AA | Grafisch
Nederlands | Frysk | English

Babeloele

In de Franse tijd schijnt de Langepijp ook wel het toneel te zijn geweest van strafrechtpleging. Zo zou destijds onder grote publieke belangstelling recht zijn voltrokken aan een zekere Babe Lunia, afkomstig uit midden-Friesland, die door het Hof van Friesland wegens moord ter dood was veroordeeld. De uitvoering van het doodvonnis zou plaats vinden door middel van onthoofding met de guillotine. Deze automatische onthoofder schijnt de toenmalige Leeuwarders niet erg te hebben aangesproken. Tot groot ongenoegen van het publiek speelde de hoofdmoot van het bloederige tafereel zich zo laag bij de grond af, dat alleen de toeschouwers op de voorste rij ervan konden genieten. De volksoverlevering wil dat de beklagenswaardige Babe vanaf het moment dat hij op zijn terechtstellingsplaats aankwam en het schavot moest bestijgen tot aan het moment dat de valbijl zijn hals doorkliefde zo luid en onophoudelijk ’unskildig!’ heeft geraasd, dat men het tot ver buiten de Vrouwenpoort heeft kunnen horen.

De Lange Pijp met Waaggebouw rond 1830.

Ook wil het verhaal dat Babe - naar de mode van die dagen - afscheid van het leven heeft genomen met een blauwe wollen slaapmuts op. Deze muts zou hem vlak voor de executie door de beul over zijn oren en ogen zijn getrokken, waarna hij met zijn hoofd onder de valbijl zou zijn gelegd. De muts zou zijn hoofd nog hebben bedekt, toen het ‘van den romp gescheiden in eene mand met zaagsel - om het uitvloeiende bloed op te slorpen - nederviel’. Niemand wilde nadien meer zo’n muts dragen, zodat de kooplieden met een grote voorraad ’babelúntsjes’ bleven zitten. Ondanks het feit dat strafvoltrekkingen doorgaans op marktdagen plaats hadden, was vrouwe justitia dus niet altijd op de hand van de commercie. Althans zo wil de overlevering die Johan Winkler (1840-1916) zestig jaar later uit de mond van een oog- en oorgetuige heeft vernomen en die hij in 1898 in zijn ‘Herinneringen aan den Tijd der Lijfstraffelijke Rechtspleging’ te boek heeft gesteld. Archiefonderzoek heeft echter uitgewezen dat door deze mondelinge overlevering de gebeurtenissen rondom twee afzonderlijk voltrokken doodvonnissen waarschijnlijk met elkaar zijn vervlochten. Het babelúntsje-verhaal kan waarschijnlijk meteen al naar het rijk der fabelen worden verwezen.

overlijdensakte_babeloele.JPG

Op 1 november 1816 wordt de burgemeester van Leeuwarden als ‘Officier van den Burgerlijken Stand’ door de griffier van de Rechtbank van Eersten Aanleg in kennis gesteld van het overlijden diezelfde dag van Jacob Dirks Glas, bijgenaamd ‘Babeloele’, oud 42 jaren, geboren en wonende te Joure, uurwerkmakersknecht en slaapsteehouder van beroep. ‘Babeloele’ was die middag om twaalf uur, ingevolge het arrest van het Hof van Assises van Friesland van 3 september 1816 dat op 18 oktober d.a.v. was bekrachtigd door het Hoog Gerechtshof te ’s-Gravenhage ‘aan eene galg met den koorde bestraft, zoo dat er de dood na is gevolgd’. Een dag voor de executie was de presiderend burgemeester reeds aangeschreven door de Procureur Crimineel in Friesland waarbij deze het volgende verzoek deed: ‘Alsoo op morgen op den middag eene capitale executie in deeze stad zal plaats hebben, neeme ik den vrijheid Uw Edel Gestrenge daarvan kennis te geeven, met verzoek, dat door Uw Edel Gestrenge de nodige orders gesteld worden, dat er als dan, volgens oud gebruik, niet op de klokken worde gespeeld, en dat in de herbergen geene luidrugtige vrolijkheeden plaats hebben, ten einde ook op die wijze den indruk der Geregtigheid te vermeerderen’.

Ter gelegenheid van de kroning van Wilhelmina is een schavot als curiositeit opnieuw in elkaar gezet op het terrein van het Stadstimmerhuis, nabij het Boerengat, tussen de Admiraliteitskade en de Oostzeedijk. Bron: Fotocollectie , Prentbriefkaarten verzameld door het Stadsarchief Rotterdam.Destijds werd het schavot voor het Blokhuis al niet meer gebruikt en liet het stadsbestuur in voorkomende gevallen een mobiel schavot oprichten op een door haar aan te wijzen lokatie. Zo werd later in de 19de eeuw Ruurd Passchiers van Dijk opgehangen op het Gouverneursplein - een ooggetuigeverslag van deze gebeurtenis kan worden gevonden in de dagboeken van de Wirdumer boer Doeke Wiegers Hellema - en vond Ype Baukes de Graaf zijn levenseinde op een schavot dat op het Plein voor het Paleis van Justitie - het tegenwoordige Wilhelminaplein - was opgericht. De stadstimmerbaas en diens ondergeschikten waren verantwoordelijk voor deze klus.

Hoe een dergelijke constructie er in de praktijk ongeveer heeft uitgezien hebben we te danken aan oud-archivaris Johan Hendrik Willem Unger (1861-1904) van Rotterdam.

In 1897 werd bij toeval op de Gemeentewerf van Rotterdam het volledig gedemonteerde schavot van Rotterdam gevonden.

Hierop werd Archivaris Unger erbij gehaald. Deze stelde voor het schavot nog éénmaal op te bouwen en .... gelukkig wist iemand nog hoe dit moest en werd bovenstaande foto gemaakt. De doodstraf werd in 1870 uit het gewone Nederlandse strafrecht gehaald. De straf werd 'wreed en onbeschaafd' gevonden. In de 10 jaar daarvóór was de doodstraf overigens al niet meer uitgevoerd. Lees meer over hoe het er in de Tijd der Lijfstraffelijke Rechtspleging aan toe ging in een verslag van de opgravingen op het galgenveld van Assen.

Met de hiervoor genoemde schriftelijke bewijzen wordt de authenticiteit van het babelúntsjeverhaal dus onderuitgehaald. Ten eerste heette de terechtgestelde officieel niet Babe Lunia, maar Jacob Dirks Glas; ten tweede heeft de terechtstelling niet in de Franse Tijd middels de guillotine plaatsgevonden, doch vlak erna door middel van ophanging; ten derde luidde de bijnaam van Jacob Dirks Glas ‘Babeloele’ en zullen de slaapmutsen - mocht er al een kern van waarheid in schuilen - bijgevolg eerder babeloeltsjes’ zijn genoemd!

Wat wel in eigentijds bronnenmateriaal werd aangetroffen was de volgende annekdote in de Leeuwarder Courant van 31 mei 1836. Het zou in vroeger tijd een wijdverbreid bijgeloof zijn geweest dat, wanneer het stoffelijk overschot van een slachtoffer van een misdrijf zou worden beroerd door de dader, zijn of haar wonden spontaan weer zouden gaan bloeden, of, wanneer de dader zijn adem over het lijk van het slachtoffer zou laten gaan, hij spontaan een bloedneus zou krijgen. Meer ... Nu wil de overlevering, dat de echtgenote van mededader Jan Hanses Jonker het verhaal van de op 28 november 1814 op de openbare weg tussen Joure en Lemmer gepleegde moord meermalen had verteld aan haar kostvrouw en dat zij daaraan had toegevoegd dat, toen haar man kort na de misdaad met Babeloele over het slachtoffer sprak, deze opbiechte dat degene die zij om het leven hadden gebracht zijn buurjongen Ids Lourens de Jong was geweest.

Overlijdensakte Ids Lourens de Jong (1814) 

Geschrokken zou Jan Jonker hem toen op het hart hebben gedrukt om bij het afleggen, aankleden en in de kist leggen van de dode - waarvoor hij in verband met het vervullen van de burenplicht zeker zou worden gevraagd - uiterst behoedzaam te handelen en vooral niet te dicht met zijn adem bij of over over het lijk te komen, aangezien hij als dader een neusbloeding zou kunnen krijgen en op deze wijze de verdenking op zich zou kunnen laden. Deze wijze raadgeving die door Babeloele keurig in acht zou zijn genomen heeft niet kunnen verhinderen dat hij ruim een jaar later alsnog zou worden aangehouden op verdenking van moord en beroving van Ids Lourens de Jong.

Verder speurwerk leverde op dat de Leeuwarders - althans in 1816 - wat volksvermaak betreft niet hadden te klagen, aangezien zich op 15 maart dat jaar reeds een zelfde schouwspel had afgespeeld toen er recht geschiedde aan Willem Petrus Heslinga, een schoolmeesterszoon uit Eestrum. Ook deze werd en plein public en waarschijnlijk onder luid gejuich opgehangen. Degene die wél de twijfelachtige eer heeft genoten om als eerste en waarschijnlijk ook laatste Fries de bedrijfsmatigheid van het nieuw onthoofdingstoestel aan den lijve te ondervinden moet de 33-jarige boer Jan Halbes de Jong uit Kortehemmen zijn geweest. Drie jaar eerder namelijk, op 27 augustus 1813, werd hij wel op de Lange Pijp middels onthoofding geëxecuteerd. Zie ook de Schatkamer van Tresoar. Mogelijk heeft zijn tevergeefse geschreeuw en geraas toch enige twijfel onder de verwachtingsvolle menigte rondom het schavot gezaaid en heeft men later, om het eigen geweten te zuiveren, het hiervoor gememoreerde bloederige tafereel maar opgehangen aan de persoon van ‘Babeloele’, die mogelijk wel een notoire crimineel is geweest. En passant zal er in de loop der tijd het verhaal van de blauwe slaapmuts aan zijn toegevoegd. Overigens is van alle drie terechtgestelden alleen Willem Petrus Heslinga op stadskosten begraven op het Jacobijnerkerkhof. Een aanwijzing dat het vanouds bij de Galileërkerk gelegen 'Misdadigerskerkhof' toen niet meer in gebruik was. De lijken van Jan Halbes de Jong en Jacob Dirks Glas zijn mogelijk teruggegeven aan de familie en in hun woonplaatsen begraven of zijn ten behoeve van de wetenschap voor onderzoek op een snijtafel beland.

Overlijdensakte Jan Hanses Jonker (1816). 

Overigens liep het met mededader Jan Hanses Jonker ook al niet goed af, dan wel zijn overlijdensacte d.d. 9 april 1816, opgemaakt te Sneek, doet sterk vermoeden dat hij tijdens zijn voorlopige hechtenis - om rechter en beul voor te zijn - de hand aan zichzelf heeft geslagen! Op genoemde datum doen Harmanus Banning, cipier, en Klaas Baukes Batstra, turfdrager, beide particulieren, woonachtig te Sneek, aangifte van diens overlijden. Zij verklaarden dat Jan Hanses Jonker, zonder bedrijf, oud 48 jaar, geboren te Heerenveen, zich bevindende in het gebouw staande in wijk 8 no. 26, doch wonende op de Joure, getrouwd met Tijtje Alberts Harkema, nog in leven, wonende op de Joure, op 8 april 1816 - zijnde het juiste uur onbekend - was overleden. Hieruit mogen we misschien afleiden dat beiden nog ruim een jaar vrij hebben rondgelopen alvorens ze werden gearresteerd.

Saillant detail is wel dat 'Babeloele' gehuwd was en kinderen had. Nog heden ten dage wonen er nazaten in onder andere Leeuwarden.

Meer over Jacob Dirks Glas en zijn nageslacht ...

Terug



RECHTSTREEKS NAAR: