Bevolking in cijfers

Zien we Leeuwarden in de jaren na de oorlog groeien van 74.437 inwoners tot 86.246 (begin 1946 - begin 1965), dan schijnt dit, op het eerste gezicht, een bevredigende toeneming te zijn. Een nadere beschouwing van deze cijfers geeft echter aanzienlijk minder reden tot tevredenheid. Dit treedt al meteen aan de dag, wanneer we de groei van de Leeuwarder bevolking met de landelijke bevolkingstoeneming vergelijken. De bevolking van Nederland groeide tussen 1 januari 1946 en 1 januari 1965 met 31,3 procent en die van Leeuwarden met slechts 15,9 procent, ongeveer de helft dus. Zou Leeuwarden het landelijke groeitempo hebben gevolgd, dan zou het aantal inwoners op 1 januari 1965 tussen de 97.000 en 98.000 hebben bedragen en hadden we ons nu dus kunnen voorbereiden op de komst van de honderdduizendste.

De groei van de bevolking blijkt uit de volgende cijfers:


31 december

1945

74.437

1955

81.521

1946

75.864

1956

81.458

1947

77.129

1957

81.985

1948

77.952

1958

82.067

1949

78.659

1959

82.649

1950

79.134

1960

83.161

1951

79.419

1961

84.375

1952

79.960

1962

85.386

1953

80.928

1963

85.709

1954

81.366

1964

86.246

Niet alleen bleef de groei van Leeuwarden procentueel ver achter bij de landelijke, ook was deze groei, in procenten gerekend, de geringste van de steden, die samen met Leeuwarden in 1945 de groep 50.000 - 100.000 inwoners vormden.





















































Binnen de gemeentegrenzen viel in deze periode een duidelijke verplaatsing van de bevolking waar te nemen. Enerzijds was dit een gevolg van het ontstaan van nieuwe woonwijken (Heechterp, ’t Nijlân), anderzijds van de toenemende cityvorming, waarbij de binnenstad steeds meer aan betekenis inboet als woonwijk.

Bij het beoordelen van de cijfers dient in acht te worden genomen, dat de wijk- en buurtgrenzen zoals deze golden bij de volkstelling 1947, niet geheel overeenstemmen met die bij de volkstelling 1960. De kleine afwijkingen spelen echter een geringe rol.

In het centrum van de stad woonden in 1947 9346 ingezetenen. In 1960 was dit aantal teruggelopen tot 6204 en een tussentijdse telling in 1964 leverde nog slechts het aantal van 5625 inwoners op. Het noordoosten van de stad (met het Heechterp) daarentegen steeg van 29607 inwoners in 1947 tot 34266 in 1960 en tot 36773 in 1964. Het zuidelijk gedeelte (tussen spoordijk - Potmarge en Van Harinxmakanaal, waarin ’t Nijlân) nam toe van 15024 in 1947 tot 18747 in 1960 en 21540 in 1964. Een volledig overzicht van de aantallen inwoners per wijk is in onderstaand overzicht opgenomen.













Een nader inzicht in de oorzaak van de relatief geringe groei van Leeuwarden verschaffen de cijfers omtrent het vestigingsoverschot, die door een vrijwel steeds negatieve tendens het beeld geven van een bijna constant vertrekoverschot.





























Slechts in de jaren 1953 en 1961 leverden een vestigingsoverschot op. In 1962 waren vertrek en vestiging met elkaar in evenwicht. De bevolkingsstijging is dus het gevolg geweest van een ruim geboorteoverschot (meer geboorten dan sterfgevallen).


De vestigingsoverschotten waren (- is vertrekoverschot):

1947

-102

1957

-964

1948

-390

1958

-768

1949

-222

1959

-225

1950

-486

1960

-403

1951

-668

1961

+185

1952

-433

1962

- 17

1953

+ 34

1963

-641

1954

-572

1964

-429

1955

-730

1956

-952


Bij een beschouwing van de samenstelling ter bevolking naar de leeftijdsgroepen valt op, dat Leeuwarden, gemeten naar landelijke maatstaven, in de leeftijdsgroepen beneden 40 jaar de mindere is en in de groepen van 40 jaar en ouder de meerdere. De Leeuwarder bevolking heeft bijgevolg een hogere gemiddelde leeftijd dan de landelijke.





























Een grafiek van de toestand op 31 december 1964 geeft het volgende beeld:

Ned.

Lwd

0 - 4 jaar

9,0

9,3

5- 14 jaar

18,5

17,9

15-24 jaar

17

16,5

25-39 jaar

19

17,4

40-64 jaar

26,1

27,6

65 jaar en ouder

9,5

11,3









































Dat de leeftijdsgroep 15 - 24 jaar percentsgewijs toeneemt mag gunstig worden geacht. Lichten we uit deze groep de categorie 20 - 24 jaar, dan zien we, dat in 1957 de dalende lijn is omgebogen tot een stijgende:


















31 december

1947

6113

1956

5269

1948

5919

1957

5178

1949

5929

1958

5198

1950

5934

1959

5329

1951

5799

1960

5354

1952

5640

1961

5494

1953

5602

1962

5746

1954

5422

1963

5828

1955

5328

1964

5988



Een vergelijking met de landelijke percentages wijst uit, dat Leeuwarden nog altijd achterblijft in de leeftijdsgroep 20 - 24 jaar, maar dat het verschil geringer wordt.


Ned.

Lwd

Ned.

Lwd

31 december

1947

74.8

89.3

1956

85.5

94.2

1948

75.8

90.2

1957

86.4

99.6

1949

77.1

91.2

1958

87.9

102

1950

77.8

92.3

1959

89.4

103.5

1951

79.2

93.4

1960

90.7

106

1952

80.8

94.7

1961

92.1

108

1953

82.3

95.2

1962

93.1

109.7

1954

83.3

96.6

1963

94.1

111.1

1955

84.4

97.2

1964

95.1

112.9


















Het aantal bejaarden (65 jaar en ouder) is in Leeuwarden sterk stijgende. Onderstaande grafiek en de daarbij gegeven exacte cijfers geven hiervan een duidelijk beeld.

31 december

1947

6901

1956

8080

1948

7036

1957

8162

1949

7173

1958

8367

1950

7314

1959

8558

1951

7415

1960

8818

1952

7558

1961

9115

1953

7718

1962

9366

1954

7858

1963

9533

1955

7924

1964

9737























































Percentsgewijs is de stijging van het aantal bejaarden in Leeuwarden ongeveer gelijk aan de stijging daarvan in geheel Nederland; het percentage blijft echter in Leeuwarden belangrijk hoger.

De bevolkingscijfers over 1965 konden niet meer in dit artikel worden verwerkt. We geven ze daarom hier als aanvulling.

Bevolking op 1-1-1965 86246, op 1-1-1966 86486. Aantal geboorten 1652, aantal sterfgevallen 690. In Leeuwarden vestigden zich 4037 personen, terwijl 4759 personen Leeuwarden verlieten.

Terug

RECHTSTREEKS NAAR: