Watervoorziening

Een eigen gemeentelijke drinkwatervoorziening bezit Leeuwarden niet meer sedert 1 januari 1925, omdat Leeuwarden sedertdien van water wordt voorzien door de intergemeentelijke instelling, de N.V. Intercommunale Waterleiding Gebied Leeuwarden. Tussen dat gemeenschappelijk bedrijf en Frieslands hoofdstad bestaat echter een bijzondere band. In de eerste plaats omdat een burgemeester van Leeuwarden - jhr. mr. J.M. van Beijma - in 1922 de stoot gaf tot oprichting van het Friese streekwaterleidingbedrijf. In de tweede plaats omdat Leeuwarden aan het prijsgeven van het eigen waterleidingbedrijf de bijzondere voorwaarde verbond, dat de hoofdstad van de provincie blijvend recht zou hebben op het voorzitterschip van de raad van commissarissen. De statuten vermelden, dat de vergadering van aandeelhouders de voorzitter kiest uit een door de raad der gemeente Leeuwarden opgemaakte voordracht van 2 personen. De overige leden van de raad van commissarissen worden door die vergadering gekozen uit de burgemeesters, de leden van de raden der gemeenteaandeelhouders en de secretarissen der ander gemeenteaandeelhouders. Terwijl de voorzitter steeds herkiesbaar is, treden de overige leden om de drie jaren af, terwijl zij slechts éénmaal herkiesbaar zijn.

De raad van de gemeente Leeuwarden heeft zijn voorzitter, de burgemeester, steeds no. 1 op de voordracht geplaatst en zo is dan sinds 29 september 1922 de burgemeester van de Friese hoofdstad de president-commissaris van het gemeenschappelijk waterleidingbedrijf geweest. Diens vooraanstaande positie in de vennootschap wordt nog geaccentueerd door het feit, dat hij in de vergadering van de raad van commissarissen 2 stemmen uitbrengt tegen de andere leden ieder 1 stem.

Dat een stad met een eigen waterleidingbedrijf het initiatief neemt tot oprichting van een streekwaterleidingbedrijf, is in de geschiedenis van de Nederlandse drinkwatervoorziening uniek. Het betekende in meer dan één opzicht het brengen van een offer in het belang van andere Friese gemeenten die nog geen waterleiding hadden (in 1922 hadden alleen Leeuwarden, Sneek en Heerenveen waterleiding).

Aanvankelijk stelden de 9 gemeenten die de I.W.G.L. stichtten, zich een streekwaterleidingbedrijf voor, dat de noordelijke helft van het vasteland van Friesland van goed en betrouwbaar drinkwater zou gaan voorzien. Reeds in 1931 besloot het toenmalige college van gedeputeerde staten het gehele vasteland van Friesland met uitzondering van de voorzieningsgebieden van de gemeente Sneek en van de N.V. De Heerenveensche Waterleiding, aan de I.W.G.L. toe te wijzen, en dat was het begin van een ontwikkeling, welke ertoe zou leiden, dat “Friesland” en “Gebied Leeuwarden” praktisch synoniem zouden worden. Geleidelijk traden alle Friese gemeenten, met uitzondering van Sneek, als aandeelhouder tot de N.V. I.W.G.L. toe; de N.V. De Heerenveensche Waterleiding werd eind 1954 overgenomen. De gemeente Sneek ging in 1960 een overeenkomst met de I.W.G.L. aan tot inkoop van waterengros en liquideerde haar pompstation.

Toen enkele jaren vóór het uitbreken van de wereldoorlog de statuten van de vennootschap werden herzien, kwam ook de naam van de intergemeentelijke onderneming in discussie. De vertegenwoordiger van één der plattelandsgemeenten stelde toen voor om de oude naam te handhaven als een eerbetoon aan de gemeente Leeuwarden, waaraan de kleinere gemeenten, voor wat de drinkwatervoorziening betreft, zo bijzonder veel hebben te danken. Leeuwarden heeft geen reden om het besluit van 1922 tot stichting van een intercommunaal bedrijf te betreuren.

Leeuwarden werd al spoedig een uitermate belangrijk verdeelpunt in het intercommunale net van de noordelijke helft van de provincie. Via Leeuwarden wordt door middel van een drietal aanjaagstations, waarvan het aanjaagstation Leeuwarden-Noord tot stand kwam kort na de oorlog, een groot gedeelte van het noorden van de provincie, het noordwesten en het centrum van water voorzien. Daardoor beschikt Leeuwarden over 3 zware transportleidingen tussen het pompstation Noordbergum en de stad en sedert kort ook over een zware ringleiding langs de grote ringweg, waardoor de bedrijfszekerheid van de levering en een goede drukverdeling zijn gewaarborgd. Voor de bedrijfszekerheid zijn de grote watervoorraden in de reservoirs binnen de gemeente Leeuwarden eveneens van grote betekenis. In de loop van 1966 zal de voorraadcapaciteit worden vergroot met nog eens bijna 16.000 m3, op te slaan in 2 tanks aan de Greunsweg. Het pompbedrijf, dat deze voorraden in het net brengt als daaraan behoefte bestaat, is o.m. uitgerust met een zelfstartend diesel-noodstroomaggregaat, hetgeen een extra zekerheid geeft voor een zo veilig mogelijke voorziening als tijdelijk de stroomvoorziening van het G.E.B. mocht uitvallen.

Ook de spreiding van de reservoirs over het stadsgebied is gunstig. Voorzieningstechnisch beschouwd is de positie van Leeuwarden als belangrijk centrum in een streekvoorziening aanmerkelijk beter dan mogelijk zou zijn geweest voor een zuiver lokaal bedrijf.

In Leeuwarden werd op 4 juni 1964 het nieuwe hoofdkantoor van de I.W.G.L. aan het Zaailand in gebruik genomen. De bekende architectuurcriticus A. Buffinga constateerde in “Bouw” van 23 oktober 1965, dat “een meer dan vluchtig onderzoek naar de hedendaagse architectonische rijkdom van Friesland helaas tot de conclusie moet voeren, dat die uitermate beperkt is”, na welke opmerking hij de loftrompet steekt over de schepping van de Leeuwarder architect ir. J.J.M. Vegter.

De gunstige ligging van de hoofdstad heeft er verder toe geleid, dat het centrale magazijn en de centrale werkplaatsen van de I.W.G.L. te Leeuwarden zijn gevestigd. Het nieuwe centraal magazijn met werkplaatsen en dienstwoningen aan de Snekertrekweg kwam tot stand tussen 1952 en 1957. Een belangrijke uitbreiding van de watermeterijk- en herstelinrichting, waar weldra ook de watermeters voor enkele andere grote waterleidingbedrijven zullen worden behandeld, is in voorbereiding. Van het thans meer dan 350 koppen tellende personeel in vaste en tijdelijke dienst van de I.W.G.L. woont 60 procent binnen de gemeente Leeuwarden.

Voorheen was er in het plattelandsgebied van Leeuwarden nog een aantal niet aansluitbare percelen. Na de annexatie van een groot gedeelte van de gemeente Leeuwarderadeel nam dat aantal toe en bovendien waren er in het tegenwoordige stadsdeel Huizum nog vrij veel percelen niet aangesloten op het waterleidingnet als gevolg van de redactie van de bouwverordening van Leeuwarderadeel met betrekking tot de verplichting tot aansluiting. Doch inmiddels zijn ook in de gemeente Leeuwarden de onrendabele gebieden aangesloten en de superonrendabele percelen aansluitbaar gemaakt. Het voorzieningspercentage in de gemeente bedraagt thans praktisch 100.

De start van een onderneming is belangrijk, maar niet minder de wijze waarop de onderneming zich verder ontplooit. Jhr. mr. J.M. van Beijma was president-commissaris van 29 september 1922 tot februari 1943, toen de bezettende macht hem als burgemeester van Leeuwarden ontsloeg en daarmede automatisch een einde kwam aan zijn voorzitterschap. Hij was derhalve goed 20 jaren president-commissaris, in welke tijd de basis werd gelegd voor de latere ontplooiing van het bedrijf tot een de gehele provincie omvattend nutsbedrijf.

Mr. A.A.M. van der Meulen werd gekozen tot president-commissaris op 3 mei 1946. Ook hij heeft dus ongeveer 20 jaren het voorzitterschap bekleed. Toen hij zijn taak begon, waren nog slechts ruim 48.000 percelen op het net van de I.W.G.L. aangesloten. In geheel Friesland was nog niet de helft van het aantal bewoonde woningen van waterleiding voorzien. Nu mr. A.A.M. van der Meulen zijn taak neerlegt, zijn rond 136.000 percelen op het net aangesloten en binnen weinige jaren zal heel Friesland van leidingwater gebruik kunnen maken. De afgeleverde hoeveelheid water, die eind 1946 nog slechts 6.6. miljoen m3 bedroeg, steeg tot bijna 25 miljoen m3 in 1965.

Deze sterke ontwikkeling schiep een reeks van moeilijke vraagstukken. De plannen voor de aansluiting van de onrendabele gebieden (waaronder het z.g. industrialiseringswaterleidingplan een voorname plaats innam) en vervolgens het plan voor de aansluiting van de z.g. superonrendabele percelen, vormden meermalen een onderwerp van diepgaand beraad. Bestaande pompstations moesten worden uitgebreid, nieuwe pompstations moesten worden gesticht. Een reeks van andere werken moest worden uitgevoerd om in de snel stijgende behoefte op de juiste wijze te kunnen voorzien. De bij voortduring grote investeringen die nodig waren om het bedrijf naar behoren te doen functioneren, vereisten grote aandacht voor financiering. Grote veranderingen voltrokken zich ook in het personeelsbeleid en in de interne organisatie van het bedrijf.

De totstandkoming van het nieuwe hoofdkantoor van de I.W.G.L. aan het Zaailand te Leeuwarden vormt een van de naoorlogse hoogtepunten. Een taakverruiming onderging de I.W.G.L. in 1964, toen het bedrijf ook belast werd met de controle van de afvalwaterzuiveringinstallaties van gemeenten, die daarvoor van de diensten van de I.W.G.L. gebruik willen maken.

De I.W.G.L., uitgegroeid tot het vijfde waterleidingbedrijf in grootte in ons land, heeft steeds veel contacten gelegd en onderhouden met instellingen en personen buiten de provincie en ontvangt herhaaldelijk bezoek van deskundigen uit binnen- en buitenland. Ook op die wijze heeft de I.W.G.L., als schepping van Leeuwarden, het hare kunnen bijdragen tot de bloei van de stad.

De verwachtingen omtrent de behoeften waarin de waterleidingbedrijven in de toekomst zullen moeten voorzien als gevolg van de groeiende bevolking, de verdere industrialisering en de stijging van het hoofdelijk verbruik, scheppen nieuwe problemen, die de volle belangstelling hadden van de scheidende burgemeester - president-commissaris, die tal van maatregelen, nodig om in Friesland ook in de toekomst een goede drinkwatervoorziening te waarborgen, heeft bevorderd.

Terug

RECHTSTREEKS NAAR: