AA | Grafisch
Nederlands | Frysk | English

Cultureel leven

De tweede wereldoorlog heeft de verhouding tussen overheid en cultuur in een nieuw licht geplaatst. De maatregelen van de bezetter tot overheersing van de nationale cultuuruitingen hebben in het volk het besef van de onvervangbaarheid en de waarde van de eigen cultuur wakker geroepen. Een wederopbouw na de oorlog zou zich niet alleen in materiële, maar ook en vooral in geestelijke zin moeten voltrekken en in het bijzonder zou aandacht besteed moeten worden aan zelfwerkzaamheid en sociale cultuurspreiding. Wijst het uitgavenpatroon in de jaren vóór en direct ná de oorlog nog in belangrijke mate op een cultuurconservering (museumwezen en monumentenzorg), in de jaren daarna wordt overgeschakeld op een meer actief en stimulerend beleid, waarbij gestreefd wordt naar een klimaatverbetering, waarin culturele levensuitingen zich kunnen ontplooien.


Fryske Kultuerried

De basis van de naoorlogse culturele ontwikkeling van Friesland werd reeds in de oorlogsjaren gelegd. Uit het particulier initiatief kwam een orgaan voort, dat zich belastte met de opbouw van het culturele werk in de provincie. Rapporten van de Raad van de Friese Beweging uit de oorlogsjaren vormden de grondslag voor taak en doelstelling van dit orgaan. De Fryske Kultuerried kwam als eerste provinciale culturele raad in ons land in december 1945 tot stand. In december 1965 vierde deze instelling haar twintigjarig bestaan en eerde bij die gelegenheid haar voorzitter, dr. H.G.W. van der Wielen, die nagenoeg deze gehele periode het voorzitterschap van de Ried had bekleed, doch de tijd gekomen achtte zich terug te trekken. De aan hem opgedragen uitgave “20 jier Fryske Kultuerried” geeft een duidelijke afspiegeling van het vele en belangrijke werk van deze organisatie o.m. op het gebied van de sociale en geografische cultuurspreiding, de muzische vorming, het onderhouden van contacten met zowel gewestelijk als landelijke organisaties enz. Speciale vermelding verdient daarbij de grote stimulans, die uitgaat van de door - of in nauwe samenwerking met - de Kultuerried georganiseerde cursussen ter verhoging van het peil van de amateuristische kunstbeoefening, zoals de opleiding korpsmuzikanten, de volksdansopleidingen en de toneelcursussen. Alleen al in Leeuwarden zijn in de jaren 1960 - 1965 door de provinciale toneeladviseurs 19 cursussen en 29 raamregies verzorgd. Deze en vele andere activiteiten worden voorbereid, uitgevoerd dan wel gestimuleerd door het uitvoerend orgaan van deze organisatie, het Bureau voor Culturele Zaken, dat sedert 1 juli 1952 onder directie staat van mevrouw G.G. Faber-Hornstra.

Na eerst een tweetal jaren in het Coulonhûs gevestigd te zijn geweest, is het bureau in 1947 verplaatst naar het pand Weerd 11. Eerst met het tot stand komen van het gebouwencomplex in de Prinsentuin in mei 1954 kon het bureau worden gehuisvest in het hierna te bespreken Kunstcentrum.


Kunstcentrum

In de middenvleugel van het gebouw, het oudste gedeelte, is beneden een lokaliteit met een klein toneel ingericht voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen; daarboven bevindt zich een zaal voor wisselexposities, die reeds sedert 1949 als zodanig in gebruik was bij It Boun fan Fryske Kunstners. De nieuw gebouwde oostelijke vleugel bevat de administratieruimten van het Bureau voor Culturele Zaken en het Pier Pander Museum; in de westelijke vleugel is een theeschenkerij ingericht met aansluitend een gedeeltelijk overdekt terras. Het Bureau voor Culturele Zaken heeft bij de opening in 1954 het beheer over de tentoonstellingszaal en het museum gekregen. Dit laatste is ingericht met de artistieke nalatenschap van Pier Pander: honderdvijftig reliëfs en omstreeks veertig beelden en beeldjes, voor het merendeel in gips. Reeds in 1920 had de gemeente deze nalatenschap aanvaard, met daaraan verbonden de verplichting om met het eveneens nagelaten geld een museum te bouwen. Door velerlei oorzaken zou het nog tot 1954 duren voor een definitieve tentoonstellingsruimte voor het werk kon worden gecreëerd. De opening door de burgemeester op 24 mei van dat jaar ging met enige luister gepaard.

In zijn openingsspeech wees de heer Van der Meulen op het belang van dit centrum, dat zou bijdragen tot een nauwer contact tussen kunstenaar en publiek en - vooruitlopende op de toekomst - schetste hij de totstandkoming van een cultureel centrum in dit deel van de stad, waarvan - na sanering van de Groeneweg en het Oldehoofsterkerkhof - ook o.m. de nieuwe provinciale bibliotheek deel zou gaan uitmaken. “Dit alles ter vermeerdering van het aanzien van Leeuwarden als centrum van Friesland, en - wat belangrijker is - tot bevordering van de cultuur in stad en gewest”.

Dat de toen gesproken woorden bepaald niet illusoir waren, wordt bewezen door het feit, dat thans, bijna twaalf jaar later, de provinciale bibliotheek, gebouwd onder architectuur van prof. ir. P.H. Tauber, nagenoeg is voltooid en dat de plannen voor de bouw van het rijksarchief en de openbare bibliotheek in de naaste omgeving, in een gevorderd stadium verkeren. Tezamen met het museum “Het Princessehof” zal in het hart van deze stad een voor ons land uniek cultureel centrum ontstaan.

Musea

“Het Princessehof”

Toen in 1955 notaris Nanne Ottema overleed, was hij 45 jaar lang conservator geweest van de collecties Aziatische en Europese keramiek en kunstnijverheid, voor het grootste deel door hem zelf bijeengebracht, met als kern de verzameling van Anne Tjibbes van der Meulen, stichter van het Indische Museum in Bergum. In 1915 waren de verzamelingen overgebracht naar Leeuwarden en in 1917 opgesteld in het Princessehof, dat bij latere aanwinsten, o.m. de Verbeek-collectie (grove porseleinen) enkele malen werd verbouwd. In 1938 hadden notaris Ottema en zijn echtgenote een stichting in het leven geroepen, de z.g. Ottema-Kingma-Stichting, die tot doel zou hebben: “bevordering van kunst en wetenschap, speciaal van al hetgeen van belang is op oudheidkundig-, kunst- en cultuurhistorisch gebied, waaronder begrepen het dienen van de Heemschutgedachte”. Bij zijn dood in 1955 verviel nagenoeg Ottema’s gehele vermogen aan de stichting. Zijn taak van bestuurder werd door een voltallig bestuurscollege overgenomen, waarin de burgemeester, mr. A.A.M. van der Meulen, zitting kreeg.

Als directeur van het Princessehof, tevens conservator van de Ottema-Kingma-Stiching, werd per 1 juli 1957 aangesteld de heer H. Miedema, kunsthistorisch drs. In de volgende jaren werden uit de revenuen van het kapitaal van de stichting belangrijke aankopen gedaan, voornamelijk ter aanvulling en uitbreiding van de keramische collecties. Toen de heer Miedema in 1963 het museum verliet, was de inventarisatie van alle asiatica en daarmee die van alle gemeentelijke verzamelingen voltooid. Met het inventariseren van de grote verzamelingen Europese keramiek en non-keramiek van de oude verzameling Nanne Ottema is inmiddels een begin gemaakt.

De heer Miedema heeft zijn werkzaamheden aan het museum afgesloten en bekroond met het gereedmaken van drie fraai geïllustreerde catalogi van de collecties “Kraakporselein en Overgangsgoed”, “Martavanen” en “Swatow”, die in de loop van 1964 zijn verschenen.

In 1957 werd de Papingastins, eens het stenen huis van de pastoors van Oldehove, door de gemeente aangekocht om te zijner tijd aan het Princessehof te worden toegevoegd. Het in 1963 door de Ottema-Kingma-Stichting krachtens legaat verworven pand Grote Kerkstraat 9 is door de gemeente overgenomen en eveneens aan het Princessehof toegevoegd. Dit betekent het herstel van het oude paleis, zoals dat vanaf 1731 bewoond werd door prinses Marijke Meu. Na haar dood in 1765 was het Princessehof in zijn drie samenstellende huizen uiteengevallen. Naar verwacht wordt, zal in 1966 een aanvang worden gemaakt met het grote restauratieplan van de architecten D. Elffers en Th. Wijnalda (Princessehof en Grote Kerstraat 9) en A. Baart Jr. (Papingastins).

Bij de nieuwe indeling zal niet volstaan worden met het scheppen van expositiezalen alleen, ook andere functies vragen de aandacht. Het museum zal een representatief en ontvangend karakter krijgen, door het scheppen van ruimten voor het houden van lezingen en voor het inrichten van tijdelijke exposities van al of niet moderne kunst, alsmede door het inrichten van een werkplaats ten behoeve van een inmiddels opgerichte jeugdclub. Het pand Grote Kerkstraat 9, de toekomstige westelijke vleugel, zal ruimte bieden aan de bibliotheek van de Ottema-Kingma-Stichting en voorts zullen hier een foyer en personeelsruimten worden gecreëerd. De verbouwing zal een bedrag van 1¼ miljoen belopen. Op initiatief van de huidige directeur, de heer J. Romijn, is een vereniging van vrienden van het museum opgericht; voor de leden worden in de zalen van het museum kamermuziekavonden, lezingen en tentoonstellingen georganiseerd.


Fries Museum

Ook het Fries Museum is nagenoeg ongeschonden uit de oorlog te voorschijn gekomen. Na vanaf september 1944 gesloten en ontruimd te zijn geweest, kon direct na de bevrijding met de wederopbouw worden begonnen. Reeds op 16 juli 1945 vond de heropening plaats.

Onder de bezielende leiding van dr. A. Wassenbergh, die van 1936 tot 1963 directeur van het museum was, is veel aan de collecties en de opstelling daarvan verbeterd. Een reorganisatie van verschillende afdelingen in 1952 deed een betere chronologische volgorde ontstaan. De kroon op zijn werk zette de heer Wassenbergh echter met de restauratie en herinrichting van de zilverkamers, onder architectuur van ir. J.J.M. Vegter, aan welke bij gereedkoming in 1963 de naam “Dr. Wassenbergh-kamers” werd gegeven. Bij zijn afscheid op 21 juni 1963 ontving de heer Wassenbergh uit handen van de burgemeester de zilveren medaille van de stad Leeuwarden. Hij werd opgevolgd door drs. C. Boschma.

Belangrijke tentoonstellingen zijn in de afgelopen 20 jaren in het museum georganiseerd, enkele onder auspiciën of met medewerking van de gemeente Leeuwarden: een tentoonstelling van moderne kunst (1950), “Van Fantin tot Picasso” (1951) en “Vincent van Gohg” (1956); voor andere werden subsidies verstrekt uit het gemeentelijke fonds voor culturele doeleinden, zoals voor de tentoonstelling van Nederlandse volkskunst “Het hart in de hand”, die in december 1965 werd geopend. In dat jaar is tevens een educatieve dienst aan het museum verbonden.

Grote veranderingen staan voor de deur. Wanneer de provinciale bibliotheek de Kanselarij zal hebben verlaten en het nieuwe gebouw aan het Oldehoofsterkerkhof heeft betrokken, zal het museum over vrijkomende ruimten kunnen gaan beschikken. Plannen voor de verbouw en inrichting van het nieuw te vormen museumcomplex verkeren reeds in een gevorderd stadium.


Fries Natuurhistorisch Museum

Het reeds veertig jaar bestaande Fries Natuurhistorisch Museum wordt vanaf 1948 door de gemeente gesubsidieerd, aanvankelijk met een bedrag van ƒ 250,-, thans met ruim ƒ 5.000,- per jaar. Begonnen in de Oude Waag, werd al spoedig in de Heerestraat, het pand dat eens de bank van lening was, betrokken. De vereniging, die dit museum in stand houdt, heeft ongeveer 900 leden. Zelf hebben deze leden - veelal in de avonduren - de ruimten als museum ingericht en dank zij de overheidssubsidies kan de vereniging sedert zes jaar een vaste beheerder in dienst houden. De zich nog steeds uitbreidende verzameling van voornamelijk in Friesland aangetroffen insecten, vogels en vele andere diersoorten, maar ook van planten en stenen, heeft in het bijzonder voor de jeugd een grote educatieve waarde.

Beeldende kunst

Tentoonstellingen

Tentoonstellingen op het gebied van de beeldende kunsten werden in Leeuwarden al van ver voor de oorlog gehouden. Het Fries Museum legt zich voornamelijk toe op het inrichten van exposities die voor een belangrijk deel historische aspecten van de Friese kunst en cultuur belichten (zoals 1947: Honderd jaar Friese Schilderkunst, 1953: Het kinderportret in de Noordelijke Nederlanden in de 16e en 17e eeuw, 1958: De Friese tak der Nassau’s).

Sinds 1929 organiseert de Maatschappij tot Bevordering van Schilder- en Tekenkunst jaarlijks tentoonstellingen in het Princessehof. De maatschappij streeft er naar de belangstellenden kennis te laten nemen van de verschillende stromingen in de moderne kunst. In het Kunstcentrum Prinsentún organiseert de tentoonstellingscommissie van de Kultuerried tentoonstellingen, die, behalve de beeldende kunsten en ambachtskunst, ook andere facetten van het culturele leven tot onderwerp hebben.

Kunstzaal van Hulsen heeft in 1957 een expositiezaal geopend, waar het hele jaar werk van binnen- en buitenlandse moderne kunstenaars kan worden bezichtigd. In geen der hier genoemde tentoonstellingsgelegenheden kunnen echter grote exposities worden ingericht. Plannen voor het stichten van een afzonderlijk tentoonstellingsgebouw verkeren nog in een stadium van oriëntatie.


Monumentale kunst

Ook in Leeuwarden heeft zich in de jaren na de oorlog een toenemende belangstelling voor monumentale kunst en de toepassing daarvan bij de architectuur, geopenbaard. Dankzij de van rijkswege gepropageerde en door overheid en particuliere instellingen overgenomen regeling 1 à 1½ % van de bouwsom te besteden aan decoratieve aankleding, is een indrukwekkend aantal monumentale versieringen aan naoorlogse bouwwerken in deze gemeente tot stand gekomen. Het zou te ver voeren deze hier alle te vermelden. In 1957 besloten burgemeester en wethouders tot het instellen van een adviescommissie voor de monumentale kunst. Wij laten hier een overzicht volgen van aankopen, opdrachten en schenkingen uit de afgelopen periode.

  • Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Friesch Rundvee Stamboek werd, als geschenk van de leden, een door G.J. Adema vervaardigd bronzen stamboekkoe, op anderhalf maal de ware grootte, aangeboden. De koe werd onthuld op 6 september 1954; zij kreeg een plaats op het Zuiderplein en werd al spoedig “Us Mem” genoemd.
  • Beeldhouwer Auke Hettema maakte het Verzetsmonument, dat in de Prinsentuin geplaatst werd. Op 4 mei 1955 verrichtte de burgemeester de onthulling. Jaarlijks vormt het monument het middelpunt van de plechtigheid ter herdenking van de gevallenen.
  • Eveneens in 1955, en wel op 21 september, werd op de Westerplantage het borstbeeld van Th. M. Th. van Welderen Baron Rengers onthuld door prof. mr. P.S. Gerbrandy, dat in opdracht van een comité, onder erevoorzitterschap van de commissaris der Koningin, mr. H.P. Linthorst Homan, door Hildo Krop werd gemaakt.
  • Mejuffrouw V. Bay onthulde op 6 oktober 1962 op het Oldehoofsterkerkhof het standbeeld van haar grootvader, mr. P.J. Troelstra. Het is eveneens een schepping van Hildo Krop.
  • In 1963 werden, op initiatief van de adviescommissie voor de monumentale kunst, opdrachten verleend voor het vervaardigen van speelplastieken voor een achttal binnenpleinen in het Heechterp. Deze opdrachten gingen naar Chris Fokma, Rense Hettema, Johan Jorna en David van Kampen en behelsden het ontwerpen van esthetisch verantwoorde speelobjecten voor kinderen.
  • Op de tentoonstelling “Bylden”, die juli/augustus 1964 in de Prinsentuin werden gehouden in het raam van de Pier Pander-herdenking, werd het bronzen beeld “Faunus” van Egbert Joosten aangekocht. Het beeld is in de zomer van 1965 geplaatst op het terrein van de Ulo Nijlân aan de Prinsessenweg.
  • Van de jubilerende Coöperatieve Zuivel-Bank (1963: 50 jaar) kreeg de gemeente een fontein voor het Europaplein ten geschenke, vervaardigd naar een ontwerp van architect ir. J. Wiersma en versierd met een vogel van de beeldhouwer Chris Fokma. De officiële inwerkstelling was op 16 oktober 1964.
  • In 1965 werd voor het Rengerspark een bronsje aangekocht, voorstellende een jongetje in Chinese cape, vervaardigd door de beeldhouwster Maria van Everlingen. Voor de tuin van het Princessehof werd in datzelfde jaar een beeldengroepje “Moeder en kind” van Joop Hekman aangekocht.
  • Nog niet voltooid, doch zeker reeds het vermelden waard is het geschenk (1963) van de “gouden” Coöperatieve Condensfabriek Friesland: “De Elfstedenrijder”, een meer dan levensgrote bronzen plastiek van Auke Hettema, die in de loop van 1966 een plaats zal krijgen aan de Heliconweg, nabij de Hermesbrug.
  • Eveneens nog onvoltooid is een koperen plastiek van de beeldhouwer W.J. Valk, aangeboden aan de gemeente door N.V. Santega voorheen Gebroeders Levie, ter gelegenheid van de opening van het nieuwe bedrijf aan de Mr. P.J. Troelstraweg in 1965.

Topografisch-historische atlas; kunstaankopen

De topografisch-historische altas van Leeuwarden, een verzameling van voornamelijk 18e en 19e eeuwse prenten van stadsgezichten, bijeengebracht in de tweede helft van de vorige eeuw, is sedertdien slechts zeer sporadisch aangevuld. In 1962 is een begin gemaakt met het jaarlijks verlenen van opdrachten aan kunstenaars om de delen van de gemeente die verandering zullen ondergaan door stadsuitbreiding en -sanering, in tekening vast te leggen. De fotografie levert weliswaar een exact beeld, maar voor de bepaling van de sfeer en in het bijzonder voor het vastleggen van de visie van de hedendaagse kunstenaar op zijn stad, is de tekening van grote waarde. Tot nu toe hebben de volgende kunstenaars aan het project meegewerkt: Jan van der Bij, Jerre Hakse, Rob Hoelen, David van Kampen, H.J. Keikes, Bep Mulder, Dick Osinga, Bouke van der Sloot, Jan Stroosma en Auke de Vries. Opdrachten zijn verleend aan P.H. van Asperen, Johan Haantjes en Jentje Popma.

Uit het fonds Aankoop Friese kunst worden incidenteel aankopen gedaan op plaatselijk gehouden tentoonstellingen; dit betreft voornamelijk grafiek. In de begroting voor 1966 is voor de eerste maal een post opgenomen van ƒ 3.000,- voor het uitbreiden van de gemeentelijke kunstverzameling. Hiervoor zal een bescheiden, doch representatieve collectie moderne kunst worden aangelegd, die zal worden gevoegd bij de door schenkingen gevormde verzameling in het Princessehof.


Kunst (nijverheids) onderwijs

Reeds in 1946 werd in Leeuwarden een kunstnijverheidsschool opgericht als noodzakelijke esthetische aanvulling van verschillende taken van vakonderwijs. In 1951 kwam de Stichting Friese Kunstnijverheidsschool tot stand, die het jaar daarop een rapport uitbracht over de wenselijkheid van het stichten van een kunstacademie in Friesland. In 1958 nam de, op initiatief van de Fryske Akademy en de Fryske Kultuerried opgerichte, Stichting Vredeman de Vries de taak van de Stichting Friese Kunstnijverheidsschool over. Op 28 januari 1958 besloot de gemeenteraad tot afgifte van de noodzakelijkheidverklaring voor het stichten van een academie voor beeldende kunsten, middelbare kunst- en kunstnijverheidsschool te Leeuwarden. Het jaar daarop werd gestart met een avondcursus, welke werd bezocht door 23 leerlingen. Bij Koninklijk Besluit van 11 januari 1962 werd de goedkeuring voor een avondschool verkregen terwijl de aanspraak op rijkssubsidie met terugwerkende kracht ingaande 1 januari 1961 werd erkend. De school vond een tijdelijk onderkomen in de voormalige Keizersgrachtschool; sedert november 1965 is zij gehuisvest in een pand aan het Droevendal. De vakopleiding omvat thans de volgende studierichtingen:

Een afdeling publiciteitsvormgeving en grafisch ontwerpen en een afdeling monumentale en versierende vormgeving. De duur van de opleidingen bedraagt vijf jaar. Voor de cursus 1965/66 hebben zich ongeveer 40 leerlingen aangemeld. Naast de vakopleidingen organiseert de Stichting Vredeman de Vries cursussen voor amateurs. Sedert 1 september 1965 is als directeur de heer R.S.A. Manuputti aan de school verbonden.


Toneel en muziek

Omdat reeds in 1942 - het jaar waarin de bezetter de “Kultuurkamer” in het leven riep - het uitgaansleven voor een belangrijk deel werd stilgelegd, was een opleving van de belangstelling voor toneel en muziek in de jaren na de oorlog te verwachten. Deze belangstelling heeft zich dan ook gemanifesteerd in alle sectoren van het uitgaansleven. Het concertbezoek heeft zich, inzinkingen daargelaten, steeds vrij goed gehandhaafd; in 1957 begon echter de belangstelling voor toneel terug te lopen. De kamermuziek heeft tot en met 1955 een redelijk goede belangstelling genoten, daarna is het echter bergafwaarts gegaan. De cijfers, waarop dit overzicht is gebaseerd zijn voor het grootste deel afkomstig van de vereniging Kunst aan Allen, die in het seizoen 1965 - 1966 haar vijftigjarig bestaan herdenkt en onder wier auspiciën een belangrijk deel van het theater- en concertleven plaats had. De activiteiten van de vereniging De Harmonie beheersten weliswaar mede in belangrijke mate het uitgaansleven (alleen al, omdat deze vereniging optreedt als schouwburgexploitant), doch de cijfers van Kunst aan Allen kunnen voor dit overzicht voldoende representatief worden geacht.

Gemiddelde bezoekcijfers periode 1948 t/m 1965 (gegevens Kunst aan Allen en Frysk Orkest)

Orkestmuziek

Kamermuziek

Toneel

1948

555

321

842

1949

574

119

927

1950

621

396

790

1951

643

400

739

1952

658

330

864

1953

753

580

881

1954

738

485

910

1955

876

461

841

1956

667

387

927

F.O.

G.O.V.

1957

670

548

295

768

1958

679

458

364

586

1959

634

415

265

618

1960

731

313

164

580

F.O.

1961

768

127

500

1962

803

83

661

1963

779

65

395

1964

731

255

350

1965

749

64

575


Het concertleven werd tot 1960 in stad en provincie verzorgd door het Frysk Orkest (aanvankelijk L.O.F.) en de Groninger Orkest Vereniging. Kunst aan Allen trad als neutraal bemiddelaar op tussen beide orkesten, teneinde een doelmatige verdeling der werkzaamheden te verkrijgen en een eventuele concurrentiestrijd te voorkomen. De grote activiteit van het Frysk Orkest en de geslaagde “ton-actie” in 1956 deden zijn populariteit aanzienlijk stijgen. Vanaf 1956 ging het orkest ook zelfstandig concerten organiseren en in het seizoen 1958/59 kwam het voor de eerste maal met een eigen abonnementsserie uit. In 1960 werd de band met Kunst aan Allen verbroken, welk voorbeeld spoedig werd gevolgd door de Groninger Orkest Vereniging. De groeiende belangstelling voor het Frysk Orkest ging ten koste van die voor de Groninger Orkest Vereniging. In het overzicht van gemiddelde bezoekersaantallen zijn van 1957 t/m 1960 ter vergelijking de cijfers van het Frysk Orkest en de Groninger Orkest Vereniging naast elkaar geplaatst. Vanaf 1961 hebben de cijfers alleen betrekking op het bezoek aan concerten door het Frysk Orkest of door orkesten waarmee, binnen de abonnementsserie, een uitwisseling plaats vond.

De ontwikkeling van het toneelleven in Leeuwarden geeft reden tot bezorgdheid. De grote gezelschappen streven er reeds jaren naar het doubluresysteem (d.w.z. twee voorstellingen per avond) zoveel mogelijk te beperken, teneinde enkelvoudig te kunnen optreden in hun plaatsen van vestiging. De met veel zorg en kosten opgebouwde toneelspreiding komt daardoor ernstig in gevaar te verkeren. De uitkoopverenigingen kunnen niet dan met grote moeite deze gezelschappen contracteren en dan nog op door hen te bepalen data en met door hen aan te bieden stukken, die veelal pas op een laat tijdstip bekend worden gemaakt. Is dit uit een oogpunt van propaganda al nadelig, het niveau van de stukken laat dikwijls te wensen over. Ook ten aanzien van de op spreiding ingestelde toneelgezelschappen verkeren de uitkoopverenigingen in een moeilijke onderhandelingspositie. Een en ander heeft een zeer nadelige invloed op het toneelbezoek. Kunst aan Allen kan niet meer zonder financiële steun van de overheid een toneelseizoen verzorgen en de vereniging De Harmonie heeft zich in 1965 genoodzaakt gezien haar toneelavonden openbaar toegankelijk te stellen, teneinde een enigszins redelijk aantal bezoekers te trekken.

“Televisiemoeheid” zal in de komende jaren hopelijk een kentering ten goede brengen, doch eerst wanneer het toneelbestel in ons land zal zijn herzien, mag een gunstige ontwikkeling van meer blijvende aard worden verwacht.

Anders is het gesteld met het operagezelschap Forum. Deze actieve groep heeft kans gezien met ingang van het seizoen 1964/65 haar serie voorstellingen zelfs te verdubbelen. Een uitstekende propaganda en georganiseerd vervoer uit “de provincie” dragen daar veel toe bij.

In 1947 heeft Kunst aan Allen de organisatie van de jeugdconcerten en -voorstellingen op zich genomen, daartoe in staat gesteld door subsidies. De belangstelling voor deze uitvoeringen is in de loop der jaren verheugend toegenomen, zodat in 1956 kon worden besloten tot het organiseren van een dubbele serie (één voor de lagere en één voor de hogere klassen). De culturele vorming van de jeugd vormt nog steeds haar dankbaarste taak.


Frysk Orkest

Het Frysk Orkest heeft zich in de afgelopen 20 jaar ontwikkeld van een ensemble voor de begeleidingen van Friese zangspelen, tot een van rijkswege officieel gesubsidieerd symfonieorkest. Begin 1946 heeft het orkest, op instigatie van de Fryske Akademy, zijn huidige gestalte gekregen; het merendeel van de toen tot het ensemble behorende musici maakte deel uit van de voormalige Friesche Orkest Vereniging (1918 - 1934). Aanvankelijk werden op nog beperkte schaal concerten gegeven: een slechte salariëring, als gevolg van de veel te geringe subsidies, maakte het werken met tamelijk veel amateur-musici onvermijdelijk. Voor dezen was de muziek een nevenbetrekking. Geleidelijk aan konden door verbetering van de financiële positie meer beroepsmusici worden aangetrokken. Van 1945 tot 1948 droeg het ensemble de naam Ljouwerter Orkest Foriening, van 1948 tot 1950 Ljouwerter Orkest Forbân en in 1950 werd voor het eerst de naam Frysk Orkest gebezigd met tussen haakjes daar achter vermeld L.O.F., welke aanduiding in 1959 definitief verviel. De slechte honorering deed veel goede krachten voor het orkest verloren gaan, veelal “weggekocht” door de andere orkesten.

Het Frysk Orkest raakte hierdoor in een noodsituatie, die aanleiding was een beroep te doen op de Friese overheid (1952). Het resultaat was, dat de provincie Friesland en alle 44 Friese gemeenten gezamenlijk het orkest gingen subsidiëren (Leeuwarden met ƒ 0,35 per inwoner). Als contraprestatie begon het Frysk Orkest vanaf dat moment in alle gemeenten, waaronder de Waddeneilanden, concerten te geven. De hiermee aangevangen cultuurspreiding wordt tot op de dag van vandaag voortgezet. In het aprilnummer 1953 van het maandblad “Mens en Melodie” doelt Wouter Paap mede op het Frysk Orkest, wanneer hij schrijft: “Het wordt hoog tijd, dat aan het woord “provinciaal” zijn denigrerende klank ontnomen wordt, want juist uit de provincie komen tegenwoordig initiatieven voort, welke voor een gezonde bloei van het Nederlandse cultuurleven van de grootste betekenis zijn”.

De goodwill die het orkest in de loop der volgende jaren kweekte, kwam tot uiting bij de viering van het tweede lustrum (april 1956). Door de comités “Vrienden van het Frysk Orkest” en “Een open doekje voor het Frysk Orkest” kon namens de gehele bevolking van Friesland aan het orkestbestuur een bedrag van ƒ 120.132,67 worden aangeboden, als resultaat van een gedurende een half jaar gevoerde actie. In dat zelfde jaar werd het orkest opgenomen op de lijst van de van rijkswege officieel gesubsidieerde symfonieorkesten. Eindelijk was het Frysk Orkest “gelijkgesteld”. Door de nieuwe subsidieregeling kon het aantal orkestleden van 41 tot 56 worden uitgebreid.

Op 27 juni 1962 besloot de gemeenteraad van Leeuwarden, tezamen met de provincie Friesland, tot oprichting van de “Stichting Frysk Orkest”. Op 22 augustus 1963 werd de akte verleden. Na tal van moeilijkheden en bezwaren van de zijde van de pernsioenraad, o.m. als gevolg van de wijziging van de wet op de stichtingen, kreeg het personeel in dienst van de stichting met ingang van 27 juni 1962 de hoedanigheid van ambtenaar in de zin van de pensioenwet 1922. Globaal komt de subsidieregeling hierop neer, dat het rijk de helft van alle salarislasten (exclusief pensioen en sociale lasten) voor zijn rekening neemt. De overblijvende vaste lasten worden door de provincie, de gemeente Leeuwarden en de overige gemeenten ieder voor een derde deel gedragen (voor de overige gemeenten volgens een verdeelsleutel). De variabele lasten (kosten aan het optreden verbonden) moeten worden gedekt uit de entreegelden.

Gestart onder leiding van George Stam, opgebouwd door de enthousiaste arbeid van Kor Ket tot diens vroegtijdig overlijden in 1955, wordt het orkest, dat in geheel Friesland grote populariteit geniet, sedert september 1955 geleid door Alfred Salten.


Kamermuziek

In 1959 werd de Friese Kamermuziek Kring opgericht, die zich ten doel stelt het optreden van in Friesland gevestigde kamermuziekgezelschappen te bevorderen. De leden ontvangen voor hun lidmaatschap drie concerten per seizoen, waarvan er ten minste twee verzorgd worden door het Leeuwarder Kamermuziek Gezelschap. Dit gezelschap is een combinatie van het Leeuwarder Pianotrio en het Leeuwarder Blaaskwintet, bestaande uit de eerst concertmeester, solocellist en de vijf soloblazers van het Frysk Orkest; Jacoba Kueter-Zwager is vaste medewerkster voor de klavecimbel- en pianopartijen. Het is gebruik dat het huishoudelijk gedeelte van de algemene ledenvergadering van de Kring wordt opgeluisterd met muzikale bijdragen van de leden zelf. De Kamermuziek Kring telt thans 136 leden.

Kamermuziek wordt voorts gegeven onder auspiciën van Kunst aan Allen (in het seizoen 1964/65 voor de eerste maal een tweetal concerten in de Nieuwe Zaal van het Stadhuis) en van de Vereniging van Vrienden van het Princessehof (in het museum).


Orgelconcerten

Jaarlijks organiseert de Commissie voor de kerkmuziek der Nederlands Hervormde gemeente een tiental orgelconcerten gedurende de zomermaanden in de Grote Kerk. De belangstelling hiervoor is verheugend groot. De concerten worden voor een belangrijk deel verzorgd door de organist Piet Post, daarnaast werken gastorganisten en instrumentale en vocale solisten mee. Deze concerten steunen op een jarenlange traditie en worden gesubsidieerd uit het fonds voor culturele doeleinden.


Muziekonderwijs

Als gevolg van bezuinigingsmaatregelen moest in de jaren voor de oorlog de stedelijke muziekschool worden opgeheven. In 1944 werd een z.g. volksmuziekschool opgericht, welke zich vestigde in het pand Nieuweburen 128. Het leerlingental overschreed reeds in 1949 de 1100. Er werd voornamelijk klassikaal les gegeven, volgens de methode Gehrels. In juni 1949 werd de particuliere instelling gewijzigd in de “Stichting Leeuwarder Muziekschool voor Algemeen Vormend en Instrumentaal Onderwijs”. Vanaf 1951 subsidieert de gemeente de school, aanvankelijk met een bedrag van ƒ 4.000,-. Met ingang van 1956 werd dit bedrag verhoogd tot ƒ 28.650,-, zijnde het becijferde exploitatietekort. Sedertdien is dit bedrag in verband met ernstige financiële moeilijkheden, als gevolg van de stijging der salarissen en andere lasten, geleidelijk verhoogd. Het gebouw aan de Nieuweburen voldeed al jaren niet meer aan de eisen. Was reeds hierdoor het vinden van een andere behuizing urgent, ook de eigenaar van het pand dreigde met uitzetting. Nieuwbouw leek aanvankelijk de enige oplossing. Plannen daartoe bestonden reeds bij de Stichting Gebouw voor Schone Kunsten, als onderdeel van een te vormen muziekcentrum. Ter bespoediging van de kwestie muziekschool werd dit object van het muziekcentrum afgescheiden en stelde de raad voorbereidingskredieten beschikbaar voor het maken van een bouwplan. Verwezenlijking van de plannen zou echter nog zeer lang kunnen duren. De gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat het gemeentebestuur van Leeuwarderadeel het raadhuis aan de Schrans verwisselde voor een nieuw gebouw te Stiens. Het pand behoorde reeds in eigendom aan de gemeente en zou - volgens deskundigen - tot muziekschool te verbouwen zijn. Op 26 mei 1965 besloot de raad hiertoe en stelde een krediet van ƒ 350.000,- beschikbaar. Eind januari 1966 zal, naar verwacht wordt, een gedeelte van het pand in gebruik genomen kunnen worden.

Reeds enkele jaren wordt aan de school vakonderwijs gegeven tot het verkrijgen van een pedagogische bevoegdheid (akte A, voorheen l.o.) of van een praktijkdiploma koordirectie, directie harmonie- en fanfareorkest of orgelspel. Sedert september 1965 zijn deze opleidingen door het rijk erkend, zodat de vakleerlingen thans door leerkrachten van de school geëxamineerd kunnen worden voor het verkrijgen van een diploma voor muziek. Aangezien deze school de enige rijkserkende in Friesland is, voorziet zij in de gehele provincie in een grote behoefte. Het aantal vakleerlingen bedraagt thans 50, dat van de amateurs ongeveer 700.

Plannen om de school in een gemeentelijk muziekinstituut om te zetten, ter bevordering van o.m. de sociale positie van het daaraan verbonden personeel, verkeren in een stadium van voorbereiding. Aan de school zijn thans ruim 30 leerkrachten verbonden; directeur is sedert augustus 1961 de heer J. Masséus.


Amateuristische kunstbeoefening

Hoe belangrijk het ook moge zijn de bevolking kennis te laten nemen en te laten genieten van de vele en verscheidene cultuuruitingen, van wellicht nog groter belang moet de zelfwerkzaamheid van de mens in de gevarieerde vormen van cultureel gerichte vrijetijdsbesteding worden gezien. Toeneming van de hoeveelheid vrije tijd vereist maatregelen ter ondersteuning en stimulering van activiteiten, die een zinvolle besteding daarvan bevorderen.

In Leeuwarden zijn 10 muziekkorpsen, die sedert 1957 jaarlijks een subsidie uit de gemeentekas ontvangen. Met ingang van 1964 is dit bedrag gesteld op ƒ 4.000,-, te verdelen naar verhouding tot de totale vervangingswaarde van de muziekinstrumenten. In twee gevallen is de laatste jaren meegewerkt aan de aanschaf van een geheel nieuw instrumentarium, door het toekennen van een renteloos voorschot uit het fonds voor culturele doeleinden. Voor de vorming van jonge muzikanten zal in 1966 een opleiding aan de muziekschool worden geopend.

Het Salonorkest Sinnema, gespecialiseerd op amusementsmuziek, bestaat reeds van voor de oorlog. Het verleent medewerking aan uitvoeringen van o.a. de opera- en operettevereniging “Animato” en verzorgt de entr’acte muziek bij voorstellingen van plaatselijke toneelverenigingen.

In 1962 is het Fries Kamer Orkest opgericht, dat, gevormd uit amateursmusici, ongeveer 30 leden telt. Het ensemble verleent medewerking aan kooruitvoeringen voornamelijk in de provincie en treedt een enkele maal zelfstandig op. Sedert 1965 ontvangt het een subsidie van ƒ 250,- per jaar.

Het aantal plaatselijke zangverenigingen bedraagt ongeveer 15. Deze werken samen in de Leeuwarder Federatie van Zangverenigingen. Daarnaast kent Leeuwarden de Friese Opera Vereniging en de Leeuwarder opera- en operettevereniging “Animato”. Slechts met veel inspanning gelukt het de koren het ledental te handhaven; toevloed van nieuwe (jonge) leden is gering. Sedert 1960 worden de koren gesubsidieerd met een bedrag van ƒ 1.110,- per jaar. Voor uitvoeringen worden incidenteel subsidies verstrekt uit het culturele fonds.

Het Toonkunstkoor Concordia, de Christelijke Oratorium Vereniging en de Leeuwarder Bach Vereniging nemen onder de zangverenigingen een bijzondere plaats in. Ook hier is sprake van amateuristische kunstbeoefening, maar het niveau waarop gewerkt wordt, verdient een aparte vermelding. “Concordia” verzorgt, onder leiding van dirigent Piet Post, naast de jaarlijkse uitvoering van een der grote oratoria (Missa Solemnis, Hohe Messe e.a.) de uitvoeringen van de Matthäus Passion in de Grote Kerk, een traditie van bijna dertig jaar. Ook de Christelijke Oratorium Vereniging geeft jaarlijks onder directie van R. Beintema een uitvoering met solisten van een oratorium (o.m. Die Jahreszeiten en Der Massias). De Leeuwarder Bach Vereniging verzorgt tijdens het winterseizoen een zestal zondagmiddaguitvoeringen in de Doopsgezinde Kerk, waarbij, onder leiding van dirigent Alfred Salten, behalve Bachcantates ook andere koorwerken ten gehore worden gebracht. Deze uitvoeringen - twee per middag - steunen op een achttienjarige traditie. De begeleiding van de drie hier genoemde oratoriumverenigingen berust steeds bij het Frysk Orkest. In 1962 is de gemeente overgegaan tot het subsidiëren van de in Leeuwarden gevestigde zelfstandige amateurtoneelverenigingen, die zijn aangesloten bij de Nederlandse Amateur Toneel Unie. Het aantal verenigingen bedraagt thans 11. Voor elke vereniging wordt aan de Nederlandse Amateur Toneel Unie ƒ 25,- betaald, als bijdrage in de kosten van de toneeladviseur; voorts ontvangen de verenigingen die een subsidie hebben aangevraagd ƒ 90,- per jaar. Twee verenigingen, die in de afgelopen periode veelvuldig voor het voetlicht zijn getreden, zijn de Rederijkerskamer Ten Kate en T.O.G.


Bibliotheken

Men zou kunnen zeggen, dat het gehele bibliotheekwezen in Leeuwarden in beweging is, althans op korte termijn in beweging komt. De Provinciale Bibliotheek (Kanselarij), de unieke bron van informatie voor studerenden, zal op korte termijn het nieuwe gebouw aan het Oldehoofsterkerkhof kunnen betrekken, tezamen met de Bumabibliotheek, die haar pand aan de Grote Kerkstraat gaat verlaten. De bibliotheek van de Ottema-Kingma-Stichting (Prins Hendrikstraat), gespecialiseerd op de kunsthistorie en in het bijzonder op onderwerpen de verzamelingen in het Princessehof betreffende, zal na verbouwing van het museum in de westelijke vleugel (Grote Kerkstraat 9) worden ondergebracht. De Stedelijke Bibliotheeek (Stadhuis), gespecialiseerd in alles wat op Leeuwarden betrekking heeft, staat eveneens binnen afzienbare tijd verplaatsing naar een ruimere huisvesting te wachten. De Openbare leeszaal en bibliotheek (Tweebaksmarkt) hoopt spoedig grond te krijgen voor een nieuw te stichten gebouw, zo mogelijk in het “culturele centrum” nabij het Oldehoofsterkerkhof. De Rooms-Katholieke openbare bibliotheek zal gaan verbouwen en wordt uitgebreid met een leeszaal. Beide laatstgenoemde instellingen worden door de gemeente gesubsidieerd. De activiteiten van de Openbare leeszaal en bibliotheek resulteerden in 1951 in het in gebruik nemen van een bibliobus, een novum voor ons land, dat zeer blijkt te voldoen, en in 1960 in het openstellen van een filiaal in Leeuwarden-Zuid.


Fondsen

Belangrijke stimulansen krijgt het culturele leven door de financiële steun van enkele fondsen. Naast fondsen waaruit incidenteel uitkeringen worden verstrekt voor belangrijke culturele evenementen of voor het mogelijk maken van wetenschappelijke uitgaven e.d., worden hier de fondsen vermeld, waarop het meest een beroep wordt gedaan.

Het fonds voor culturele doeleinden van de gemeente werd in 1949 ingesteld met het doel in incidentele gevallen steun te verlenen aan verenigingen, ten doel hebbende de culturele belangen der ingezetenen te bevorderen en/of bepaalde culturele uitingen, die in een stad als Leeuwarden voor de organisatoren financiële moeilijkheden meebrengen, mogelijk te maken. Jaarlijks wordt in dit fonds ƒ 10.00,- gestort; een commissie adviseert burgemeester en wethouders omtrent de bestedingen. Ruim 300 verzoeken zijn in de afgelopen periode behandeld.

De doelstelling van het culturele fonds van de provincie kan - doch dan op provinciaal niveau - met die van het gemeentelijke fonds vergeleken worden. Het provinciaal Anjerfonds stelt zich in het bijzonder ten doel de zelfwerkzaamheid van de bevolking op het gebied van de cultuur te bevorderen. In 1965 is voor de eerste maal bij wijze van proef een regeling getroffen, waarbij aan de gemeenten c.q. plaatselijke culturele raden de helft van de opbrengst van de in dat jaar in de respectieve gemeenten gehouden collecte ter beschikking wordt gesteld, teneinde dat bedrag te bestemmen voor een cultureel doel.


RONO-studio

Behalve als contactadres voor de Regionale Omroep (sedert 1946), fungeert het bureau voor culturele zaken als secretariaat van het Friese comité van actie voor deze instelling. In die kwaliteit richtte het in 1950 een dringend verzoek tot de ministers van o.k. en w. en van verkeer en waterstaat om de positie van de R.O.N. en de mogelijkheden van het Friese programma te verbeteren. In 1957 vond een bespreking plaats tussen vertegenwoordigers van de Kultuerried, het gemeentebestuur en de stichting N.R.U. betreffende het stichten van een radiostudio in Leeuwarden. In 1959 verklaarde de N.R.U. zich bereid hieraan mee te werken, mits de gemeente een geschikte ruimte zou kunnen aanbieden voor het inrichten van een hulpstudio. Deze werd gevonden in de Prinsentuinschool. Op 13 februari 1963 besloot de raad een krediet beschikbaar te stellen voor de verbouw van enkele lokalen; de studio zou in huur gegeven worden aan de N.R.U. Op 17 september 1964 vond de opening plaats door de voorzitter van de N.R.U., mr. A.B. Roosjen. Het project omvat een spreekstudio, controlekamer en muziekstudio. De kosten hebben ruim ƒ 160.000,- bedragen.


























Terug

 



RECHTSTREEKS NAAR: