zich af te vragen of het doel, dat die minister met de wegenverkeerswet voor ogen had, inderdaad is bereikt. Door allerlei parlementaire omstandigheden, door voortdurend weer nodig gebleken wijzigingen van de wet in verband met de technische ontwikkeling van het verkeer en de verkeersmiddelen en last but not least tengevolge van de tweede wereldoorlog zou het nog tot 1 januari 1951 duren, voordat deze wegenverkeerswet van 1935, zij het dan ook meermalen gewijzigd, in werking trad.

Het begrip “verkeer” heeft nu een veel ruimere betekenis gekregen. Men spreekt niet alleen meer over de verkeersdeelnemers, doch men begrijpt daarin dan verder een veelheid van factoren, zoals wegenbouw, wegenaanleg, beveiliging, verkeersregeling en -doorstroming, om enkele daarvan met name te noemen. Men kan veilig stellen, dat “het verkeer” een wetenschap is geworden en dat het op vele facetten van het maatschappelijk leven zijn stempel drukt. Men heeft, evenals op andere terreinen, ook en in het bijzonder op het gebied van het verkeer moeite de technische ontwikkeling bij te houden. Een bewijs van het feit, dat het resultaat van allerlei voorschriften, maatregelen en regelingen onvoldoende wordt geacht om dat verkeer in alle opzichten veilig te maken is, is, dat steeds weer in de pers, voor radio en televisie, zowel van de kant van de overheid als van particuliere zijde (ANWB, de KNAC, het Verbond van Veilig Verkeer) de nadruk moet worden gelegd op de onveiligheid van dat verkeer. Tengevolge van dit alles is ook de taak van de verkeerspolitie toch wel veranderd.

In de jaren kort vóór de tweede wereldoorlog was het in vele, in het bijzonder de niet grote gemeenten, een soort statuskwestie, als men de politie ging motoriseren. Dit gebeurde dan niet zozeer met het oogmerk om een verkeersafdeling bij de politie in het leven te roepen, als wel onder het motto van “men moet met zijn tijd meegaan”. Thans is dit echter een dringende en dwingende verkeersnoodzaak geworden.

Ook in de gemeente Leeuwarden bleef op dit punt niet achter en in het jaar 1939 was de gemeentepolitie alhier “gemotoriseerd”. Men had de beschikking over een bestelauto, waarin banken waren aangebracht en men noemde dit voertuig de “overvalwagen”. Het werd meer gebruikt voor het transporteren van dronken mensen en voor het vervoeren van gevonden rijwielen dan voor specifieke verkeersaangelegenheden. Maar..... de politie was verder nog uitgerust met een tweetal motoren met zijspan, waarvan bij optochten, koninklijke bezoeken e.d. een naarstig gebruik werd gemaakt. Zo langzamerhand deed zich de behoefte aan een speciale verkeersafdeling voelen en bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog bestond een dergelijke afdeling hier. Zij was samengesteld uit een inspecteur en vier agenten. Men dient hierbij wel te bedenken, dat de gemeente Leeuwarden toentertijd circa 55.000 inwoners telde, dat op 1 januari 1944 een gedeelte van het grondgebied van de gemeente Leeuwarden werd geannexeerd, waardoor 16.599 mensen aan het toen bereikte inwonertal werden toegevoegd, en dat per 1 november 1965 de gemeente Leeuwarden 86.555 inwoners telde. Deze gemeente heeft nu een oppervlakte van 6486 ha, met een bouwde kom van 778 ha en een bevolkingsdichtheid van 1369 per km2. In de jaren om het begin van de tweede wereldoorlog speelde het grootste gedeelte van het verkeer zich af in de binnenstad. In het jaar 1939 hadden hier 470 aanrijdingen plaats, waarvan 2 met dodelijke afloop en 349 met slechts materiële schade. Op het Zuiderplein kwamen de meeste van die aanrijdingen voor, namelijk 23, en daarna op de Nieuwestad, namelijk 19. Het verkeer was toen toch ook al drukker geworden in vergelijking met voorafgaande jaren. Het aantal aanrijdingen in 1938 bijvoorbeeld bedroeg 459 en in 1937 418. In het jaar 1940 waren het er 404, waarbij 5 met dodelijke afloop. Typisch is, dat er in dat jaar op het Zuiderplein maar 7 aanrijdingen gebeurden. Het zwaartepunt had zich namelijk verlegd naar de Mr. P.J. Troelstraweg, want in 1940 vonden op die weg 36 aanrijdingen plaats. Hierop is van invloed geweest de legering van een groot aantal Duitse militairen op het vliegveld, alsmede de massale aanvoer met vrachtauto’s van materialen, bestemd voor dat vliegveld. Het is duidelijk, dat in de oorlog de verkeersintensiteit steeds verder afnam en dat dientengevolge het aantal aanrijdingen ook steeds verminderde. De cijfers geven hiervan een aardig beeld. Zo waren het er in 1941 233, in 1942 113, in 1943 57 en in 1944 38. In 1945 kwam het verkeer weer van de grond en in dat jaar werden dan ook 122 aanrijdingen geregistreerd.

Bij de bevrijding van Leeuwarden in april 1945 was het voertuigenpark van de gemeentepolitie gereduceerd tot nul. De auto en de motorrijwielen waren door de bezetters gevorderd en de verkeersafdeling moest derhalve van de grond af worden opgebouwd. Medio 1945 kreeg men de beschikking over een personenauto, doch deze werd kort nadien overgedragen aan de burgemeester. Daarvoor in de plaats kwam een andere wagen, het eigendom van een particulier. Deze auto was in feite niet geschikt voor het verrichten van verkeersdiensten, doch men kon redeneren: “Beter wat dan niets”. Zo successievelijk kwamen er nadien enkele motorrijwielen en een jeep bij. Dat is het begin geweest van de geleidelijke organisatie en uitbouw van de verkeersafdeling van de gemeentepolitie en van toen af is het steeds crescendo gegaan. Intussen ging het stadgebied zich hoe langer hoe meer uitbreiden, het inwonertal steeg voortdurend en het wegennet, waarop het verkeerstoezicht moest worden uitgeoefend, werd steeds groter. Daarenboven kreeg men te maken met een steeds toenemend aantal weggebruikers en een grotere verscheidenheid van verkeersmiddelen. In verband met dit laatste mag er op worden gewezen, dat de fiets eigenlijk altijd het voornaamste vervoermiddel van de Nederlanders was geweest, doch de vooruitgang van de techniek en van de welvaart hebben daar zo langzamerhand wel verandering in gebracht. Het was de bromfiets, die haar intrede in het verkeersbeeld deed. De hoogconjunctuur heeft voor velen de mogelijkheid geschapen er een auto op na te houden, terwijl daarnaast de invoering van de vijfdaagse werkweek mogelijkheden opende voor een veel intensiever gebruik. De verkeersafdeling van de politie moest alles op haren en snaren zetten om deze toch wel overrompelende gang van zaken bij te houden. Uitbreiding van personeel kon niet achterwege blijven en daarnaast werd specialisatie op het terrein van auto- en motorentechniek een steeds dringender eis. Het personeel, dat bij de verkeersafdeling was en werd ingedeeld, volgde dan ook allerlei cursussen op dat gebied en de meeste van hen behaalden diploma’s op het gebied van auto- en motorentechniek.

In 1957 kon het wagenpark andermaal worden gemoderniseerd door de ingebruikneming van een drietal surveillancewagens, voorzien van een mobilofooninstallatie. Hierbij was dus tevens aandacht geschonken aan de voor dat werk onmisbare communicatiemogelijkheid, met name de mobilofoon, waardoor een snel optreden - bij ernstige aanrijdingen en andere verkeersongevallen een eerste vereiste - kon worden gewaarborgd. In dat zelfde jaar was het aantal verkeersongevallen reeds gestegen tot 717, waarvan 13 met een dodelijke afloop. De uitbouw van de verkeersafdeling ging gestadig voort en in het jaar 1961 konden zes surveillanceauto’s op de weg worden gebracht, met daarnaast nog een zevental motoren. Twee jaren later bedroeg het aantal verkeersongevallen in Leeuwarden al 994 en daarbij waren zes doden te betreuren, 160 zwaargewonden en 47 lichtgewonden. De steeds toenemende stijging van die getallen heeft het in 1965 noodzakelijk gemaakt niet alleen de verkeersdienst weer met personeel uit te breiden, doch tevens om in die afdeling een afzonderlijke groep te creëren, die uitsluitend belast is geworden met de behandeling van de verkeersongevallen. Hierdoor kon worden bereikt, dat in de afdeling voldoende manschappen en voldoende materiaal beschikbaar kon blijven voor het verkeerstoezicht en voor de verkeerscontrole. Bij die ongevallendienst zijn 7 man ingedeeld, het geheel onder de leiding van een adjudant. Voor het verrichten van de andere verkeerstaken zijn 15 man beschikbaar, zodat derhalve op een organieke sterkte van in totaal 141 tweeëntwintig personeelsleden moesten worden belast met verkeersaangelegenheden. Dat komt dus neer op ruim 15 % van het totaal. Gelukkig kan over modern en goed geoutilleerd materiaal worden beschikt. Dit materiaal bestaat thans uit 2 geheel voor het gebruik bij verkeersongevallen uitgeruste stationcars, waarmede ook gewondenvervoer kan plaats hebben, 10 surveillancewagens, 1 bestelauto, 3 personenauto’s en 6 motoren, waarvan 1 met zijspan.

De ongevallenwagens en de surveillanceauto’s zijn alle voorzien van een mobilofooninstallatie. Uit de aard van de zaak heeft ook het personeel van de surveillancedienst een taak bij het verkeerstoezicht. Teneinde ook dat personeel in de gelegenheid te stellen die taak zo snel en zo doeltreffend mogelijk uit te oefenen, wordt het nu uitgerust met een portofoon, waardoor dus een rechtstreekse en snelle verbinding mogelijk is tussen de te voet of per rijwiel surveillerende politieman en het bureau.

In dit overzicht dient gememoreerd te worden, dat Leeuwarden in 1955 definitief de houdster is geworden van een wisselbeker, welke in de jaren van 1950 - 1955 door de KNAC was uitgeloofd in de door deze georganiseerde steden-verkeersveiligheidscompetitie. Deze wisselbeker was eerst in 1951 en daarna nog eens in 1953 door Leeuwarden gewonnen. In 1955 mocht de gemeente zich eigenares van deze trofee noemen.

De taak van de huidige verkeerspolitie is niet alleen een preventief en repressief optreden in verband met de naleving van de verkeersvoorschriften. Zij heeft zich daarnevens ook belast met het uitlokken en voorbereiden van allerlei verkeersmaatregelen. Door de voortdurend toenemende verkeersdichtheid bleek ook steeds weer de noodzaak van de aanpassing daarvan door maatregelen, als gesloten verklaring van wegen, parkeermogelijkheden, beveiliging van kruisingen en splitsingen, geleiding en doorstroming van het verkeer enz. Weliswaar waren er vóór 1940 hier ook reeds enkele van deze maatregelen getroffen, doch deze voorzieningen hadden in de eerste plaats betrekking op de gesloten verklaring van wegen voor de verschillende categorieën van weggebruikers. Daarnaast kende men een aantal verkeersgeleidingen op drukke punten, zoals bijvoorbeeld op het Zuiderplein, het Stationsplein, de Harlingersingel op de hoek van de Harlingerstraatweg en op de Westerplantage bij de kruising met de Nieuwestad. Deze regelingen zijn in de loop van de jaren onvoldoende gebleken of zelfs onverantwoord. Daarom werden plannen gemaakt de situatie aan te passen aan de verkeerseisen van vandaag. Kortgeleden kon een plan voor de plaats waar Nieuwestad en Westerplantage samenkomen, worden verwezenlijkt, waarbij deze kruising geheel werd beveiligd met verkeerslichteninstallaties en met voetgangersoversteekplaatsen. Reeds eerder was een dergelijke verbetering tot stand gekomen bij de Beurs, waar zich de Wirdumerdijk, het Zaailand, het Ruiterskwartier en de Nieuweweg verenigen. Ook daar wordt sedertdien het verkeer met lichten geregeld en dit heeft een afneming van het aantal aanrijdingen op die plaats ten gevolge gehad. De eerste maatregel op dit gebied van na de oorlog was de plaatsing van een verkeerslicht op de hoek van de Voorstreek oostzijde en het Hoeksterpad. Voor een wijziging van de situatie op het Zuiderplein zijn plannen in voorbereiding.

De verbetering van de invalswegen - Verlengde Schrans, Harlingerstraatweg, Mr. P.J. Troelstraweg en Groningerstraatweg - eiste maatregelen met betrekking tot maximum snelheid en met betrekking tot de door die wegen en de daarop uitkomende straten gevormde kruisingen en splitsingen. Hierbij wordt onder meer gedacht aan de kruising Schrans - Carel van Manderstraat - Verlengde Schrans - Huizumerlaan, waar eveneens een lichtinstallatie is aangebracht.

De volgende fase was het gereedkomen van een ringweg om de stad, waardoor het doorgaande verkeer de binnenstad kon mijden. De diverse aansluitingen van deze ringweg met de reeds bestaande wegen en straten eisten ook weer voorzieningen. Als voorbeelden mogen worden genoemd: het Vrijheidsplein, het Valeriusplein, het Europaplein en het Oostergoplein. Als verbinding tussen het gedeelte van de ringweg Heliconweg - Julianalaan ontstonden de Hermesbrug en het Stephensonviaduct.

De projectie van deze ringweg kon tevens worden aangegrepen om te komen tot de verwijdering uit de binnenstad van de uit verkeerstechnisch oogpunt onmogelijk gelegen veemarkt. Op marktdagen was het verkeer veelal op verschillende plaatsen in de stad “verstopt” door de vele veewagens en personenauto’s. Deze toestand werd op den duur onhoudbaar, mede door een steeds nijpender gebrek aan parkeerruimte in de binnenstad. De veemarkt werd verplaatst naar een terrein aan de Heliconweg, met daarbij een groot parkeerterrein waarvan de capaciteit ongeveer 800 voertuigen bedraagt. Een ander belangrijk voordeel van de situering van de veemarkt aan de ringweg is, dat deze markt nu uit alle richtingen via deze weg is te bereiken.

Niettegenstaande dit alles bleef de verkeerssituatie in de binnenstad van Leeuwarden, met haar vele nauwe straten en haar grachten, alsmede een steeds groeiend gebrek aan parkeerruimte, een probleem. Daarom werd overgegaan tot de invoering per 1 november 1965 van een éénrichtingsverkeerssysteem en van een zogenoemde blauwe zone, binnen welke slechts mag worden “geparkeerd” met een parkeerschijf, d.w.z. in het tijdvlak van 8 tot 19 uur en dan niet langer dan gedurende anderhalf uur. Thans (dus aan het einde van het jaar 1965) kan reeds worden gezegd, dat deze maatregelen een belangrijke verbetering hebben teweeggebracht.

Een vorm van verkeersbeveiliging, welke zich in de naoorlogse jaren heeft aangediend, is de voetgangersoversteekplaats, die op 1 januari 1957 officieel een plaats in de wegenverkeerswet heeft gekregen als middel om de tot dan min of meer “vogelvrije” verkeersdeelnemer te beschermen. In den beginne werden deze oversteekplaatsen ook binnen de bebouwde kom beveiligd door zogenoemde knipperbollen, doch men heeft hier deze maatregel later laten vervallen. Knipperbollen worden dus nu nog slechts aangetroffen buiten de bebouwde kommen. De praktijk heeft echter uitgewezen, dat de huidige regeling van deze materie bezwaren heeft. De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid zoekt, in samenwerking met de Centrale Verkeerspolitiecommissie, naar een modus tot verbetering van de voetgangersoversteekplaats, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de zichtbaarheid en de beveiliging.

Personeel

Een van de eerste naoorlogse taken bij de politie was het zuiveren van het personeel van elementen, die in de oorlogsjaren maar al te zeer bereid waren geweest de vijand ter wille te zijn. Verschillende dezer duistere figuren hadden vóór of met de Duitsers de aftocht geblazen. Anderen bleven en werden door het militair gezag geschorst. Opgemerkt mag worden, dat dit lot ook personeelsleden was beschoren, wier gedrag niet laakbaar was geweest. Zij konden in deze verwarde tijden gemakkelijk het slachtoffer worden van rancuneuze gevoelens, hetzij van collega’s, hetzij van het publiek.

Bijzonder moeilijk was het een gedragslijn te bepalen ten opzichte van politiemensen, die in de oorlog hun opleiding hadden gekregen in de centrale instituten te Apeldoorn (hoger personeel) en te Schalkhaar (lager personeel). Naast de voor de politiedienst vereiste vakkennis werd daar ook het nationaal-socialisme aan de man gebracht. Men vond de oplossing door alle “Schalkhaarders”, voor zover zij “van vreemde smetten vrij” waren, terug te brengen tot de lagere rang van aspirant. Dat waren hier 20 politieambtenaren, van wie in de loop der jaren zes in dienst van de politie zijn gebleven.

Om in de eerste behoefte aan personeel te voorzien, werd na de bevrijding begonnen met de werving van hulpagenten. De eersten werden benoemd op 22 mei 1945 en naderhand volgden velen; bij tientallen werden ze benoemd, maar ze verdwenen eveneens bij tientallen. Van al deze hulpagenten zijn 26 hier in politiedienst gebleven. Eén van hen bracht het tot adjudant, 4 werden brigadier en 21 hoofdagent.

Op 15 april 1946 kwam de minister van binnenlandse zaken tot de eerste sterktebepaling voor de Leeuwarder politie. Als totaal werd gesteld 187 man, exclusief de commissaris van politie, die merkwaardigerwijs niet werd genoemd. Bij dit aantal waren 138 agenten 1e en 2e klas en aspiranten. Reeds in mei 1947 begon de minister aan deze sterkte te tornen. Hij liet weten een politiekorps van 125 man voor deze gemeente voldoende te achten, om tot een passende aansluiting op de vooroorlogse toestand te komen. Op 31 december 1939 was de sterkte 108 man en de veronderstelling lag dus wel voor de hand, dat de annexatie per 1 januari 1944 van een deel van Leeuwarderadeel (Huizum) over het hoofd was gezien. Bovendien leek het niet onredelijk met de gestegen criminaliteit rekening te houden. Een voorstel aan de minister om de sterkte op 160 man te bepalen leidde op 29 oktober 1947 tot een beschikking, waarbij de minister de (al of niet gulden) middenweg bewandelde door 140 man toe te staan. Deze sterkte heeft sindsdien gegolden met dien verstande, dat zeer tijdelijk enige uitbreiding werd verkregen voor de organisatie en werving voor de Bescherming Bevolking en dat bij de invoering van de vijfdaagse werkweek op 1 juli 1961 de organieke sterkte werd vastgesteld op 141 man.

In maart 1946 was de sterkte van het korps 163 man en dit aantal lag dus nog beneden de sterktebepaling van de minister, zoals deze op 15 april was vastgesteld, maar later moest men terug naar 140. In 1947 en 1948 diende personeel af te vloeien en er kwamen geen nieuwe benoemingen tot stand. Op 1 september 1948 werd de voorgeschreven sterkte bereikt en deze is sindsdien vrijwel gehandhaafd. Alleen de laatste jaren kost het moeite op peil te blijven en bestaan geregeld enige vacatures. Op 1 januari 1966 was de sterkte van het personeel, waarvoor van het rijk vergoeding wordt ontvangen, 137 man.

Op instigatie van de regering werden in 1948 voorbereidingen getroffen tot het vormen van een korps reservepolitie, naast de Nationale Reserve, als reserve grensbewaking en de reserve rijkspolitie. In de herfst van 1952 raakte het korps reservepolitie voltallig (110 man). De problemen rond de reservepolitie waren daarmee overigens niet opgelost. Tijdens de opleiding vielen velen af. Zij moesten door nieuwe kandidaten worden vervangen. Toch kan worden gesteld, dat het korps van 1952 tot heden vrijwel steeds op volledige sterkte is geweest. Vergeleken met andere gemeenten is Leeuwarden in dit opzicht een gunstige uitzondering.

Brandweer

Wie op de bevrijdingsdag van Leeuwarden (15 april 1945) een kijkje heeft genomen bij de brandweer, die zal de manschappen bezig hebben gezien met materiaal en de slangen, die gebruikt waren bij het blussen van een brand in het Old Burger Weeshuis aan het Zaailand, dat door de bezetters vlak voor hun terugtocht in brand was gestoken. Over welke brandweerorganisatie beschikte de gemeente na de bevrijding?

De toen reeds bestaande samenwerking met de politie bleek in de leiding. Als commandant en ondercommandant trad op een inspecteur van politie. Voor het blussen van branden was de was de gemeente verdeeld in vier wijken. Voor elke wijk stond een sectie vrijwilligers klaar, bestaande uit een blus- en een spuitmeester en 7 manschappen. Daarboven was nog aanwezig een z.g. vaste kern van 4 à 5 man, ook vrijwilligers, die bij de brandweerkazerne woonden en die bij elk brandalarm uitrukten, versterkt met 4 agenten van de gemeentepolitie; een vorm van plichtbrandweer. Verder deden mee 50 man van het brandpiket van de toenmalige luchtbescherming. Dit piket werd op 2 juni 1945 ingekrompen tot 20 man. Het algemeen bestuur bestond uit de burgemeester als voorzitter, de commandant als lid, de ondercommandant als secretaris en de blus- en spuitmeesters als leden. Het algemeen bestuur had een adviserende taak en vergaderde in de regel één keer per maand. Het dagelijkst bestuur werd gevormd door de burgemeester, de commandant en een spuitmeester.

Het blusmaterieel bestond toen uit 2 Ford-autospuiten van 1935, een Ford-halfautomatische autoladder, 2 Ford-motorspuiten en enkele kleine luchtbeschermingsmotorspuiten. De inspectie van het brandweerwezen en de luchtbescherming stelde in juli 1945 nog beschikbaar een z.g. Henschelspuit (oorlogsbuit) en later nog een trekkermanschappenwagen en een tweewielige ladder met handbediening.

In deze organisatie, gedeeltelijk een erfenis uit de oorlog, kwam in oktober 1947 verandering. Op 15 oktober van dat jaar werd de beroepsbrandweer ingesteld, bestaande uit 13 man, onder wie enkele leden van het luchtbeschermingspiket. Dat piket werd opgeheven. De vrijwillige brandweer bleef gehandhaafd. De spuit- en blusmeesters kregen de rang van brandmeester. De plichtbrandweer (politieambtenaren) bleef bestaan. Voor de beide inspecteurs van politie kwamen in de plaats de commissaris van politie, als commandant, en een lid van de beroepsbrandweer, als ondercommandant. Zij werden met de dagelijkse leiding belast.

Deze reorganisatie vond plaats binnen het kader van de verordening tot regeling van de brandweer van 1935. In 1954 kwam daarin verandering. Na de inwerkingtreding van de nieuwe brandweerwet van 1952, waarin de algehele zorg voor de brandweer aan burgemeester en wethouders werd opgedragen en waarin geëist werd, dat een nieuwe regeling moest worden getroffen voor de organisatie en het beheer van de gemeentelijke brandweer, heeft de gemeenteraad in zijn vergadering van 14 juli 1954 een verordening betreffende de organisatie en het beheer van de brandweer vastgesteld. Deze verordening trad in werking op 10 september van dat jaar. In die verordening waren geen bepalingen opgenomen omtrent het bestaande algemene- en dagelijks bestuur.

Een en ander had tot gevolg, dat deze besturen op 10 september werden opgeheven en dat de vrijwillige brandmeesters met ingang van 15 september daaraanvolgend eervol werden ontslagen. Sindsdien is er een gemeentebrandweer onder leiding van een commandant, met inachtneming van het opperbevel bij brand van de burgemeester. De brandweer bestond toen uit één commandant (commissaris van politie), 13 man beroepspersoneel (w.o. de ondercommandant), 31 vrijwilligers en de leden van de plichtsbrandweer (leden van de gemeentepolitie), en voor de brandbestrijding te Wirdum e.o. 9 vrijwilligers, een ploeg, die bij de annexatie van een gedeelte van Leeuwarderadeel bij Leeuwarden op 1 januari 1944 was blijven bestaan.

Op den duur bleek, dat de opkomst van de vrijwilligers vooral overdag te wensen overliet - vele leden hadden een werkkring buiten de gemeente. Er moest naar een gedeeltelijke vervanging worden omgezien. De oplossing werd gevonden door uitbreiding van het aantal plichtbrandweerlieden, een verantwoorde keuze, omdat in de vijftiger jaren de brandweer en politie de beschikking kregen over een mobilofooninstallatie met de mogelijkheid van snelle oproep van personeel. In 1957 werden 14 leden van de verkeerspolitie bij de plichtbrandweer ingeschakeld. Zij moesten zich bij brandalarm overdag naar de brand of naar de kazerne begeven. Des nachts konden zij naar behoefte telefonisch worden opgeroepen. Het gevolg van deze inschakeling was, dat 22 vrijwilligers eervol werden ontslagen. De ploeg in Wirdum bleef bestaan.

In de zestiger jaren bleek, dat deze verandering toch niet zonder bezwaren was. Dat kwam, omdat de gemeentepolitie steeds meer werk te doen kreeg, vooral door de stormachtige ontwikkeling van het verkeer. Aan de andere kant bleek het niet gemakkelijk de beroepskern uit te breiden, omdat de brandweer bij voortduring te kampen had met ruimtegebrek. Dit gebrek werd gedeeltelijk opgeheven door vergroting van het onderkomen van de kern met de percelen Bagijnestraat 12 en 18, voorheen woningen van de beroepsbrandweerlieden. De beroepskern werd uitgebreid, eerst met 4 man en later nog eens met 11 man. Deze brandweerlieden werden ook ingeschakeld bij de bescherming bevolking.

In 1960 hadden burgemeester en wethouders de Vereniging van Nederlandse Gemeenten reeds verzocht hen van advies te dienen omtrent de definitieve organisatievorm van de brandweer, mede met het oog op een eventuele oprichting van een centrale werkplaats, voor het onderhoud van het rollend materieel van de gemeente.

In dit in 1962 uitgebrachte rapport waren enkele keuzemogelijkheden aangegeven. In die jaren uitte ook het ministerie van binnenlandse zaken steeds meer bezwaren tegen het feit, dat de commissaris van politie teven commandant van de brandweer was en dat de politieambtenaren tot de plichtbrandweer behoorden. Dit ministerie heeft de gemeente niet de tijd gelaten de samenwerking tussen brandweer en politie op het gebied van de brandbestrijding op te heffen op een tijdstip, dat de brandweer de beschikking zou hebben over een nieuwe brandweerkazerne. Bij besluit van de minister van binnenlandse zaken van 2 september 1964 werd met ingang van 1 januari 1965 de toestemming t.a.v. de commissaris van politie tot het bekleden van de bezoldigde functie van brandweercommandant ingetrokken. De plichtbrandweer werd met ingang van 1 juni 1965 opgeheven. Intussen werden 12 nieuwe beroepsbrandweerlieden aangesteld. Op 1 november 1965 werd de nieuw benoemde directeur van de reinigings- en ontsmettingsdienst commandant van de brandweer. Van 1 januari 1965 tot 1 november 1965 werd de leiding waargenomen door de ondercommandant.

Op 1 januari 1966 bestond de brandweer uit een commandant (directeur reinigings- en ontsmettingsdienst), 28 beroepsbrandweerlieden, o.w. de ondercommandant, 9 vrijwilligers voor de stad en 8 vrijwilligers voor Wirdum. Een voorstel tot opheffing van de vrijwillige brandweer te Wirdum is in behandeling, omdat de laatste jaren bij een brandalarm daar steeds een beroep op de beroepsbrandweer wordt gedaan.

Sinds 1949 is het blusmaterieel geleidelijk vervangen en gemoderniseerd. Ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Onderlinge Brandwaarborgmaatschappij voor de gemeente Leeuwarden in 1950 kreeg de brandweer een nieuwe Dodge-Van Bergen autospuit GV van deze maatschappij cadeau. Het jaar daarop werd een soortgelijke autospuit aangeschaft, een DAF-Van Bergen. In 1956 werd een nieuwe volautomatische DAF-Metz-autoladder in gebruik genomen. In dat jaar werd in de Dodge-spuit een hogedruk-nevel-installatie ingebouwd ten behoeve van de nevelblussing, een blusmethode, waarbij minder water wordt gebruikt.

In 1961 werd een 2-wielige 250 kg droogpoeder-unit aangeschaft voor het blussen van vloeistof- en gasbranden, die als aanhangwagen achter de autoladder werd gekoppeld.

Het jaar daarna kreeg de brandweer de beschikking over een klein model snel wendbare Mercedes-autospuit met een Magiruspomp, een gecombineerde pomp voor gewone en nevelblussing, een spuit speciaal voor de eerste uitruk.

In 1965 werd een nieuwe Mercedes-autospuit aangeschaft, voorzien van een lagedruk- en hogedrukpomp. In datzelfde jaar werd een nieuwe Mercedes-manschappenwagen gekocht. Dit nieuwe materieel diende ter vervanging van het oude materieel, dat niet meer bedrijfszeker bleek te zijn. Eind 1965 beschikte de brandweer over 4 autospuiten, 1 volautomatische autoladder met droogpoeder-aanhangwagen , 1 2-wielige ladder met handbediening en 1 kleine motorspuit.

In de loop der jaren werden de brandslangen vervangen, waarbij werd overgegaan op rubbergevoerde slangen. Verder zijn adembeschermende toestellen aangeschaft, zodat men eind 1965 de beschikking had over 3 zuurstoftoestellen en 15 persluchttoestellen. Tot 1965 werd het personeel bij brandalarm opgeroepen door PTT-wekkerschellen; in dat jaar werd gedeeltelijk overgegaan tot de aanschaf van hoogfrequent-toonoproepkastjes, die kunnen worden aangesloten op het gewone elektrische net. In 1966 zal de omschakeling volledig zijn. Sinds 1957 maakt de brandweer voor de verbinding tussen uitgerukte bluseenheden en kazerne gebruik van de mobilofoon. Eind 1965 waren in gebruik 4 mobilofoons op de autospuiten.

De centraalpost is een combinatie met de gemeentepolitie. Bij de verhuizing van de politie in 1935 naar de Nieuwestad 49 is ook de brandweer verhuist naar dit adres; een noodzaak met het oog op de toen reeds bestaande samenwerking tussen brandweer en politie. Het materieel werd ondergebracht in de garages bij het politiebureau, de huisvesting van de vaste kern van vrijwilligers vond plaats in de nieuw gebouwde woningen in de Bagijnestraat achter het politiebureau.

Na de instelling van een beroepsbrandweer in 1947 werd het perceel Bagijnestraat 16 ingericht tot manschappenverblijf. In de loop der jaren werd dit verblijf uitgebreid met de percelen Bagijnestraat 12 en 18. Er bestaan plannen de brandweer te vestigen aan de nieuwe ringweg in een combinatie van gebouwen voor brandweer en reinigings- en ontsmettingsdienst, eventueel met daarbij een centrale werkplaats.

Het aantal uitrukken in verband met brandalarm vermeerderde in de loop der jaren. In 1946 werd 68 keer uitgerukt, in 1965 bedroeg dit aantal ruim 120. De brandschade is in die periode ook opgelopen. Hieronder volgt een overzicht sinds 1949:

1949 ƒ 12.490,-; 1950 ƒ 26.351,27; 1951 ƒ 64.940,57; 1952 ƒ 143.450,-; 1953 ƒ 109.129,-; 1954 ƒ 97.376,-; 1955 ƒ 338.535,-; 1956 ƒ 68.581,-; 1957 ƒ 329.411,-; 1958 ƒ 30.289,-; 1959 ƒ 100.919,-; 1960 ƒ 543.795,-; 1961 ƒ 427.245,-; 1962 ƒ 397.178,-; 1963 ƒ 1.781.031,62; 1964 ƒ 587.276,-

Bescherming Bevolking

De gedachte, dat met het einde van de oorlog in 1945 een blijvende vrede was gewonnen, heeft slechts bij weinigen geleefd. Reeds in het eind van de oorlog tekenden zich onder de geallieerden de tegenstellingen af, die door het optreden tegen een gemeenschappelijke vijand konden worden verbloemd, maar na het einde der vijandelijkheden al spoedig tot de vorming van een oostelijk en een westelijk blok leidde. De spanningen tussen deze beide polen in de wereldpolitiek leidden niet alleen tot intensieve militaire voorbereidingen op een eventueel gewapend conflict, ze deden ook de behoefte groeien aan een doeltreffende organisatie van de civiele verdediging.

De bescherming bevolking vond uiteindelijk haar organisatorische grondslag in de wet van 10 juli 1952. Deze wet bepaalt, dat de bescherming bevolking het geheel is van niet-militaire maatregelen tot bescherming van de bevolking en haar bezittingen, zomede bezittingen van openbare lichamen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld.

Dit wil echter niet zeggen, dat met de organisatie van de bescherming bevolking werd gestart in het jaar 1952 en dat er op dit terrein in de jaren voor 1952 geen activiteiten werden ontplooid. In vele steden was reeds een aanvang gemaakt met het oprichten van een organisatie voor deze hulpverlening. In Leeuwarden gaf de burgemeester de commissaris van politie de leiding in handen van de organisatie van de Bescherming Bevolking in het A-gebied Leeuwarden. Nederland was namelijk verdeeld in een aantal A-gebieden (gemeenten, waarin gevaaraantrekkende objecten waren gelegen) en een aantal B-kringen (groepen van gemeenten min of meer met een plattelandskarakter).

Reeds op 15 maart 1949 ging er een circulaire uit van de minister van binnenlandse zaken, waarin werd gezegd, dat het noodzakelijk was een goede militaire beveiliging te begeleiden met een burgerlijke verdediging, steunend op de “wet betreffende bescherming tegen luchtaanvallen” van 1936.

Ook in Leeuwarden begon men met het ontwerpen van een luchtbeschermingsplan. Gezegd moet worden, dat er met voortvarendheid werd gewerkt, waarbij de grootste moeilijkheid was, dat men moest werken met summiere gegevens. Vele problemen moesten worden opgelost, zonder dat men wist, van welke gegevens men moest uitgaan. Toch kon reeds op 15 april 1950 het eerste “Luchtbeschermingsplan” door de commissaris van politie aan de burgemeester worden aangeboden.

Het werd echter door de minister van binnenlandse zaken “te zwaar” bevonden. Een nieuw en beperkter plan kon op 16 januari 1951 worden aangeboden aan de commissaris der koningin.

Van de zijde van het ministerie van binnenlandse zaken werden echter na de indiening van het gewijzigde plan wederom nieuwe richtlijnen uitgegeven, terwijl tevens uit een circulaire van 20 oktober 1952 van dit ministerie bleek, dat feitelijk nog geen enkel plan in den lande was goedgekeurd. Nieuwe schema’s werden door de minister gegeven voor de opstelling van beschermingsplannen. Inmiddels was met ingang van 1 september tot hoofd bescherming bevolking te Leeuwarden benoemd de heer F. Landmeter, waarna de administratie van de Bescherming Bevolking te Leeuwarden van het Politiebureau verhuisde naar de vroegere manege, Arendstuin 35.

Van de zijde van het ministerie werd verzocht de nieuwe plannen in te dienen voor 1 december 1952, waarin ook rekening moest worden gehouden met de A.B.C.-oorlogsvoering. Deze termijn bleek echter te kort te zijn en op 30 december 1952 werd het plan voor Leeuwarden door het hoofd Bescherming Bevolking van Leeuwarden aangeboden aan de burgemeester.

In dit plan werd Leeuwarden verdeeld in zes wijken. Verder werd de gehele stad verdeeld in 74 blokken, over de verschillende wijken verdeeld.

Het plan werd door de minister van binnenlandse zaken geretourneerd met een nota van bemerkingen en overeenkomstig deze opmerkingen werd het plan wederom gewijzigd, waarna het hoofd Bescherming Bevolking dit gewijzigde plan op 2 juli 1955 deed toekomen aan de burgemeester. Op basis van dit plan werd sedertdien gewerkt en geoefend.

Stafoefeningen werden gehouden in de commandopost, gevestigd in het souterrain van de Plataanschool. De wijken en blokken moesten worden opgebouwd. Geschikte personen moesten worden aangezocht om de functies van wijkhoofd en blokhoofd te bekleden. Deze laatste taak was niet de gemakkelijkste, doch men slaagde hierin, mede door de hulp van de politie. Legio was het aantal cursussen. Instructeurs moesten in de eerste plaats worden opgeleid en velen van hen volgden hiertoe een cursus aan de stafschool te Barneveld. Het bleef niet mogelijk met vrijwilligers te werken; bij beschikking van de minister van binnenlandse zaken van 4 juli 1959 werd o.a. in Leeuwarden de noodwachtplicht ingevoerd. In het najaar van 1959 werden de eerste noodwachtplichtigen opgeroepen en geoefend. Ook in deze jaren moest er nog veel worden geïmproviseerd.

Mede op grond van de wijzigingen van de militaire inzichten (Leeuwarden zou in de nieuwe veronderstelling bij een onverhoopt uitgebroken oorlog een doel zijn voor een atoomwapen) werd bij koninklijk besluit van 5 januari 1961 de A-kring Friesland c gevormd. Deze kring bestaat uit de gemeenten Achtkarspelen, Ameland, Baarderadeel, Barradeel, het Bildt, Dantumadeel, Dokkum, Ferwerderadeel, Franeker, Franekeradeel, Hennaarderadeel, Idaarderadeel, Kollumerland en Nieuwkruisland, Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Menaldumadeel, Oostdongeradeel, Rauwerderhem, Schiermonnikoog, Tietjerksteradeel en Westdongeradeel. Door deze gemeenten diende een gemeenschappelijke regelingen te worden getroffen voor de bescherming bevolking. De burgemeesters van deze gemeenten stelden op 20 april 1961 de gemeenschappelijke regeling vast, welke regeling op 19 juni 1961 werd goedgekeurd door de commissaris der koningin. Tot voorzitter van de kringraad en tot voorzitter van het dagelijks bestuur werd benoemd de burgemeester der gemeente Leeuwarden.

Op 1 juli 1961 had een nieuw plan voor de A-kring Friesland c klaar moeten zijn, doch dit gelukte niet en het hoofd bescherming bevolking (de heer F. Landmeter, voorheen hoofd Bescherming Bevolking te Leeuwarden) bood het dagelijks bestuur van de kring op 26 september 1962 het ontwerpplan aan.

Inmiddels wordt voortgegaan met het houden van besprekingen en van oefeningen en het geven van cursussen, waarbij wordt gewerkt op basis van het ontwerpplan van september 1962. De commandopost van de kring bevindt zich nog steeds in de Plataanschool te Leeuwarden (De oude commandoposten van de vroegere kringen Franeker en Dokkum zijn vervallen). De commandopost zal in de nabije toekomst worden overgeplaatst naar Grouw, voor welk doel aldaar een nieuw gebouw in aanbouw is.

Resumerende kan men zeggen, dat de plannen in de loop der jaren steeds moesten worden gewijzigd en dat dit nog steeds noodzakelijk is. De grootste wijzigingen in de plannen zijn:

  1. De reorganisatie in verband met de nieuwe kringindeling.
  2. De aanpassing van de opstellingsplaatsen van het potentieel aan de hand van de gewijzigde militaire veronderstellingen.
  3. De uitbreiding van het personeel in de commandopost met de sectie A.B.C.-dienst en de sectie operaties en inlichtingen.
  4. De gewijzigde opzet van de dienst sociale verzorging.
  5. De organisatie van de brandweer in pelotons, uitgebreid met vijf rijksspuiten.
  6. De omvorming van verschillende mobiele geneeskundige teams tot mobiele geneeskundige groepen.

In november 1961 betrok de Bescherming Bevolking een nieuw kantoor. Men verhuisde van de Arendstuin naar Grote Kerkstraat 13 te Leeuwarden. Hier kwamen dus de draden bij elkaar van de Bescherming Bevolking in de A-kring Friesland c. Men vond daar onderdak tot 1 juli 1964, op welke datum een nieuw kantoor werd betrokken en wel in het perceel Turfmarkt 8 te Leeuwarden.

Het hoofd bescherming bevolking van de kring, de heer F. Landmeter, werd met ingang van 1 juni 1965 gepensioneerd, zijn opvolger werd de heer J. van der Graaf.

Niet verheeld kan worden, dat de Bescherming Bevolking en de organisatie daarvan in de jaren van haar bestaan met vele moeilijkheden te kampen heeft gehad. Zij moest uit het niet worden opgebouwd. Duidelijke richtlijnen en voorschriften ontbraken veelal. Dikwijls moest een beroep gedaan op andere instanties, welker werkzaamheden daardoor werden uitgebreid met nieuwe taken, die een extra verzwaring betekenden. Ook moet worden gezegd (en dat geldt niet alleen voor Leeuwarden), dat de Bescherming Bevolking geen populaire instelling is. Verschillende redenen kunnen hiervoor worden aangevoerd. In de eerste plaats is de gedachte aan een nieuwe oorlog weinig aantrekkelijk en het is logisch, dat men zich daartegen verweert. Dan moet de Bescherming Bevolking voor de oefeningen en cursussen beslag leggen op de vrije tijd van de vrijwillige of “noodwachtplichtige” medewerkers. Daarbij wordt over het hoofd gezien, dat niet alleen in oorlogstijd, doch ook bij grote rampen in vredestijd de organisatie van de Bescherming Bevolking zeer nuttige hulp zal kunnen verlenen. Wanneer men hiervan zou zijn doordrongen, dan zou dit zeker de populariteit van de Bescherming Bevolking ten goede komen.

Men kan met recht met de Engelsen zeggen: “Beter een Bescherming Bevolking zonder oorlog, dan een oorlog zonder Bescherming Bevolking”.

Terug

 



RECHTSTREEKS NAAR: