‘k Herken die zachte lonken Na den schilder bedankt te hebben, volgden wij onzen leidsman langs een fraaien omweg door de groote voorsteden naar zijn optrekje, waar wij zijne dochter eene schoone brunet, zijne vrouws zuster en eene andere juffer vonden en theedronken. Deze tuin had in vroeger tijd der moeder van Willem den Vierden, Princes Maria Louiza toebehoord. Een oud lakei dier vorsten had onlangs in dienzelfden tuin een kind van den kroonprins dus den kleinzoon in den vijfden graad van zijne oude meesteres op de armen gehad. Vele uitheemsche en fijne gewassen stonden in dien tuin, anders een toonbeeld van slechten smaak. De Heer Seerp Brouwer, Med. Dr, thands beroepen hoogleraar te Groningen, een academiekennis van Van Hogendorp kwam hier een bezoek afleggen. Uit de dames kon ik geen woord krijgen. Te zes ure trokken wij naarden jonge Coulon die ons voor den avond verzocht had. Wij vonden er den jongen advokaat van der Feen, acad. Vriend van van Hogendorp, thands reeds echtgenoot en vader, en een der voornaamste stads advokaten. Als ware studenten dronken wij wijn en spraken van den ouden tijd. Vervolgens deden wij eene heerlijke wandeling om de fraaie beplantte wallen en voorts buiten de stad. Te 10 ure nam de jonge Coulon afscheid van ons, daar wij bij van der Feen, wiens vrouw uit de stad was, tot twaalf ure zaten en ons wel vermaakten. Beide deze heeren waren uitnemend hartelijk en geheel anders als de andere Friezen. Zaturdag 14 Juny. Na bij van de Poll ontbeten te hebben, haalden wij te half tien van der Veen af die ons naar de stadsschool bracht, waar de kinderen om den Zaturdag vacantie hadden. De localiteit was ruim en luchtig. Hierna bezichtigden wij het paleis dat veel van eene groote slecht gemeubileerde Brabantsche herberg had. In eene benedenzaal hingen de afbeeldsels van al de vorsten uit het Friesche huis Van Nassau waarbij eene waarlijk fraaie schilderij was. Vervolgens bracht hij ons naar het huis van arrest dat ons slechts matig beviel. De gedetineerden zitten in kleine akelige hokjens, schoon zij nog niet verwezen en misschien onschuldig zijn. Vandaar traden wij het belendend tuchthuis in en doorliepen het gansche gebouw. Verscheiden waren met weeven, de meesten met het maken van pijpe-dopjens bezig. De zalen zijn ruim en luchtig. Een keer daags verzamelden zich de bewoners van twee zalen op de plaats om lucht te scheppen. Het werk dat er verricht wordt is van weinig belang, daar een goed werkman die veel te doen krijgt slechts ƒ 37½ jaarlijks verdienen kan, waarvan een derde voor het land en een derde voor het gebouw afgezonderd wordt, zoodat hij slechts 12½ voor zich behoudt. Het getal der boeven bedraagt nu 299, terwijl het verleden jaar 389 waren, ofschoon het gebouw slechts voor 150 man ingericht is. Dit noopt de regeering een nieuw gebouw er naast te stichten, dat voor ƒ 65.000 aangenomen is, hoewel de kosten op ƒ 80.000 getaxeerd waren. De kerkdienst is er zeer slecht ingericht. ’s Zondags te negen ure heeft de godsdienst voor de Hervormden plaats, waarbij ook de Roomschen en Joden tegenwoordig moeten zijn. Te elf ure komt de pastoor en begint den dienst die tot twaalf ure duurt. Te twaalf ure ging ik een bezoek bij mevrouw Henriette Rengers geboren Van Asbeck afleggen, doch verkeerd onderricht zijnde, vroeg ik bij eene andere mevrouw Rengers beleg en gaf er kaartjens, daar die naar buiten was. Misnoegd keerde ik in ’t koffiehuis, daar, als ik naderhand hoorde, mijne oude vriendin door W. van de Poll van mijn voornemen verwittigd, mij tot half twee met de koffi had zitten wachten. In het koffyhuis vond ik een’ der heeren Rodenhuis en den Groninger koopman met wien wij naar Franeker gevaren waren. Te twee ure aten wij in de Valk en te drie ure trok ik nog eens naar van de Kooi bij wien ik nog andere schilderijen zag, onder andere een zoo hij zeide van van Dyck. Van der Kooi treft de gelijkenissen sprekend en heeft veel kunde van zijn vak: doch hij weet de aangenaamste en zuiverste kleuren niet te kiezen en bezit dat fijne, dat zachte en malsche niet hetgeen Hodges kenschetst. Te vier ure, legden van Hogendorp en ik een bezoek af bij den Gouverneur, die ons opwachtte. Na eene poos gezeten te hebben kwamen deszelfs knecht in en zeide: "Mijnheer, zij wil niet binnen komen: zij heeft al gevraagd of de Heeren weg waren".- "Kom, kom," zeide de Gouverneur: "laat zij maar komen, de Heeren zullen haar niet opeten. Ik zal wel theeschenken". Vol verwondering zagen wij naar de deur. Een oud vrouwtje, drie voeten hoog met een stijve kornet en gepoeierd haar, ouderwets Amsterdamsch gekleed en met eene groote ruiker viooltjes op den borst trad binnen, plaatste zich naast ons en begon te breien, terwijl de Gouverneur zeide: "Dat is een juffrouw van zeventig, neen zestig jaren". De juffrouw sprak met mij over dominees enz., ook de knecht bemoeide zich nu en dan met met de conversatie. Van den Gouverneur trokken wij naar den ontfanger Robidé van der Aa, die een fraai huis bewoont en geheel ontdaan was van vreugd over de eer van ons bezoek. Doctor Brouwer, dien wij daarna bezochten, was niet te huis. Te acht ure dronken wij in de Princesse tuin eene flesche Rhijn-wijn. Het was in de societeit zeer droomerig: niemand sprak er een woord: de Gouverneur en drie andere heeren speelden boston om een dubbeltje. Te huis gekeerd schreven wij brieven en van Hogendorp had ’s nachts eene zware benaauwdheid van den Rhijnwijn, zoodat hij den knecht om spiritus op moest schellen. Zondag 15 Juny. Daar van Hogendorp bij het opstaan slap en onlustig was, begrepen wij dat ons oogmerk van naar de kerk te gaan moest achterblijven: dus schreven wij brieven, terwijl van de Poll van tijd tot tijd aan kwam. Te half twaalf ure bezocht ons de Rector Bake, wien wij ’s avonds te voren vergeefs gezocht hadden. Ik liet hem bij van Hogendorp en ging met van de Poll den heer Hendrik Rengers en zijne vrouw bezoeken, die ons met veel vreugd ontfingen. Ik dronk er koffi en was spoedig weer op den ouden voet. Daar ik mij niet gewennen kon mevrouw te zeggen, noemd zij mij Ko en vergunde mij tot haar Henriëtte te zeggen. Zij was nog schooner dan voorheen, en sprak veel over het genoegen dat zij op het Manpad genooten had. Te twee ure verliet ik haar mijns ondanks en trok naar Coulon, bij wien ik van Hogendorp reeds vond, benevens den advokaat Wopke Brouwer, een zijner academiekennissen en Mejuffrouw Coulon. De receptie was buitengewoon hartelijk: wij dronken en aten goed en waren zeer vrolijk over tafel. Dadelijk na de koffi wandelden wij de tuin rond, dronken daarop thee en wij heeren wandelden de buitencingels om. Teruggekomen zijnde dronken wij wijn, theologische disputen voerende met Brouwer, die mennist is. Te negen ure kwam de oude heer Coulon en zijn schoonzoon de heer Smedingh: de eerste schold zeer op de Maatschappij van Weldadigheid en op het plan van Suringar Nierstrasz en Warnsinck, waarmede buitendien gansch Friesland den gek steekt. Ook verhaalde hij ons meer belangrijke zaken en verzocht ons eindelijk een slaatje te blijven eten. Wij namen zijn gulhartig aanbod aan, begaven ons in zijne wooning die met die van zijn zoon ineen loopt, soupeerden met de dames en dronken daarna thee. Maandag 16 Juny. Daar ons voornemen de schoolen te zien onverhoeds ruchtbaar geworden was, hadden de curatoren er in tijds bij geweest om ons geene verkeerde indrukken te doen krijgen: de predikant der Walsche gemeente Delprat had ons den dag te voren in een briefje aangeboden ons naar de stadsschoolen te vergezellen; dit aanbod niet af kunnende slaan, wachteden wij hem gelaten af. Te 10 ure verscheen hij en leidde ons naar de school No. 1, waar ruim vier honderd kinderen in een goed lokaal bijeen zaten. Binnen tredende meende ik in eene teekenacademie te komen, want elk kind zat met een voorbeeld voor zich. De meester een hupsch en zachtzinnig man, liet eenige kinderen komen en ondervroeg ze, ons toonende hoe hij ze leerde lezen. Daar mij dit papegaaigesnap verveelde voegde ik mij bij de oudere meisjes die over een gegeven onderwerp brieven schreven. Derzelve leezende prees ik deze oefening, in mij zelve, daar zij niet alleen den stijl vormt, maar ook het karakter openbaart. Een meisje onder anderen moet schrijven wat zij op haar verjaardag ontfangen had. Zij had dan ook gouden oorijzers en spelden, ringen enz. gekregen. Ik bespeurde hierin naar wat haar hartje wenschte en hoe de zucht naar ijdelheid haar bevangen had. Dies vroeg ik haar of zij, indien men haar zoveel gelds gaf, dat zij deze voorwerpen kopen kon, niet die som beter besteeden zou door kousen, schoenen, hemden enz. zich aan te schaffen. Dat moest zij haars ondanks, bekennen. In de school no. 2 die nog grooter en ruimer is dan de eerste, zijnde dezelve voormaals een kerk der Jansenisten geweest, lazen de kinderen ons de geschiedenis voor van den goddeloozen koning Achab, over welke keus Van Hogendorp en ik elkander meesmuilend aanzagen. Ik vroeg de kinderen veel over de kaart van Friesland en de soorten van grond en voortbrengselen waarin zij wel thuis schenen. Hierna zongen zij op ons verzoek een door ons gekozen lied. Vrijwel voldaan keerden wij, bedankten den Heer Delprat en legden bij den advocaat Brouwer een bezoek af. Te twaalf ure begaven wij ons naar den Rector Bake, die ons met zijne fraaie vrouw met chocolaad afwachtte. In ’t koffyhuis vonden wij den heer B. Andreae bij wien wij moesten eten. Te twee ure verzelden wij hem naar buiten en vonden er den Heer Delprat, benevens een Leeuwarder koopman. Wij aten en dronken zeer lekker; de schoone dochter van den gastheer was spraakzamer dan de vorige reis. De Heer Beuker Andreae is een bij uitstek belezen en kundig man, vooral wat de geschiedenis van zijn land en de kruidkunde betreft. Hij heeft de fraaiste en rijkste boekerij uit Leeuwarden. Na den eten gebruikten wij koffi en wandelden of liever huppelden over een beploegd land achter de tuin naar de Potmarge, hoofdrivier van Friesland! Teruggekeerd bij de dames in de koepelkamer, dronken wij thee en zagen op een groot veld de schutterij exerceren. Het geluid der trom joeg twee fraaie paarden van den Heer Van Haarsma in het water. Met moeite werden de arme dieren eruit gehaald. Onderwijl liet ons de gastheer een plaatwerk zien in den smaak der Flora Batava, doch veel fraaier en minder duur, te Dusseldorp in steendruk uitgegeven. Ik herkende er vele onzer duinplanten in. Te acht ure namen wij afscheid van de familie, en begaven ons naar Hendrik Rengers. Van Hogendorp sprak drok met hem over de belastingen. Ik hield mij alleen met Henriëtte bezig en sprak met haar over den ouden en nieuwen tijd. Kort daarna kwam voor de verandering Ds. Delprat, meede genoodigd en de majoor Van Asbeck met zijne onbeduidende vrouw. Ik zat naast Henriëtte en had veel vermaak, als ook Van Hogendorp. Te twaalf ure keerden wij te huis. Ik was voor deze keer de wijste geweest en had ’s morgens mijne koffers gepakt, dus ging ik naar bed en sliep spoedig in, terwijl mijn reisgenoot eerst te één ure in bed geraken kon.
RECHTSTREEKS NAAR:
|
|||||||