| |

|
Leeuwardens vroegste verleden op de schop
Archeologisch onderzoek rondom de Oldehove
Alexander Jager i.s.m. Historisch Centrum Leeuwarden
N.B.: Een bewerking van dit artikel verscheen eind september 2000 in nummer 2 van Leovardia, historisch tijdschrift voor Leeuwarden en omgeving (uitgegeven door de Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd i.s.m. het Historisch Centrum Leeuwarden).
Hoewel Leeuwarden pas vanaf omstreeks 1250 kan worden beschouwd als een stad, is zijn geschiedenis veel ouder. Hoe oud precies zal misschien de komende tijd blijken als in het oudste gedeelte van het stadscentrum archeologisch onderzoek wordt gedaan. Archeologen hopen meer duidelijkheid te krijgen over de vroegste bewoningsgeschiedenis van de stad.
Het vooronderzoek vindt plaats van 31 juli tot en met 23 augustus 2000. De opgravingen vinden plaats bij de Oldehove, de scheve toren die al eeuwenlang het beeld van de Friese hoofdstad bepaalt. Permanente bewoning is er op deze plek al sinds ongeveer 750, de tijd dat de Engelse missionaris Bonifatius in Friesland verbleef. Sinds die tijd werd er ook met zekerheid gewoond op twee terpen aan weerszijden van de rivier de Ee (bij de huidige Hoogstraten). Samen met de Oldehoveterp vormen de twee terpen aan de Ee de kern van het oude Leeuwarden.
De Oldehove ligt op een woonterp, waarop in de negende eeuw een eerste houten kerk werd gebouwd. De Oldehoveterp lag op een strategische plaats, namelijk vlakbij de plek waar de Ee uitmondde in de Middelzee, de grote baai die het noorden van Friesland in tweeën deelde.
Ook al voor 750 werd er in dit gebied gewoond. Al voor de komst van de Romeinen was er sprake van meerdere terpnederzettinkjes in het gebied van en rond de huidige binnenstad, maar deze werden waarschijnlijk allemaal verlaten in de vierde eeuw na Christus toen de stijgende zeespiegel veel toenmalige Friezen naar elders deed verhuizen.
Met grote regelmaat is in de afgelopen decennia archeologisch onderzoek verricht in de binnenstad van Leeuwarden. Hoewel vaak onderzoek met de spade is uitgevoerd, zijn ook vaak gelegenheden onbenut voorbij gegaan. Dit gaat zeker op voor de omgeving van de Oldehove, waar al in de Romeinse tijd een terp werd opgeworpen en die dus te beschouwen is als het vroegst bewoonde stukje centrum van Leeuwarden.
Ten noorden en ten zuiden van de eerbiedwaardige scheve toren de Oldehove rijst indrukwekkende nieuwbouw op. Bij de bouw waren er mogelijkheden om archeologisch onderzoek te verrichten, hetgeen echter door diverse oorzaken beperkt bleef tot enkele waarnemingen. Er heeft rondom de Oldehove alleen diepgaand onderzoek plaatsgevonden op het Oldehoofsterkerkhof. Het zuidelijk deel van de terp, ter plaatse van het middeleeuwse Burmaniahuis, de plek van het huidige stadskantoor, is helaas nooit echt onderzocht.
Alleen bij de bouw van het Stadskantoor in 1992 heeft op deze plaats een beperkt onderzoek plaatsgevonden door vrijwilligers van het Argeologysk Wurkferbân van de Fryske Akademy.
Op grond van dit onderzoek vermoedt men dat het oudste gebouw ter plaatse van het Burmaniahuis niet van voor 1300 kan dateren. Het archeologisch onderzoek op het Oldehoofsterkerkhof werd uitgevoerd in de jaren 1968-'69 onder leiding van dr. H. Halbertsma. Uit historische bronnen was bekend dat hier een middeleeuwse kerk had gestaan. Het doel van het archeologisch onderzoek was dan ook vooral om restanten terug te vinden van deze in 1595 gesloopte kerk, die gewijd was aan St. Vitus.
De verwachtingen waren niet hooggespannen. Het Oldehoofsterkerkhof was immers al in 1934 een meter verlaagd, toen het terrein als een standplaats voor vrachtwagens werd ingericht. Ondanks het vooroorlogse graafwerk bleek al snel dat nog veel funderingswerk van de St. Vitus aanwezig was. Aan de hand van de aangetroffen sporen kon men de bouwgeschiedenis van de kerk grotendeels reconstrueren. Van groot belang was eveneens dat onder de kerkfunderingen een ophoging schuil ging die uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling dateerde. Het onderzoek aan de terp onder de kerkfunderingen bleef beperkt tot het noordelijke gedeelte. De zuidzijde van de woonheuvel bleef en blijft onbereikbaar door bebouwing.
De terp van Oldehove bestaat uit een kernheuvel met enkele uitbreidingen. De kernterp werd omstreeks de jaartelling opgeworpen. Uit het graafwerk bleek dat de kernterp grotendeels gelegen is op het zuidelijk gedeelte van het huidige Oldehove-terrein. Dit betekent dat het oudste gedeelte van de terp niet onderzocht kon worden. Het wel onderzochte deel leverde aardewerkscherven uit het begin van de jaartelling op. Misschien is de kernterp ouder en ging hieraan vooraf een vlaknederzetting. Dit is een vraag voor toekomstig onderzoek.
Nog in de eerste eeuw werd de terp in noordelijke en westelijke richting uitgebreid. De terp kreeg hierdoor een langgerekte vorm. De terp bleef bewoond tot ver in de derde eeuw, maar werd niet meer noemenswaard uitgebreid.
Na circa 300 was de terp niet meer in permanent gebruik. Wel werd de woonheuvel periodiek bewoond en/of gebruikt. Aardewerkscherven en andere vondsten uit de vroege middeleeuwen wijzen hierop. Tot in de achtste eeuw was de gebruikssituatie nog steeds als in de eeuwen daarvoor, totdat door het klooster Corvey aan de Wezer hier een kerk werd gevestigd. Waarschijnlijk vond dit plaats in de eerste helft van de negende eeuw, en verrees hier een houten godshuis. Uit deze periode zijn enkele graven bekend.
Omstreeks het jaar 1000 besloot men tot de aanleg van een stenen kerk. Hiervoor werd een keienfundering aangelegd, waarop een kruiskerk werd gevestigd, die muren van tufsteen kreeg. De kruiskerk was ruim 40 meter lang.
In de twaalfde eeuw verkreeg de kerk twee beuken. De muren hiervoor werden gemetseld van grote bakstenen, zogenaamde reuzenmoppen van 32x16x9 cm. De vergroting van de kerk weerspiegelt het gestage toenemen van de Leeuwarder bevolking. In de veertiende eeuw onderging de kerk nogmaals een uitbreiding. Er verrees een grote stadskerk, die in de zestiende eeuw nog uitgebreid zou worden. In de jaren 1529-1533 werd gewerkt aan de toren, het enige overblijfsel van de St. Vituskerk. De bedoeling was dat de toren met de bestaande kerk verenigd zou worden. Aan de oostzijde van de Oldehove zijn dan ook nog de bakstenen klampen zichtbaar waarmee de toren aan het kerkschip bevestigd zou worden.
De St. Vituskerk te Oldehove speelde een curieuze rol in de religieuze geschiedenis van Leeuwarden. In de zestiende eeuw raakte Leeuwarden betrokken bij de heersende godsdienstconflicten in de Nederlanden. Het katholicisme werd teruggedrongen ten gunste van de hervormde leer. Om de gelovigen beter in de grip te houden besloot paus Pius IV tot de instelling van kleinere bisdommen, waarvan het Leeuwarder bisdom er een was. Dit zou heel Friesland omvatten. In 1564 werd de eerste bisschop voor het bisdom Leeuwarden benoemd, maar de hier heersende stemming weerhield hem naar het noorden af te reizen.
Er heerste een anti-katholieke sfeer. Toen de stadhouder in 1566 afwezig was, gaf het Leeuwarder stadsbestuur dan ook toestemming om de St. Vitus in te richten voor de hervormde leer. Het jaar daarop werd op gezag van de stadhouder de kerk weer in gebruik genomen voor de katholieke dienst.
In 1569 werd een nieuwe bisschop voor Leeuwarden benoemd, Cunerus Petri, die het jaar daarop naar Leeuwarden kwam. Kort na zijn komst wijdde hij de St. Vitus tot kathedraal. In 1570 en 1576 werd de kersverse kathedraal getroffen door een storm, waardoor zware schade aan het gebouw werd toegebracht. In 1580 sloeg de balans door ten gunste van de hervormingsgezinden. Cunerus Petri werd kortstondig gevangen gezet, weer vrijgelaten, en verliet Friesland nog dat jaar. Dit betekende het einde van het bisdom Leeuwarden.
Het terrein ten oosten van de toren van Oldehove leidde nadien een passief bestaan als kerkhof. Op deze oudste en belangrijkste begraafplaats van Leeuwarden vonden sinds de 8e eeuw vele duizenden stedelingen hun laatste rustplaats. In 1595 werd het schip van de St. Vitus afgebroken, waarbij men alleen de muren liet staan. Rijke Leeuwarders kochten graven binnen de kerkmuren, terwijl arme stadsgenoten rondom het kerkgebouw begraven werden. In de tweede helft van de 17de eeuw werden muren rondom het kerkhof aangelegd. In 1706 werden de laatste bovengrondse resten van het schip van de St. Vitus weggebroken om plaats te maken voor aanplant met lindebomen. In 1752 werd het kerkhof verhoogd en opgeknapt. In 1786 werd het kerkhof, met uitzondering van graven met zerken, bestraat met gele klinkers. Bij Koninklijk Besluit werd bepaald dat na 1 januari 1829 niet meer op het Oldehoofsterkerkhof begraven mocht worden. Het stadsbestuur en een enkele particulier sputterden wat tegen. Tot in 1833 werd er nog begraven op het kerhof. Daarna week men uit naar begraafplaatsen buiten het huidige centrum. Op het Oldehoofsterkerkhof gebeurde daarna niet zoveel meer. In 1862 werd op het kerkhof een armenschool gebouwd. De rest van het terrein liet men voor wat het was. In de loop der jaren ontstonden hier veel kuilen doordat de deksels van de grafkisten het begaven. Het terrein werd niet onderhouden. Al gauw kwam het tot klachten over stank in de armenschool, zodat in 1878 de vloeren van de klaslokalen werden uitgebroken en beter bevloerd. Het gebouw bleef in gebruik tot 1933. In dat jaar werd het gesloopt om het terrein in gebruik te kunnen nemen als bodenterrein. Om het terrein te effenen, verlaagde men het met ruim een meter. Van 1934 tot 1968 bleef het Oldehoofsterkerkhof in gebruik als bodenterrein.
Na de fikse verlaging van het terrein 1968/'69 onderging het Oldehoofsterkerkhof niet veel veranderingen. In het plaveisel werden de plattegronden van de St. Vitus aangebracht. Sinds jaren is het thans in gebruik als parkeerplaats. Wat kan men op deze plek nog verwachten in de bodem? Bij de afgraving in 1933 werden 33 vrachtwagenladingen aan knekels van het kerkhof verwijderd en herbegraven op het kerkhof aan de Spanjaardslaan. De grondresten die waarschijnlijk fundamentsrestanten van de St.Vitus bevatten zijn eveneens grotendeels afgevoerd. Zou er dan niet veel meer te vinden zijn?
Bij de opgraving van 1968/'69 is duidelijk aangetoond dat er een terp aanwezig was. In de terpgrond werden resten gevonden van een gebouw met wandjes van plaggen. Aan de vondst van dit zodenwandhuis is nooit veel aandacht besteed. Zeer waarschijnlijk is het aangelegd door terpenbewoners en betreft het de oudste restanten van een huis die tot dusver in Leeuwarden zijn aangetroffen. Wie weet wat de Oldehoveterp nog voor verassingen in petto heeft.
|
|