AA | Grafisch
Nederlands | Frysk | English

Industrialisatie

Van de bronnen van bestaan is de industrie een der jongste. Het agrarische bedrijf, de visserij, de handel en het verkeer zijn eerder tot ontwikkeling gekomen dan de industriële activiteit. Wel was er reeds vroeg sprake van enige - nog meest ambachtelijke - nijverheid in de stad, maar tot werkelijke ontplooiing kwam deze pas in het laatst van de vorige en in de loop van deze eeuw. Slechts in geringe mate bestond die ontplooiing in een uitgroeien van reeds van ouds aanwezige bedrijven. Het aantal industriële en ambachtelijke bedrijven van zeer oude datum is in Leeuwarden dan ook niet heel groot. Al veranderde het aandeel van de nijverheid in het totaal van de welvaartsbronnen van de stad lange tijd niet veel, binnen een groep van verwante bedrijven traden vaak aanzienlijke wijzigingen op. Bedrijven, die vroeger een vooraanstaande plaats innamen, raakten na verloop van tijd achterop, de vraag naar hun producten verminderde en zij ruimden tenslotte het veld om plaats te maken voor nieuwe. Illustratief is een vergelijking van een bedrijfsinventarisatie uit het jaar 1785 met de toestand van nu. Leeuwarden had in 1785: 4 oliemolens, 5 zaagmolens, 2 zeemleermolens, 1 snuifmolen, 5 pelmolens, 8 korenmolens, 1 oliemolen en 2 cementmolens (paardenkracht), 4 leerlooierijen, 2 tichelwerken, 1 pannenbakkerij, 2 pottenbakkerijen, 2 zeepziederijen, 2 zoutketen, 1 suikerraffinaderij, 1 meestoof, 3 kalkbranderijen, 1 lakenververij, 1 bontweverij en 1 dekenfabriek. Daarvan is nu niets meer terug te vinden. Slechts in een enkel geval is van een in die opsomming voorkomend bedrijf via modernisering en concentratie de lijn der geschiedenis door te trekken naar een thans nog bestaande industrie. De methoden veranderen, van windkracht naar stoom, van stroom naar elektriciteit, de behoeften wijzigden zich (rond de Franse tijd telde Leeuwarden 40 bierbrouwerijen, in 1856 waren er nog 2, in 1867 verdween de laatste). Het algemene beeld, dat men ook bij een duik in de historie van deze bestaansbron te zien krijgt, is: opgaan, blinken en verzinken.

In zijn totaliteit toonde de industriële sector zich in Leeuwarden echter in de aan de laatste wereldoorlog voorafgegane halve eeuw vrij stabiel met een lichte neiging tot achteruitgang in verhouding tot het totaal van de bevolking. Deze betrekkelijke stabiliteit betekende evenwel in het licht van de ontwikkeling elders in ons land een sterk achterblijven. De nijverheid in Leeuwarden droeg in hoofdzaak een plaatselijk en regionaal verzorgend karakter; sterke groeistimulansen deden zich niet voelen, vooral tengevolge van het nagenoeg ontbreken van grote, stuwende bedrijven. Bij de laatste bedrijfstelling van voor de oorlog - die van 1930 - werden in Leeuwarden slechts drie bedrijven geteld met meer dan 100 man personeel, terwijl er toen 16 bedrijven waren met 50 tot 100 man. Van de processen, die in Nederland reeds verscheidene decennia bepalend waren voor de spreiding van de werkgelegenheid en van de bevolking, t.w. schaalvergroting, industrialisatie en verstedelijking, deed zich in Friesland wel het eerstgenoemde - de schaalvergroting - voelen, maar de beide andere verschijnselen gingen aan deze provincie nagenoeg voorbij. Terwijl b.v. steden in het westen des lands in de laatste drie decennia van de vorige eeuw hun inwonertal zagen stijgen met 100 à 200 %, groeide Leeuwarden (incl. Huizum) slechts met 30 %. De concentratie van de werkgelegenheid en bevolking speelde zich grotendeels buiten Friesland af; de schaalvergroting had daartegenover tot gevolg, dat in Friesland tal van nog op ambachtelijke leest geschoeide bedrijven, die hun bestaansrecht ontleenden aan de lokale en regionale behoeften, verdwenen. Vervanging van deze bedrijven door industrieën had slechts in geringe mate (behalve in de zuivelsector) plaats.

Crisis- en oorlogsjaren waren niet het meest geschikt om een industriële bloei te zien te geven en allerminst om de eenmaal opgelopen achterstand te doen verdwijnen. In de ergste jaren van de malaise (1936 t/m 1939) schommelde het werkloosheidscijfer in Leeuwarden rond de 2.000. Tewerkstelling buitenlands van arbeidskrachten, gebrek aan grondstoffen en andere, de bedrijven voor vele proplemen plaatsende, narigheid kwamen de industrie in de oorlogsjaren in het algemeen niet ten goede.

De periode 1930 - 1945 was er dan ook een van een zekere stilstand. In 1930 telde de industriële beroepsbevolking in Friesland ruim 10.700 werknemers; in 1945 bedroeg dit aantal nog maar weinig meer, n.l. ± 11.200. De werkgelegenheid in de industrie werd voor meer dan de helft gevormd door de voedings- en genotmiddelenindustrie. Daarin had de zuivelsector het leeuwenaandeel.

Toen de donkere jaren 1940 - 1945 voorbij waren, moest men constateren, dat de industriële welvaartsbron in Friesland veel minder rijk vloeide dan elders. Leeuwarden stak tegen deze achtergrond weliswaar gunstig af, maar kon toch ook het voor geheel Nederland geldende gemiddelde van de percentages van in de nijverheid werkzame personen niet halen. (Opvallend was daartegenover, dat het percentage van ten behoeve van handel en verkeer tewerkgestelden in Leeuwarden zeer ver uitstak boven de Friese en Nederlandse cijfers.)


Na de oorlog

Zo zien we dus, dat Leeuwarden onmiddellijk na de oorlog een stad is met een sterk ontwikkelde handels- en verkeersfunctie en een relatief zwakke industriële sector. Hoe zag die industriële sector er nu uit? Een belangrijke plaats nam - zoals we reeds vaststelden - de bedrijfsklasse voedings- en genotmiddelen in. Alleen al in de zuivelbranche (inclusief de condensproductie) waren ± 500 personen werkzaam. Een belangrijk deel van de producten van de in deze branche werkzame bedrijven (Coöperatieve Condensfabriek “Friesland” in de eerste plaats) was bestemd voor de export. Daarnaast was er een margarinefabriek (Benninga), waarvan de producten ook niet alleen in Nederland werden afgezet, doch ten dele eveneens werden geëxporteerd.

Van de vroeger vrij talrijke grutterijen en molens was niet veel meer terug te vinden. De concentratietendens had uit de vele kleine bedrijven aan het eind van de vorige eeuw tenslotte één grote meelfabriek (Koopmans Meelfabrieken N.V.) overgelaten. Deze behoorde tot de grootste bedrijven in den lande op dit gebied. Verder was er één grote graanmalerij overgebleven met daarnaast nog enkele kleinere in dezelfde branche werkzame bedrijven. De oliemolens en olieslagerijen waren geheel verdwenen. Enkele beschuit- en koekfabrieken, evenals enige roggebroodbakkerijen, voorzagen in meer dan de plaatselijke behoefte. Een belangrijke - van origine niet-Leeuwarder - industrie met nationale en internationale afzet was een suikerwerkfabriek, die zich in 1932 van Harlingen naar Leeuwarden had verplaatst.

De cichoreibranderij, in de vorige eeuw in Leeuwarden (trouwens in geheel Friesland) een veel voorkomend bedrijf, was sterk op haar retour. In 1860 waren er in Leeuwarden nog 3 cichoreifabrieken met 57 werknemers, in 1871 nog maar 2 met 48 werknemers en na de tweede wereldoorlog bestond er nog één met een zeer gering aantal arbeiders.

Ook in de tabaksindustrie had o.m. de mechanisatie tot sterke concentratie, vooral in het zuiden des lands, geleid. Van de in 1860 nog bestaande 13 tabaks- en sigarenfabriekjes met 67 man personeel in Leeuwarden hadden zich nog een paar kleine bedrijven kunnen handhaven.

De bedrijfsklasse van de metaalbedrijven had zich reeds een belangrijke plaats veroverd. Het grootste aantal werknemers in deze sector had de blikindustrie. De machinefabrieken vertoonden een toenemende ontwikkeling. In 1948 boden alleen al de grotere bedrijven van deze sector werk aan een 250-tal personen. Er was 1 scheepswerf van enige omvang. Verder 1 rijwielfabriek.

Van textielindustrie was in het Leeuwarden van direct na de oorlog nauwelijks sprake. Enkele chemische industrieën (casolith- en stremselfabrieken) boden in 1948 werkgelegenheid aan een 150 man.

Tot de grote, stuwende bedrijven kon toen al worden gerekend de in 1907 opgerichte Leeuwarder Papierwarenfabriek. Reeds eerder was er in de papiersector een belangrijk bedrijf geweest, n.l. een strokartonfabriek, opgericht in 1869 en in de vorige eeuw zelf 140 werklieden tellend, doch vlak voor de eerste wereldoorlog werd dit bedrijf opgeheven.

In de houtsector zijn het de kistenindustrie, de meubelfabrieken (waaronder een met meer dan 50 werknemers) en met name ook de timmerfabrieken, die aan tal van mensen werk geven.

Tenslotte verdient vermelding het grafisch bedrijf. Enkele honderden werknemers vonden emplooi in deze bedrijfstak. Verschillende bedrijven waren gesticht in de vorige eeuw en hadden zich geleidelijk uitgebreid en veelal gespecialiseerd. Enkele telden meer dan 50 personeelsleden.

Wanneer men dit alles overziet, blijkt, dat Leeuwarden uit de oorlog kwam met een te weinig gevarieerd industrieel patroon, dat zich bovendien nog niet goed ontplooid had en dat voornamelijk voorzag in de productie ten behoeve van de plaatselijke en regionale vraag.

De hoofdmoot vormde - zoals al aangeduid - de voedings- en genotmiddelenindustrie, die zich vrij snel uitstekend had ontwikkeld. Rond 1860 was 12 à 13 % van de nijverheidsbevolking in deze bedrijfsklasse werkzaam, in 1889 was dit 14,1 %, in 1899 reeds 16,6 % en in 1930 was het opgelopen tot 27,4 %. Daarmee was deze klasse de belangrijkste industriële sector geworden. De groei zette zich na 1930 nog voort. Vanzelfsprekend moet de verklaring voor het verschijnsel, dat de voedings- en genotmiddelenindustrie zo’n belangrijke plaats innam, voornamelijk worden gezocht in het nog bijna geheel agrarische karakter van Friesland. De industrieën in de stad verwerkten in de eerste plaats de grondstoffen, die landbouw en veeteelt leverden, of produceerden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en van de agrarische bevolking van het omliggende platteland. Verschillende andere bedrijven dankten hun bestaan - of althans hun ontstaan - aan de vraag naar hulpmiddelen, die van de voedings- en genotmiddelenindustrie kwam, met name naar verpakkingsmiddelen (blik, papier, kisten etc.) en naar machines (zuivelwerktuigen etc.). Opvallend was voorts, dat de industrie nog nagenoeg geheel uit kleinere bedrijven bestond.

Vrij spoedig na de tweede wereldoorlog traden in de agrarische sector ontwikkelingen op, waarvan verwacht moest worden, dat ze de werkgelegenheid in ernstige mate zouden beïnvloeden. Aan de ene kant zoog de grote vraag naar arbeidskrachten elders, met de geboden lonen en verdere voorwaarden, velen weg uit de agrarische gebieden, zodat het steeds moeilijker werd bekwame landarbeiders te krijgen of te behouden; aan de andere kant maakten mechanisatie en rationalisatie steeds minder arbeidskrachten in de landbouw- en veeteeltbedrijven nodig.

Rationalisatie, verhoging van de efficiency, het gebruik van moderne vervoermiddelen en naderhand ruilverkaveling en bedrijfsvergroting leidden tot een betere benutting van arbeidskracht en arbeidstijd en bevorderden de uitstoting van werkkrachten uit de agrarische sfeer nog. Door deze oorzaken liep bovendien de op het platteland voorheen sterke verborgen werkloosheid terug.

Het kon niet anders, of een zo eenzijdig agrarische provincie als Friesland moest wel heel in het bijzonder van deze structuurwijzigingen de gevolgen ondervinden. De toch al gedurende een aantal decennia geringe expansie van de werkgelegenheid in de agrarische sector sloeg om in een geleidelijk toenemende achteruitgang. In het tijdvak van 1899 tot 1947 nam de mannelijke agrarische beroepsbevolking in Friesland nog toe met rond 7 %, n.l. van 49.000 tot 52.000, toch al weinig vergeleken bij een bevolkingsgroei over deze periode van 35 %. In 1930 waren in totaal 54.000 personen in de landbouw etc. werkzaam, in 1955 was dit aantal al gedaald tot 45.000 en in 1960 tot 37.000. Relatief vooral betekende dit een sterke teruggang (in 1947 was van de totale beroepsbevolking in Friesland 34 % werkzaam in de landbouw, in 1960 was dit nog geen 23 %; in de gemeente Leeuwarden was dit percentage in 1947 nog 5,4 in 1960 was het gedaald tot 2,7 en dus gehalveerd).

Reeds lang - en met name sedert de industriële revolutie - was Friesland een gebied, dat vele werkkrachten aan andere delen van Nederland leverde. De structuurveranderingen in de agrarische sector dreigden de expulsie nog veel groter te doen worden. Naar mate die veranderingen zich duidelijker gingen aftekenen, onderkende men, zowel in overheidskringen in Friesland, als in die van organen en organisaties in de maatschappelijke en economische sfeer, dit gevaar. Dit leidde tot een gezamenlijk pogen om middelen te beramen, die aan de uittocht van werkkrachten een halt zouden kunnen toeroepen.

Ook het gemeentebestuur van Leeuwarden ging zich, anders dan voorheen wel eens het geval was geweest, realiseren, dat alleen verdere industrialisatie de mogelijkheid zou openen Leeuwarden zijn aandeel in de welvaart te doen krijgen en dat slechts (of althans in de eerste plaats) industrialisatie de dam zou kunnen vormen, die de stroom van werkkrachten naar elders zou kunnen tegenhouden. Het werd daarbij krachtig gesteund door de commissie voor productieve werkgelegenheid, ingesteld door het departement Leeuwarden en omstreken van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel en ten stadhuize geïnstalleerd op 11 augustus 1952. De activiteit van deze commissie resulteerde in een viertal rapporten, waarin gemotiveerd en geargumenteerd aandacht werd besteed aan onderscheidenlijk:

  • de mogelijkheden tot industriebevordering in Leeuwarden;
  • de centrumfunctie van Leeuwarden;
  • de recreatie en het vreemdelingenverkeer in Leeuwarden;
  • de verkeersverbindingen en de nutsvoorzieningen van Leeuwarden.

De hierin gedane suggesties stimuleerden het gemeentebestuur in zijn streven Leeuwarden meer nog dan reeds het geval was een functie te geven als opvangcentrum ten aanzien van het platteland van Friesland. Het zich voltrekkende proces van ontvolking van de agrarische gebieden leidde tot een trek naar de steden. Het was de taak van Leeuwarden zoveel mogelijk van hen, die het omringende platteland wilden of moesten verlaten, op te nemen en door het bieden van werkgelegenheid in de provincie vast te houden. Met name gold dat ook ten aanzien van de jongeren die in toenemende mate door het volgen van technisch onderwijs de opleiding hadden genoten, die hen voorbestemde voor een werkkring in de industrie en die nu nog veelal moesten wegtrekken om de voor hen geschikte arbeid te vinden.

Het was ook het belang van Leeuwarden te pogen een aanzienlijk deel van degenen, die het platteland de rug toekeerden, naar zich te trekken. De teruggang van de bevolking van het omringende platteland zou immers ook de veelzijdige centrumpositie van de stad aantasten. In het bijzonder ook de handels- en dienstensector zouden hiervan de weerslag ondervinden. Ook om dit te voorkomen was het nodig compensatie te vinden door toeneming van de werkgelegenheid in Leeuwarden en daarmee van de bevolking van de stad en omgeving.

Stellig was er een aantal factoren, die Leeuwarden tot een aantrekkelijke vestigingsplaats voor industriële bedrijven maakten. Het arbeidsoverschot was hier relatief groot. In de naaste toekomst zouden er nog steeds veel werkkrachten beschikbaar komen. Hier waren dus gemakkelijk arbeidskrachten - vooral ook ongeschoolde - te krijgen. Het loonniveau was lager dan in verschillende andere delen van het land. Leeuwarden was een stad van behoorlijke omvang, met de nodige voorzieningen op cultureel en onderwijsgebied en met de nodige gevarieerdheid van bedrijven, die bepaalde onderhoudsvoorzieningen op zich konden nemen. De stad beschikte over goede verbindingen met andere plaatsen: wegen, spoorwegen, waterwegen, openbare middelen van vervoer. Het was mogelijk nieuwe industrieterreinen aan te leggen, die gunstig lagen ten opzichte zowel van de stad als van de gelegenheden tot aanvoer van grondstoffen en afvoer van producten.

Wel waren er ook tegenwerkende omstandigheden te signaleren, vooral in het psychologische vlak. Friesland (en dus ook Leeuwarden) lag voor velen in het westen en in andere delen van het land ver weg. Het was een land van boeren. Zou daar wel een klimaat te vinden zijn, geschikt voor de moderne industriële bedrijvigheid? Waren degenen, die gisteren nog aardappelen en bieten rooiden of koeien molken, mentaal geschikt om vandaag hun plaats in een lopende bandsysteem in te nemen? Mocht men daar bij de overheid begrip verwachten voor de behoeften en verlangens van het bedrijfsleven van deze tijd? Kon men als industrieel, als manager, als intellectueel in een provinciestad als Leeuwarden ook prettig wonen, kon men er leven?

Industriehallen

Een van de belangrijkste stappen, die ter bevordering van de industrialisatie in Leeuwarden werden ondernomen, was de oprichting van de Stichting “Leeuwarder Industriegebouwen” op 24 september 1953. Deze was het resultaat van het gezamenlijk streven van overheid en particulieren om de werkgelegenheid in de stad te vergroten. De stichting beoogde daartoe de industrievestiging in Leeuwarden zoveel mogelijk te stimuleren en te bevorderen. Het stichtingsbestuur - bestaande uit vertegenwoordigers van handel en industrie, van werknemersorganisaties, van het Economisch-Technologisch Instituut voor Friesland en van de Rijksnijverheidsdienst, alsmede uit de burgemeester, de wethouder van openbare werken en enkele functionarissen van de gemeente - wilde trachten een gunstig klimaat te scheppen door zowel aan reeds in de binnenstad bestaande bedrijven als aan nieuwe industrieën op aantrekkelijke voorwaarden huisvesting te bieden in moderne en goed geoutilleerde gebouwen. De betrokkenen zouden de keuze krijgen tussen huur en eigendomsverwerving.

De eerste drie industriehallen werden door de stichting gebouwd op het industrieterrein West, gelegen tussen de Harlingertrekvaart, de spoorlijn naar Harlingen en de spoorlijn naar Stiens. Dit industrieterreinencomplex was, met het industrieterrein Greuns in het oosten van de stad, tezamen ongeveer 20 ha. groot, de eerste door de gemeente ter speciale bevordering van de industrialisatie aangelegde en uitgegeven industriegrond.

De eerste drie met financiering door de gemeente, door de stichting gebouwde hallen vonden al spoedig hun bestemming, zodat het nodig bleek opnieuw enkele hallen te stichten. In 1956 kwamen opnieuw drie hallen gereed, in 1959 weer 2, in 1961 zelfs 6, in 1962 weer 2 - waarvan één dubbele - , in 1964 nog 2, terwijl er eind 1965 een uitbreiding van één hal in uitvoering is genomen. De totale bouwkosten van de door de stichting gebouwde 18 hallen bedragen ruim ƒ 5.500.000,-. Van het aan de huurders verleende recht om de bij hen in gebruik zijnde industriehallen te kopen werd ten aanzien van zeven hallen gebruik gemaakt, terwijl de stichting daarnaast drie hallen in huurkoop gaf.


Industriespreiding

Hoewel deze ontwikkeling wel aantoonde, dat er iets veranderd was en dat de industriële activiteit in Leeuwarden wel groter werd, toch was dit bij lange na niet voldoende om het vertrekoverschot uit Leeuwarden en het omliggende gebied (met name het noordwesten van Friesland) te niet doen gaan. Het leek ook voor Leeuwarden ondoenlijk dit geheel op eigen krachten te bereiken. Daarvoor zou nodig zijn, dat het beleid van het gemeentebestuur op effectieve en krachtige wijze ondersteund werd door maatregelen op nationaal niveau.

Weliswaar had de regering reeds spoedig na de oorlog doelbewust gekozen voor spreiding van industriële werkgelegenheid, maar Leeuwarden moest vrij lang wachten tot het daarvan de vruchten kon plukken. In de eerste industrialisatienota (van 1949) zette de regering haar plannen ten opzichte van de regionale arbeidsmarktproblemen vrij duidelijk uiteen. De oplossing werd echter nog niet in de eerste plaats gezocht in een doeltreffende stimulering van de industriespreiding. Hoofddoel was de structurele werkloosheid in gebieden met relatief grote arbeidsoverschotten te bestrijden. Daartoe werd zelfs migratie naar andere landsdelen bevorderd. Niettemin had dit beleid daarnaast toch ook een spreiding van werkgelegenheid tengevolge. Leeuwarden profiteerde daarvan echter niet of hooguit indirect enigszins, want wel was een deel van Friesland, n.l. het oosten, aangewezen als probleemgebied, maar dat omvatte Leeuwarden niet.

Eerst in de volgende jaren werd duidelijk, dat welbewust een spreidingsbeleid moest worden gevoerd, opdat er een betere verdeling van de bestaansbronnen, in het bijzonder van de industrie, over het land en daarmee ook over de bevolking zou komen. Wel was in de vijftiger jaren het aantal industriële arbeidsplaatsen in het noorden des lands verhoudingsgewijs sterk toegenomen, nog steeds was er een grote achterstand voor wat het aandeel in de totale industriële werkgelegenheid betrof.

Van het gewijzigde beleid kon Leeuwarden pas de voordelen gaan genieten, toen het in 1959 als primaire industriële ontwikkelingskern werd aangewezen. Van dat moment af konden bedrijven, die zich hier vestigden of uitbreidden, op grond van de premie- en prijsreductieregeling bevordering industrialisatie ontwikkelingskernen in aanmerking komen voor een reductie van 50 % op de kosten van het industrieterrein en voor een premie, berekend naar de vloeroppervlakte van het bedrijfsgebouw. Voor de toekenning van deze vestigings- of uitbreidingspremie gold als voorwaarde, dat binnen een tijd van twee jaar een aantal nieuwe werkkrachten moest worden tewerkgesteld. Bij vestiging was dit 1 man op elke 100 m2, bij uitbreiding 1 man per 50 m2.

Naast deze direct stimulerende maatregelen werden tevens mogelijkheden geschapen om langs meer indirecte weg industrialisatie in de hand te werken. De gemeente kon n.l. in de kosten van allerlei klimaatverbeterende voorzieningen een rijkssubsidie verkrijgen. Vooral de totstandkoming van verschillende belangrijke, de infrastructuur verbeterende, verkeersvoorzieningen (o.m. de ringweg om Leeuwarden) werd aldus - door rijkssubsidies tot in de regel 85 % van de kosten - mogelijk gemaakt. Dit stimuleringsbeleid betekende aanvankelijk een sterke opleving van de belangstelling voor vestiging en uitbreiding van industrieën in Leeuwarden. Geleidelijk aan verzwakte het effect echter weer, hoewel de groei tengevolge van min of meer toevallige omstandigheden het ene jaar soms weer groter was dan het andere. Het duidelijkst spreken hier de cijfers betreffende de industriële arbeidsplaatsen in Leeuwarden:


m.

vr.

totaal

jaarlijkse groei

30/9-45

1575

155

1730

39/9-50

4307

470

4777

eind ‘58

4800

594

5394)

638

eind ‘59

5370

662

6032)

557

eind ‘60

5865

724

6589)

274

eind ’61

6057

807

6863)

121

eind ‘62

6112

872

6984)

357

eind ‘63

6562

979

7341)

499

eind ‘64

6732

1108

7840)

-122

eind juni ’65

6634

1084

7718


Terwijl gedurende de jaren 1950 tot en met 1958 de personeelsbezetting van de industrie in Leeuwarden in totaal slechts met ruim 600 personen toenam, was de groei over de jaren 1959 tot en met 1964 meer dan 2500 personen, d.w.z. per jaar gemiddeld meer dan 400.

Buiten beschouwing zijn bij de samenstelling van deze cijfers dan nog gelaten de openbare nutsbedrijven. Zij omvatten eind 1965 toch ook nog altijd ± 1350 werknemers in Leeuwarden. Geconcludeerd kan dan ook wel worden, dat de werkgelegenheid in Leeuwarden en naaste omgeving zich gedurende de laatste jaren gunstig heeft ontwikkeld. Tot voor enkele jaren was het aantal werklozen hier, zowel door structuurverschijnselen als door seizoeninvloeden, regelmatig verhoudingsgewijs aanmerkelijk hoger dan het landelijke gemiddelde. De voor het rayon Leeuwarden de laatste tijd geldende werkloosheidscijfers vertonen een gunstiger beeld. Wel moet men zich echter realiseren, dat daarop ook algemeen geldende (conjuncturele) tendensen en toestanden invloed uitoefenen. Toch mag men wel stellen, dat deze ontwikkeling voor een belangrijk deel te danken is aan de vestiging en uitbreiding van industrieën in Leeuwarden de laatste jaren. Het zou onjuist zijn te menen, dat de groei van de industriële sector in Leeuwarden geheel of grotendeels te danken zou zijn aan de oprichting van nieuwe bedrijven of aan verplaatsing van industrieën van het te vol wordende westen des lands naar hier. De al langer in de stad bestaande bedrijven grepen ook de kansen, die de welvaartsperiode van na de laatste oorlog bood. Ook zij profiteerden van de mogelijkheden, die de economische integratie en de opkomst van de nieuwe consumptiegebieden meebrachten. Frappant is in dit verband b.v. de stormachtige ontwikkeling, die de Coöperatieve Condensfabriek “Friesland” doormaakte. Voordurend wordt er de laatste jaren gewerkt aan de vergroting en aan de aanpassing aan nieuwe eisen van het gebouwencomplex van dit bedrijf. Aanvankelijk alleen gevestigd ten noorden van de spoorlijn Leeuwarden-Groningen, bracht deze industrie naderhand ook aan de zuidzijde van die spoorlijn een forse nederzetting tot stand, terwijl zij bovendien nog een dubbele industriehal op het industrieterrein Van Harinxmakanaal in gebruik nam. Toont dit de groei van dit bedrijf reeds aan, die blijkt ook uit de toeneming van het aantal werknemers. In 1949 beliep dit ± 400, in 1956 was het gestegen tot ± 1000 en thans bedraagt het ± 1700.


Industrieterreinen

De toenemende industriële activiteit had tot gevolg, dat de industrieterreinen Greuns en West, op enkele kleinere stukjes na, snel uitgegeven raakten. In 1959 werd daarna met spoed de aanleg ter hand genomen van het industrieterrein Van Harinxmakanaal, ter grootte van ± 24 ha., vrij gauw gevolgd door de aanleg van het aangrenzende industrieterrein Zwette, met een oppervlakte van ± 9 ha. Bovendien bleek het al spoedig gewenst aan het industrieareaal nog een aanzienlijke uitbreiding te geven. Daarbij werd aan complexen ter grootte van meer dan 50 ha. ook nog een industriële bestemming gegeven, namelijk aan het terrein Bisschopsrak, groot ± 22 ha. en aan het terrein Schenkenschans ter grootte van ± 30 ha. Met het bouwrijp maken van het terrein Schenkenschans werd in het laatst van 1965 een begin gemaakt. Op het terrein Bisschopsrak verrees het indrukwekkende gebouwencomplex van de Verenigde Stofzuigerfabrieken N.V., een samenwerking van de N.V. Philips Gloeilampenfabrieken en de N.V. Van der Heem. De vestiging van dit bedrijf in Leeuwarden in 1961 - eerst voorlopig in een dubbele industriehal aan de Marconistraat op het industrieterrein Van Harinxmakanaal, daarna in het definitieve complex ten zuiden van de weg naar Harlingen - mag wel als een van de belangrijkste bijdragen tot het industrialisatieproces worden aangemerkt.

In verband met de bestemming van de drie laatstgenoemde terreincomplexen voor industriële doeleinden was het noodzakelijk, dat een gedeelte, ter grootte van bijna 100 ha., van de gemeente Menaldumadeel word toegevoegd aan het grondgebied van Leeuwarden. Dank zij het begrip dat burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Menaldumadeel hadden voor de belangen, die hiermee gemoeid waren, kon deze grenswijziging vlot tot stand komen. Zij ging in op 1 januari 1962.


Resultaten

Gaven de resultaten van het door de regeringsmaatregelen ondersteunde industrialisatiebeleid dus wel goede resultaten te zien, geheel voldoende waren zij toch niet. In de eerste plaats vertoonde Leeuwarden nog regelmatig een vertrekoverschot. Weliswaar werd dit nu in de regel overtroffen door het geboorteoverschot, zodat het inwonertal langzaam aan toenam, maar toch was het aantal personen, dat de gemeente verliet, nog te groot. De grote zuigkracht, die de elders nog sterkere vraag aan arbeidskrachten uitoefende, kon ten dele wel als verklaring gelden, een geheel gezonde situatie was stellig nog niet bereikt. In de tweede plaats fungeerde Leeuwarden kennelijk nog onvoldoende als opvangcentrum ten aanzien van het platteland van Friesland. De provincie had nog steeds (te) grote vertrekoverschotten, hoewel deze gelukkig verminderden. In 1952 beliep dit overschot nog 5903, in 1960 was het gedaald tot 4503, terwijl het in 1962, 1963 en 1964 onderscheidenlijk beliep 2057,2125 en 1586. Een verdere toeneming van de arbeidsgelegenheid in Leeuwarden zou zeker een einde aan dit proces kunnen maken. In de derde plaats kan gewezen woeden op het niet geringe aantal jongeren, dat het technisch onderwijs volgt en te zijner tijd voor deelneming aan het arbeidsproces beschikbaar komt. Dikwijls is er nog steeds geen passende werkkring voor hen te vinden. Verschillende van de bedrijven, die de laatste jaren in Friesland zijn neergestreken, hebben een groot aantal ongeschoolden nodig en slechts een gering aantal mensen met een goede technische opleiding. Een frappante illustratie van het gebrek aan emplooi voor jongelui met een vakopleiding leverde enige jaren geleden een klas van een lagere technische school in Leeuwarden, op het punt om examen fijnbankwerken te doen, toen zij collectief solliciteerden naar tewerkstelling bij de N.V. Optische Industrie “De Oude Delft” te Delft. Dit geval leidde er toe, dat deze N.V., verbaasd hier een dergelijk aanbod van jonge werkkrachten te kunnen vinden, in 1960 besloot een nevenvestiging in Leeuwarden tot stand te brengen in een van de hallen van de Stichting “Leeuwarder Industriegebouwen”.

De stijging van het aantal industriële arbeidsplaatsen was, behalve aan de vestiging van de beide zo even genoemde bedrijven (V.S.F. en De Oude Delft), te danken aan de uitbreiding van verschillende reeds langer bestaande bedrijven en aan de komst van enkele andere nieuwe industrieën, als Saunders Valve Nederland N.V. (1961), een dochtermaatschappij van een Engelse industrie, en Penn Controls Nederland N.V. (1964), een dochtermaatschappij van een Amerikaanse onderneming, beide werkzaam in de metaalsector, en enkele bedrijven in de textielbranche (Santega en Dotter).

Het industriële patroon van Leeuwarden in 1965 vertoont het volgende beeld:

1

bedrijf

met

1500

-

2000

werknemers

-

bedrijf

met

1000

-

1500

werknemers

2

bedrijven

met

500

-

1000

werknemers

1

bedrijf

met

250

-

500

werknemers

11

bedrijven

met

100

-

250

werknemers

19

bedrijven

met

50

-

100

werknemers

58

bedrijven

met

10

-

50

werknemers

Overziet men het tijdvak van zo’n twintig jaar, gelegen tussen de tweede wereldoorlog en nu, dan mag men concluderen, dat de industriële sector in Leeuwarden een behoorlijke versterking heeft ondergaan. Bovendien is wel komen vast te staan, dat het klimaat in Leeuwarden voor zich hier vestigende bedrijven zeer aantrekkelijk is en dat zij kunnen beschikken over uitstekende werknemers, die betrouwbaar en ook trouw aan “hun” bedrijf zijn. Aan de andere kant moet men echter vaststellen, dat de resultaten van het streven van het gemeentebestuur om de industrialisatie in de gemeente krachtig te bevorderen, de ondersteuning van dit beleid door stimulerende regeringsmaatregelen ten spijt, nog zeer onvoldoende zijn. Nog steeds vertoont het inwonertal van Leeuwarden te weinig groei. De opbouw van de bevolking is in Leeuwarden niet gunstig: landelijk omvat de leeftijdsgroep van 20 tot 40 jaar ruim 26 % van de bevolking, in Leeuwarden ruim 24 %; de 60- tot 70-jarigen vormen landelijk nog geen 8 % van de bevolking, in Leeuwarden meer dan 9 %. Een ondermaat dus van hen, die in de kracht van hun leven zijn, een overmaat van bejaarden. Hierin ligt een van de oorzaken van het feit, dat het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in Leeuwarden nog altijd lager is dan het landelijke cijfer. In 1960 bedroeg het gemiddelde inkomen per inwoner in Friesland ƒ 2.023,-, in de drie noordelijke provincies ƒ 2.079,- en in Leeuwarden ƒ 2.397,-, terwijl voor het gehele land dit bedrag ƒ 2.410,- beliep.

Al is er iets ten goede veranderd, nog steeds is er sprake van een onevenwichtige economische ontwikkeling. Daarom zal het beleid van het gemeentebestuur van Leeuwarden ook in de toekomst onverkort gericht moeten blijven op een krachtige versterking van de werkgelegenheid, met name in de industriële sector. Dit beleid zal echter slechts succes kunnen hebben, als de beperkte mogelijkheden, die dat gemeentebestuur ten dienste staat, worden aangevuld en ondersteund door meer doeltreffende maatregelen van de zijde van het rijk dan momenteel gelden. Het rijksbeleid tot bevordering van de industrialisatie in het noorden mag dan wel enig succes hebben geoogst, het blijkt tenslotte toch onvoldoende te zijn om Leeuwarden het aandeel in de welvaartsspreiding te verschaffen, waarop deze stad recht heeft. Als een van de twee sterk ontwikkelde stedelijke centra in het noorden kan Leeuwarden zijn regionale, interregionale en nationale taak slechts ten volle vervullen, wanneer de nog steeds aanwezige struikelblokken worden weggeruimd en de factoren, die een gezonde ontwikkeling afremmen, worden gecompenseerd door aanvullende voorzieningen, die de hogere instanties stellig kunnen en behoren te verschaffen.







Bijlage 2.

Nominatieve opsomming industriën

o

10

-

50 werknemers

oo

50

-

100 werknemers

ooo

100

-

250 werknemers

oooo

250

-

500 werknemers

ooooo

500

-

1000 werknemers

oooooo

1000

-

1500 werknemers

ooooooo

1500

-

2000 werknemers


Bewerking van steen en cement:

oo

Betonindustrie Fa. Kolk en Co.

o

Fa. S.J. Mellema (beton- en cementsteen)

o

Friesland Beton N.V.

o

N.V. Eerste Leeuwarder Mortel Ond. (beton)


Grafische Nijverheid (papierindustrie):

o

N.V. de Handelsdrukkerij van 1874

o

Drukkerij N. Miedema en Co.

ooo

N.V. Erven Koumans Smeding. Drukkerij

o

Drukkerij Bouman

o

Drukkerij Eisma

o

Drukkerij Mercurius

o

Drukkerij Fries Dagblad

o

Drukkerij T. van der Wey

o

N.V. v.h. Fa. L. Scheepstra (boekbinderij)

oo

A. Jongbloed’s Uitgeverszaak

oo

Kantoorboekenfabriek De Jong en Co.

o

Boekbinderij Gebr. Kooistra

oooo

N.V. Leeuwarder Papierwarenfabriek


Chemische Nijverheid en leder:

o

Verffabriek N.V. v.h. Joh. Zandleven

o

Kunstvuurwerkfabriek Fa. J.N. Schuurmans

o

Coöp. Stremsel- en Kleurselfabriek

ooo

N.V. Hollandsche Casolithwerken (caseïneplastic)

o

Fa. K. de Jong, verkeersborden

o

Lederwarenfabriek “Succes”


Kleding, reiniging en textiel:

ooo

N.V. Herenkledingfabriek v/h Gebr. Levie

oo

Damesconfectiefabriek “Dotter”

o

N.V. v/h Fa. A. Kwint (tenten, dekkleden e.d.)

o

Wasserij “Rapenburg”

o

Fa. C. Wagenaar (dekkleden, markiezen e.d.)

o

Wasserij “De Hoop”

o

Stoomververij en chemische wasserij “Expres”

o

Ververij en chemische wasserij Gebr. Hoeksema

o

N.V. Palthe (chemisch reinigen)


Hout, kurk en stro:

oo

N.V. v.h. A. Kingma en Zn. Timmerfabriek

oo

N.V. Halbertsma’s fabrieken voor houtbewerking

oo

Meubelfabrieken Hero de Vries

o

Fa. Gebr. D.G. en H. Hoekstra (rietdekkersbedrijf)

o

De Boer’s Borstelfabriek


Metaalnijverheid, scheepsbouw:

oo

N.V. Ned. Onttinningsfabriek

oo

Machinefabriek A. Bijlenga

o

N.V. Machinefabriek “Friesland”

oo

Landbouwmachinefabriek S. de Vries (Hermes)

oo

Machinefabriek Ducosto

o

Machinefabriek S. Douna en Zn.

o

Fa. L.S. Brouwers (artikelen voor stalinrichting)

o

Koeltechnisch centrum “Friwo”

o

Saunders Valve Nederland N.V. (afsluiters)

oo

N.V. v/h B. Mohrmann en Co. (metaalconstructies)

oo

Fa. Hoeksma en Velt (zuivelwerktuigen)

oo

Machinefabriek Fa. F. v.d. Ploeg en Zn.

o

Techn. Bureau en Machinefabriek “Recoma”

o

Scheepswerf en Machinefabriek “Welgelegen”

o

Scheepsbouw- en Machinefabriek “N.V. de Greuns”

oo

Fa. Gebr. Visser (carosserie- en brancardbouw)

ooooo

Verenigde Stofzuigerfabrieken

oo

Faber Haardenfabriek

oooo

N.V. Electro-Blikfabriek

ooo

N.V. Optische Industrie “De Oude Delft”

o

Jongia-Fabriek (machinerieën)

ooo

Friesch Isolatie Bedrijf (isolatiematerialen en roestvrij stalen apparaten)

o

Machinefabriek Fa. F.A. van Brummelen

o

C.V. Machinefabriek Postma en Feenstra

oo

Penn Controls (regelapparatuur)

o

Habé constructiewerken


Voedings- en genotmiddelen:

ooooo

Koopmans Meelfabrieken N.V.

o

Broodfabriek “De Zelfstandigheid”

o

Bakkerij Van den Berg

oo

Vonk’s Bakkerijen

o

Bakkerij Verbruikscoöp. “Excelsior”

o

Bakkerij Fa. J. Schuurmans

o

P. Tromp (bakkerij)

ooo

Beschuitfabrieken Turkstra N.V.

o

Biscuitfabriek “Helwa”

ooo

V.S. Pepermunt- en Suikerwerkfabriek

ooo

N.V. Lijempf (melkprodukten)

ooooooo

Coöp. Condensfabriek “Friesland”

o

Coöp. Zuivelfabriek “Wirdum”

o

M. Hoitsma (banketbakkerij)

ooo

Leeuwarder Melk Inrichting

o

Frico N.V. (Smeltkaasfabriek)

ooo

N.V. Oliefabrieken T. Duyvis Jzn.

o

N.V. Douwe Egberts Tabaksverpakkerij

o

J. Boomsma’s Distilleerderij N.V.

o

Samenwerkende Noordelijke Distilleerderijen

oo

Fa. P. Bokma (distilleerderij)

o

Veevoederbedrijf A. Slump

o

Friesche Rundvetsmelterij

o

D.L. Tromp (mineralen, veevoeder)

o

N.V. Vruchten- en Confijtindustrie “Steensma”

o

Zolffman’s laboratorium (bakkerijgrondstoffen)

o

Fa. P. Huisman (bakkerijgrondstoffen)

o

Frucaps industrie (vruchten-produkten)

ooo

C.A.F. (Veevoer)


Terug

 



RECHTSTREEKS NAAR: