Sociale zorg
In het overzicht van de diverse gemeentelijke activiteiten in de jaren 1945 - 1965 mag ook de sociale zorg stellig met ere worden genoemd. De ontwikkeling hiervan is in die periode zelfs van dien aard geweest, dat zij zich in een beperkte ruimte moeilijk laat beschrijven, vooral als daarin ook de nodige aandacht zal worden geschonken aan de sociale zorg, uitgaande van het kerkelijk en particulier initiatief. Noodgedwongen zal in dit hoofdstuk dan ook slechts een korte opsomming van de belangrijkste feiten kunnen worden gegeven.Toen in 1945 een eind was gekomen aan een lange periode van onderdrukking en ontbering, bleek er in vele gezinnen op allerlei gebied gebrek te heersen. De distributie bleef voorlopig gehandhaafd om een ieder van het noodzakelijkste te voorzien. Door de Hark (Hulpactie Rode Kruis) en door de diaconieën en particuliere organisaties werd spontaan geholpen. De gemeentelijke dienst voor sociale zaken bleef hierbij niet achter en trachtte in de behoeften van vele gezinnen te voorzien, in die tijd hoofdzakelijk nog met financiële steun. Ondersteunde zieken en bejaarden kregen extra turf, terwijl schoolkinderen aan klompen werden geholpen. Veel gebeurde nog bij wijze van improvisatie, o.a. een, met hulp van de plaatselijke pers, gevoerde actie voor inzameling van schaatsen ten behoeve van de jeugd. Maar ook op ander terrein kwamen bij deze dienst al spoedig activiteiten tot ontplooiing. Voor werklozen werden, met subsidie van het rijk, ontwikkelingscursussen georganiseerd. Met verschillende instanties kwam een nauwe samenwerking tot stand en vooral uit die tijd dateren diverse instellingen die later een belangrijke plaats in de Leeuwarder samenleving zouden gaan innemen.
Een poging evenwel om te komen tot een plaatselijke overkoepeling van de sociale zorg mislukte, enerzijds omdat “inmenging” van overheidswege gevreesd werd, anderzijds wellicht omdat de plannen nog niet voldoende rijp en doordacht waren.
Reeds vroeger was er voor de steunuitkering aan werklozen een speciale rijksregeling in het leven geroepen, maar overigens was de financiële steun nog steeds gebaseerd op de armenwet van 1912. Met deze wet was nog wel iets te bereiken, dank zij het feit, dat zij geen definitie bevatte van het begrip “noodzakelijk levensonderhoud”. Na de bevrijding werd daarvan een ruim gebruik gemaakt, ruimer dan daarvoor ooit het geval was geweest.
Tevens werd dankbaar geprofiteerd van artikel 29, waarin sprake was van de z.g. “opheffende armenzorg”. Toch waren er verschillende schaduwkanten aan deze wet en al spoedig vatte de mening post, dat ze niet meer voldeed aan de eisen des tijds. Zo bestond er b.v. geen “recht” op een uitkering zoals bij de sociale wetgeving. Ook de zeer ver gaande mogelijkheden van verhaal op onderhoudsplichtigen bleken funest te zijn. In veel gezinnen - met name in die van bejaarden - werd liever stille armoede geleden, dan dat verhaal zou worden toegepast op de kinderen, die vaak ook al niet anders dan met moeite konden rondkomen.
De dertiger crisisjaren hebben de ontwikkeling naar meer sociale zekerheid geremd, maar toch hebben ze ongetwijfeld mede de kiem gelegd voor de groei na de tweede wereldoorlog. In veel opzichten viel er toen al spoedig verandering te constateren. Het maatschappelijk werk ontwikkelde zich en kreeg grote belangstelling. Naast de materiële hulpverlening begon men in veel plaatsen aandacht te schenken aan de immateriële hulpverlening.
De sleurbedeling van vroeger - vooral niet meer dan het allernoodzakelijkste - maakte plaats voor een volgens bepaalde normen vastgestelde ondersteuning. De sociale wetten kwamen als het ware van de lopende band, terwijl voor diverse bevolkingsgroepen speciale rijksregelingen werden gemaakt, welke ter uitvoering werden opgedragen aan de gemeentelijke diensten voor sociale zaken.
Reeds in 1947 was er een Staatscommissie Vervanging Armenwet ingesteld. Na langdurige arbeid bracht deze commissie in 1954 verslag uit, maar het wetsontwerp, dat bij het verslag werd overlegd, leek te veel op de oude wet en werd niet geaccepteerd. Niettemin bleef de drang naar vernieuwing bestaan. Op 1 maart 1961 trad de “Wet Beperking Verhaalsrecht” in werking. Bij de behandeling van deze wet bleek al duidelijk, dat de tijd rijp was voor een geheel nieuwe wet regelende de financiële bijstand.
Eind 1962 werd een ontwerp “Algemene Bijstandswet” bij de Tweede Kamer ingediend en op 13 juni 1963 werd deze wet - op enkele punten iets gewijzigd - reeds door de Koningin bekrachtigd. Deze Algemene Bijstandswet trad 1 januari 1965 in werking.
Het zou in dit bestek te ver voeren alle beginselen van deze wet - die bedoeld is als een sluitstuk van de sociale wetten - op te sommen. Moge daarom worden volstaan met de mededeling, dat thans een “recht op bijstand” is opgenomen en de verhaalsmogelijkheden bijna geheel zijn verdwenen.
Nieuwe aanpak
Evenals elders viel er ook in Leeuwarden al spoedig op allerlei gebied een nieuwe aanpak te constateren. Sedert 1935 had het gemeentebestuur de uitvoering der armenwet opgedragen aan de gemeentelijke instelling voor Maatschappelijk Hulpbetoon.
Het bestuur van deze (autonome) instelling werd bijgestaan door de dienst voor sociale zaken (gemeentelijk bureau), welke niet alleen belast was met het uitbrengen van rapporten en advies, maar ook met de uitvoering van de genomen beslissingen. Vooral na de bevrijding was er een goede samenwerking tussen beide instanties. De dienst breidde zich al spoedig uit (van 24 personeelsleden in 1946 tot 60 in 1964), waardoor ook hier, naast de materiële hulpverlening, aandacht kon worden geschonken aan de immateriële hulp. De eerste vrouwelijke kracht deed in 1948 haar intrede, waarna anderen volgden. De scholing van het personeel werd zeer belangrijk geacht, om de hulpzoekende, die niet alleen financieel maar ook op andere wijze was vastgelopen, zo goed mogelijk te kunnen helpen. Naast de beoordeling van de binnengekomen steunaanvragen had het bestuur van Maatschappelijk Hulpbetoon het beheer over het Stadsverzorgingshuis, dat later het gemeentelijk tehuis voor bejaarden zou worden genoemd.
Ondanks het feit, dat de massale woon- en slaapvertrekken een bezwaar opleverden om er een moderne inrichting van te maken, werd toch reeds in 1947 besloten het gebouw zoveel mogelijk te verbeteren en aan te passen aan de behoeften.
Verdere gemeentelijke activiteiten op het gebied van de huisvesting van bejaarden kunnen voor deze periode van twintig jaar niet worden gememoreerd, met uitzondering van “De Terp”, in het leven geroepen in 1950, om een eind te maken aan de misstanden in de vele volkslogementen. Deze poging mag ongetwijfeld geslaagd worden genoemd.
Gezegd mag worden, dat het bestuur van Maatschappelijk Hulpbetoon de polsslag van de tijd op de juiste wijze aanvoelde. Toch rezen er ook hier, evenals elders, langzamerhand bezwaren tegen het voortbestaan van een dergelijke autonome instelling. Deze bezwaren waren hoofdzakelijk gegrond op het feit, dat de gemeente elk jaar een aanzienlijker subsidiebedrag beschikbaar moest stellen (voor 1946 ± ƒ 700.000,- en voor 1962 ruim ƒ 2.000.000,- exclusief kosten verpleging in psychiatrische inrichtingen), zonder dat de gemeentelijke bestuursorganen zeggenschap hadden in de besteding daarvan.
Ook werd het als een bezwaar aangevoeld, dat niet opgeleide personen, die hun taak weliswaar met grote toewijding en warme belangstelling uitvoerden, moesten oordelen over het werk van steeds meer grondig opgeleide beroepskrachten. Uiteraard werden ook motieven aangevoerd voor handhaving van de instelling, maar deze bleken minder zwaar te wegen, zodat de gemeenteraad besloot de instelling voor maatschappelijk hulpbetoon met ingang van 1 januari 1963 op te heffen.
De uitvoering van de armenwet werd - daarmee reeds vooruitlopende op een nieuwe wet - voortaan opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. Praktisch betekende dit, dat de uitvoering werd opgedragen aan de gemeentelijke dienst voor sociale zaken, welke bij het zelfde raadsbesluit werd gereorganiseerd en omgedoopt tot gemeentelijke sociale dienst (G.S.D.).
Van de nieuwe taken, welke de dienst na de bevrijding op zich nam, mogen we hier noemen:
- de zorg voor het lichamelijk en geestelijk gehandicapten;
- de bemoeiingen met zwaksociale gezinnen;
- de budgettering met gezinnen die moeilijk met geld kunnen omgaan;
- het verstrekken van inlichtingen en adviezen op velerlei gebied.
De zorg voor de gehandicapten (sociale revalidatie) kreeg al spoedig de nodige aandacht. Voor de tewerkstelling in een passende werkkring werd nauw samengewerkt met de Leeuwarder Werkgemeenschap, een stichting, welke in 1946, mede op initiatief van de dienst, tot stand was gekomen. Deze samenwerking breidde zich naderhand ook uit tot de inmiddels opgerichte Stichting Revalidatie Friesland, de Sociaal Psychiatrische Dienst en de dienst Sociaal Pedagogische Zorg.
Aan de teambesprekingen werd tevens deelgenomen door een vertegenwoordiger van de G.G.D. en o.a. van de afdeling bijzondere bemiddeling van het gewestelijk arbeidsbureau. Veel gehandicapten zijn hierdoor in de loop der jaren aan zinvolle en vreugdegevende arbeid geholpen of kregen op andere wijze adequate hulp.
Het werken in zwaksociale gezinnen en de budgettering kostte moeite en tijd. Soms waren de resultaten gering, maar in verschillende gevallen waren ze gunstig te noemen. Voor veel doeleinden fungeerde de dienst als inlichtingen- en adviesbureau, waarvan steeds meer gebruik werd gemaakt. Ook werden verschillende werkzaamheden ter hand genomen, waarmee de dienst rechtstreeks of zijdelings te maken kreeg.
Verschillende commissies werden in het leven geroepen, o.a. voor probleemgevallen, jeugdzorg en sociale sanering, waarvan de dienst in de regel het secretariaat werd toevertrouwd, veelal gecombineerd met rapportering en uitvoering. De commissie jeugdzorg hield zich vooral bezig met het organiseren van jeugdleidercursussen, maar tevens werd zij een trefpunt van de op het gebied van de jeugdzorg werkzaam zijnde instellingen. Als zodanig willen we noemen de stichting “De Stins” (algemeen), die fuseerde met “De Regenboog” (oecumenisch), alsmede de instellingen “Het Vliet” (rooms-katholiek) en de “Jeugdhaven” (gereformeerd). Getracht wordt in bijzondere delen van de stad zoveel mogelijk tot een onderlinge samenwerking te komen.
Voor het algemeen maatschappelijk werk kwam een gesprekscentrum, bestaande uit vertegenwoordigers van de levensbeschouwende centra en van de gemeente, tot stand, waarin de problemen van samenwerking werden besproken. In diverse gevallen resulteerde dit in afspraken en regelingen, zoals bij de krotopruiming (spaarregeling) en bij het wijk- en buurtwerk.
Met het maatschappelijk opbouwwerk werd omstreeks 1955 een begin gemaakt in het z.g. IJsbaankwartier, een oude te saneren wijk, die bekend was door een abnormale jeugdbaldadigheid. Een maatschappelijk werker van de dienst kreeg tot taak dit werk te stimuleren en te activeren, waarbij echter de zelfwerkzaamheid van de bewoners voorop stond en waarbij zoveel mogelijk aansluiting moest worden gezocht bij bestaande activiteiten. Naderhand werd dit werk ook bevorderd in andere wijken en in dorpen van de gemeente, o.a. in de Wielenpôlle en in de Oosthoek (Marathonstraat e.o.).
De eerstgenoemde twee wijken hebben inmiddels de beschikking gekregen over een wijkcentrum en hopelijk zullen andere spoedig volgen. Tevens zijn besprekingen over de oprichting van een centraal orgaan voor buurt- en jeugdwerk in de gemeente Leeuwarden reeds in een ver gevorderd stadium.
Instellingen
In het begin schreven we reeds, dat al spoedig na de bevrijding stichtingen in het leven werden geroepen, die later een belangrijke plaats in Leeuwarden zouden gaan innemen. Vooral werd hierbij gedoeld op de “Leeuwarder Werkgemeenschap” (L.W.G.) en “Het Baken”, twee instellingen, die zich zodanig hebben ontwikkeld, dat ze niet meer uit onze stedelijke samenleving zijn weg te denken. De L.W.G. (oorspronkelijk als “werkplaats voor minder validen”, maar nu als “sociale werkplaats” aangeduid) werd in 1946, mede op initiatief van de dienst van sociale zaken, opgericht, met de gemeente als grootste participant.
De beginjaren van deze stichting waren moeilijk en haar pad ging beslist niet over rozen. Toch werd met taaie volharding doorgezet. Gelukkig kwam er na enkele jaren verbetering, toen de rijksregeling voor gemeentelijke sociale werkvoorziening (G.S.W.-regeling) kon worden toegepast. De positie van de tewerkgestelden kon aanmerkelijk worden opgetrokken, terwijl ook de werkplaats zelf mogelijkheden kreeg om zich te ontplooien. Al spoedig werd er toen een vrouwenafdeling aan verbonden, waaraan grote behoefte bleek te bestaan.
Binnenkort wordt op het industrieterrein een geheel nieuwe werkplaats gebouwd voor 300 à 350 personen, welke capaciteit eventueel voor uitbreiding vatbaar zal zijn. Vooral ook met het oog hierop is de stichting met ingang van 1 januari 1965 omgezet in een gemeentelijke tak van dienst, waarbij een inmiddels door sociale zaken ingestelde schrijfkamer voor hoofdarbeiders en een bouwploeg van werkloze handarbeiders naar de nieuwe dienst werden overgebracht.
“Het Baken” (centrum voor huishoudelijke en gezinsvoorlichting) werd eveneens in 1946 opgericht. Het kwam, in tegenstelling met de L.W.G., uitsluitend voort uit het particulier initiatief. Niettemin was ook hier vaak een nauwe samenwerking met de dienst voor sociale zaken, waar b.v. in de beginperiode de administratie werd verzorgd. Ook bij “Het Baken” deden zich verschillende moeilijkheden voor, o.a. liggende op het gebied van de financiën en van de huisvesting, maar ook die werden in de loop der jaren grotendeels overwonnen. Momenteel beschikt de instelling over een modern pand, waarin vele activiteiten tot ontplooiing kunnen komen.
Weer van geheel andere aard is de Stichting Volkscrediet, die in 1951 haar werkzaamheden begon. Zij verstrekt - met uitsluiting van winstoogmerk - op sociaal en zakelijk verantwoorde wijze geldkredieten voor consumptieve doeleinden. Haar werkterrein was aanvankelijk beperkt tot de gemeente Leeuwarden, doch in de loop der jaren vond een zodanige regionale uitbreiding plaats, dat aan het eind van 1965 reeds 22 Friese gemeenten waren aangesloten. Het uitstaande saldo steeg van ± ƒ 150.000,- per 31-12-1952 tot ± ƒ 1.500.000,- per ultimo 1965. De adviezen betreffende de aanvragen uit de gemeente Leeuwarden worden vanaf het begin uitgebracht door de dienst voor sociale zaken.
De instellingen voor gezinsverzorging die na de bevrijding in het leven werden geroepen, kwamen weer voor uit kerkelijk en particulier initiatief. In 1946 werd, onder auspiciën van de U.V.V., de stichting “Algemene Gezinszorg” opgericht, welke spoedig door vier instellingen op confessionele grondslag werd gevolgd. Deze instellingen hebben een nauw contact en vinden elkaar in een overkoepeling.
Momenteel zijn bij de gezamenlijke plaatselijke instellingen circa 90 gezinsverzorgsters en -helpsters en 60 losse helpsters werkzaam. Ook bij de gezinsverzorging wordt steeds meer aandacht geschonken aan de scholing van het personeel, waarvoor bijv. in 1954 de protestants-christelijke Opleidingsschool “Prinses Maria Louisa” in Leeuwarden werd opgericht. Vooral in de laatste jaren heeft het werk zich belangrijk uitgebreid, omdat ook de hulp in gezinnen van bejaarden (vooral door losse helpsters voor enkele uren per dag) ter hand is genomen.
Voor de bejaarden is trouwens van verschillende kanten belangstelling getoond. Zo begon b.v. de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers in 1962 met haar actie “Tafeltje-dek-je”. Zij zorgt er sindsdien voor, dat enkele tientallen bejaarden, over de gehele stad verspreid, die niet meer voor zichzelf kunnen zorgen, driemaal per week een warme maaltijd thuisbezorgd krijgen.
Verder werd de Sociëteit voor Bejaarden opgericht, waarvoor het gemeentebestuur enkele lokalen van het voormalig Nieuwe Stadsweeshuis beschikbaar stelde. Velen vinden hier dagelijks een prettige tijdpassering.
Een bepaald verheugend initiatief was de totstandkoming van het Dienstencentrum aan de Willem Sprengerstraat. Dit centrum, uitgaande van de Nederlands Hervormde diaconie, werd in 1964 door de minister voor maatschappelijk werk geopend, die daarbij kon spreken van een unieke vorm van bejaardenzorg. Het is bedoeld als een “ontmoetingsplaats” voor de vele in die buurt wonende bejaarden. Evenals in de bejaardensociëteit is er een aardige bibliotheek aanwezig, terwijl men in een apart zaaltje afleiding kan vinden door biljarten of het leggen van een kaartje. Daarnaast echter is er gelegenheid voor het nemen van een bad of douche en kan men, onder het genot van een kopje koffie, gebruik maken van een volautomatische wasmachine. Zelfs is er een pedicure en wordt gezorgd voor warme maaltijden. Bij deze dienstverlening wordt graag gebruik gemaakt van vrijwillige krachten van alle gezindten, ook om daarmee het centrum niet een specifiek Nederlands Hervormd stempel te geven.
Bij de opsomming van gemeentelijke activiteiten wezen wij er al op, dat de bouw van een bejaardentehuis tot dusver is uitgebleven. Wel is er op dit punt in 1965 enig soelaas gekomen door de bouw van de moderne inrichting Greunshiem, maar afdoende is dit beslist nog niet geweest. Er is op dit gebied nog een groot tekort, zodat wij mogen hopen, dat de reeds lang bestaande nieuwbouwplannen spoedig tot uitvoering kunnen komen. Tevens bestaat er al jaren een grote lacune op het gebied van de verpleging van chronische patiënten. Vaak moeten deze patiënten, die al jaren aan bed waren gekluisterd, in een inrichting elders worden ondergebracht. Gelukkig bood de Vereniging Parkherstellingsoord medewerking door een aantal bedden beschikbaar te stellen, maar een definitieve oplossing - d.w.z. een spoedige bouw van een moderne inrichting - is ook hier dringend nodig.
Wanneer we hierna nog even - zij het zeer in het kort - ons overzicht mogen vervolgen, dan zouden wij willen memoreren:
- het weer op gang komen van de vereniging “Kinderdagverblijf” welke haar werk tijdens de bezetting had moeten staken.
- de oprichting van het consultatiebureau voor alcoholisme.
- het tot stand komen van een tweetal medisch opvoedkundige bureaus (M.O.B.) en van enkele psychotechnische laboratoria (beroepskeuze).
Hoewel de onder 2 en 3 genoemde instellingen meer behoren tot het terrein van de geestelijke volksgezondheid, hebben ze toch zoveel raakvlakken met de sociale zorg, dat ze ook in dit hoofdstuk stellig mogen worden genoemd. - de oprichting van drie vormingsinstituten voor de bedrijfsjeugd, t.w. één voor de in bedrijven werkzaam zijnde jongens en twee voor meisjes (het z.g. “Zonnebloem”- en “Mater Amabilis”-werk).
- de gewijzigde situatie rondom de kerkelijke diaconieën en het rooms-katholieke armbestuur. Deze instellingen wisten zich, in tegenstelling met Maatschappelijk Hulpbetoon, te handhaven, maar kregen geleidelijk een geheel andere taak, doordat de kosten, voortvloeiende uit de financiële ondersteuning en de verzorging en verpleging van hulpbehoevende gemeenteleden, werden overgelaten aan de overheid (gemeente).
- de oprichting van de afdeling Leeuwarden van de Nederlandse Vereniging voor maatschappelijk werk “Humanitas”.
Ook haar beginjaren waren moeilijk, vooral door het ontbreken van een financieel achterland, zoals de kerkelijke instellingen voor maatschappelijk werk wel hadden. Niettemin bleef zij volharden en heeft zij uiteindelijk, samen met haar zusterorganisaties en met de G.S.D. op velerlei gebied een positieve bijdrage kunnen leveren. - de aanpassing van de vereniging “Praktische Hulp”.
Jarenlang exploiteerde deze vereniging krachtens haar statuten een tehuis voor daklozen, zowel voor mannen en vrouwen, als voor kinderen. Tevens is er aan verbonden een asiel voor doortrekkende vreemdelingen, maar bovenal de in Leeuwarden zo bekend geworden papier- en lompenafhaaldienst.
Zo op het oog wat ouderwets, maar wie een kijkje in het gebouw aan de Pioenstraat neemt, ontdekt al gauw, dat de praktijk toch wel anders is. Dit blijkt vooral ook uit het feit, dat het kindertehuis in 1952 door het ministerie van justitie werd goedgekeurd als doorgangshuis voor gezinsverpleging, een omstandigheid waarvan door vele instanties een dankbaar gebruik wordt gemaakt.
Tenslotte kan nog melding worden gemaakt van de liquidatie van twee reeds jaren oude verenigingen n.l. van “Moederlijke Weldadigheid” en van de “Vereniging ter verbetering van de Armenzorg”.
We zijn ons bewust, dat dit overzicht geenszins volledig is; op verschillende facetten hadden we zeker dieper moeten ingaan. Toch hopen we, dat uit het voorgaande geconstateerd kan worden, dat de gemeentelijke activiteiten op het gebied van de sociale zorg een grote vlucht namen, maar ook, dat de activiteiten van het kerkelijke en particuliere initiatief daarmee gelijke tred hebben gehouden.
Terug
