Meer woningen

De woningbouw in Leeuwarden is, evenals in het gehele land het geval was, in de wereldoorlog 1940 - 1945 geheel tot stilstand gekomen. Aangezien de vraag naar woningen bleef bestaan en alleen al als gevolg van de stilstand van de productie voortdurend groter werd, lag het voor de hand, dat het evenwicht tussen vraag en aanbod ernstig werd verstoord. De hieruit voortvloeiende woningnood laat zich dan ook gemakkelijk verklaren. In een speciaal hieraan gewijd hoofdstuk wordt daaraan aandacht geschonken.

Na het einde van de wereldoorlog was het zaak op zo kort mogelijke termijn en in een zo hoog mogelijk tempo de woningbouw weer op gang te brengen. De bestrijding van de veelal als volksvijand nummer 1 aangeduide woningnood was echter verre van eenvoudig. Er deden zich daarbij tal van problemen voor. De bouwbedrijven, die vooral op de woningbouw waren ingeschoten, waren een aantal jaren gedoemd geweest tot non-activiteit. Voor het weer opbouwen en op toeren brengen van het bouwapparaat was tijd nodig. Er moesten weer voldoende vakmensen worden aangetrokken, terwijl ook het materieel moest worden vernieuwd en op peil gebracht. Er was voorts schaarste aan de voor de stichting van woningen benodigde bouwmaterialen. Daar kwam bij, dat de geweldige drang naar woningbouw niet in één gemeente voorkwam, maar in het gehele land. In de gegeven omstandigheden was het uiteraard niet mogelijk, althans niet verantwoord, om het spel van vraag en aanbod op het terrein van de bouw van woningen de vrije teugel te laten. Een vorm van distributie van de beschikbare bouwcapaciteit was onvermijdelijk. De ontstellende krapte op de woningmarkt, de ernstige verstoring van het evenwicht tussen vraag en aanbod van nieuwe woningen, bouwmaterialen en dergelijke maakten het voorts noodzakelijk van overheidswege maatregelen te nemen ten aanzien van de bewaking van zowel de huur- als de bouwprijzen.

Het past niet in het bestek van dit overzicht van de woningbouw in Leeuwarden in de jaren 1945 tot en met 1965, om de hierboven bedoelde overheidsmaatregelen in beschouwing te nemen. Het leek slechts juist ter inleiding van dit overzicht aan te stippen, dat zeer vele moeilijkheden moesten worden overwonnen om de woningproductie, ook in Leeuwarden, weer op gang te brengen. Men behoeft zich er dan ook niet over te verwonderen, dat het onmogelijk bleek reeds in het jaar 1945 woningen in aanbouw te nemen.


Naoorlogs begin

Het was op 25 maart 1946, toen van de inspecteur van de volksgezondheid voor Friesland en Zuid-Drenthe een brief werd ontvangen met de mededeling, dat het in de bedoeling lag in 1946 in de provincie Friesland 250 woningen te doen bouwen. Dit aantal was verdeeld over diverse Friese gemeenten, waarbij aan de gemeente Leeuwarden 38 woningen werden toegewezen. Er werd niet medegedeeld op welke wijze de verdeling van de woningen over de diverse gemeenten tot stand was gekomen. Wel werd met nadruk gesteld, dat de toegewezen woningen ook inderdaad zouden moeten worden gebouwd, zo niet door particulieren dan door de gemeentelijke overheid. De inspecteur stelde voorts, dat aan de eigenaren van door oorlogsgeweld verwoeste woningen voorrang moest worden verleend.

Als de eigenaren van verwoeste woningen met hun herbouwplannen gereed waren geweest, als zij in staat waren geweest de financiële consequenties van herbouw te overzien, dan had de laatstgenoemde eis van de inspecteur van de volkshuisvesting ten aanzien van de besteding van het toegewezen contingent woningen beraad nauwelijks nodig gemaakt. De meeste eigenaren van door oorlogsgeweld verloren gegane woningen waren echter nog niet in staat beslissingen te nemen. Het was derhalve zaak de besteding van het toegewezen contingent op andere wijze veilig te stellen. Mede met het oog op de prijsontwikkeling was het slagen van andere particuliere initiatieven inzake de woningbouw voorts allerminst zeker. De ernstige woningnood in de gemeente Leeuwarden was voor het gemeentebestuur voldoende reden om op het gebied van de woningbouw van meet af aan een actief beleid te voeren.

Er waren enkele terreinen beschikbaar, waarop onmiddellijk gebouwd zou kunnen worden. Om de bouw van woningen zo vlot en zo economisch mogelijk te doen verlopen, werd het gewenst geacht eerst die gronden te benutten, welke ten opzicht van de bestaande bebouwing gunstig waren gelegen en geheel bouwrijp waren. Aan deze voorwaarden voldeden enkele terreinen aan de Geranium- en de Dahliastraat (van de woningbouwvereniging “Leeuwarden”) en aan het Cambuurplein (van de gemeente). Reeds tijdens de oorlog had de gemeente, in overleg met deze woningbouwvereniging, woningbouwplannen voor de terreinen aan de Geranium- en Dahliastraat laten ontwerpen. Deze plannen werden onmiddellijk na de toewijzing van het eerste naoorlogse contingent woningen gereproduceerd. De woningbouwvereniging verleende haar medewerking aan de verwezenlijking van dit gemeentelijke plan door de benodigde grond aan de gemeente over te dragen. Het plan omvatte de bouw van 35 eengezinswoningen.

Nadat het gemeentebestuur had besloten tot de bouw van de geprojecteerde 35 woningen, werd reeds op 14 mei 1946, dus slechts anderhalve maand na de toewijzing van het contingent, tot aanbesteding overgegaan. Na verkregen goedkeuring van de minister van openbare werken en wederopbouw werd het werk gegund aan de aannemingsmaatschappij “Friso” te Sneek. De eerste acht woningen van dit complex werden op 5 mei 1947, derhalve precies twee jaar na de beëindiging van de tweede wereldoorlog, voor bewoning beschikbaar gesteld. De laatste woning van het complex kwam op 4 augustus 1947 gereed. Gesteld kan derhalve worden, dat met ingang van 5 mei 1947 een begin is gemaakt met de daadwerkelijke leniging van de woningnood in Leeuwarden.

Verdere woningbouw

Het zou te ver voeren om over de realisering van alle na de oorlog tot stand gekomen woningcomplexen een beschouwing te geven. Opvallend is, hoe snel vervolgens alle krachten op het gebied van de woningbouw zijn gemobiliseerd. Het blijkt namelijk, dat in 1947 reeds werd begonnen met de bouw van niet minder dan 516 woningen. Niet alleen de gemeente was in deze actief. Ook de in de gemeente Leeuwarden gevestigde woningbouwcorporaties kwamen in beweging. Van gemeentewege kon opdracht worden gegeven tot de bouw van 35 onder- en bovenwoningen aan het Cambuurplein, van 71 woningen aan de Maarten Harpertszoon Trompstraat en omgeving en van 286 woningen aan de Marathonstraat. In totaal derhalve 392 woningen. De woningstichting “Leeuwarden - Leeuwarderadeel” liet 16 woningen aan de Tijnjedijk bouwen, de vereniging “Volkshuisvesting” gaf opdracht tot de bouw van 63 woningen aan de Archipelweg en de woningbouwvereniging “Beter Wonen” kon overgaan tot gunning van de bouw van 40 woningen, eveneens aan de Archipelweg. Door particulieren werd ook in 1947 begonnen met de bouw van woningen, zij het, dat het aantal in dat jaar beperkt bleef tot vijf.

In de bijlage is een totaaloverzicht opgenomen van de aantallen woningen, welke na de oorlog tot en met 1965 in aanbouw zijn genomen, respectievelijk zijn voltooid. Daarbij is telkens onderscheid gemaakt tussen de woningbouw vanwege de gemeente, de gezamenlijke woningbouwcorporaties en particulieren.


Gemeentelijke woningbouw

Bij beschouwing van de bijlage met betrekking tot de woningbouwactiviteit van de gemeente blijkt, dat de gemeente tot en met 1962 ieder jaar opdrachten heeft gegeven tot het voor haar rekening bouwen van woningen. Deze opdrachten hadden aanvankelijk alleen betrekking op eengezinshuizen, doch later eveneens op etagewoningen. In het vervolg van dit overzicht wordt op dit onderscheid nader teruggekomen. Met het oog op de ontstellend grote woningnood liet het gemeentebestuur in 1949 een begin maken met de bouw van een complex van 115 eengezinswoningen aan de Van Loon-, de Jan Lievens-, de Aert van der Neer-, de Beethoven-, de Chopin- en de Sweelinckstraat, waarvan 109 woningen zodanig werden gebouwd en ingericht, dat bewoning door twee gezinnen mogelijk was. Dit betekende, dat in die 109 woningen 218 gezinnen zouden kunnen worden gehuisvest. Deze 109 woningen werden aangeduid als duplexwoningen. Het lag in het voornemen, dat deze dubbele bewoning gedurende tien jaren zou worden toegestaan en dat de woningen daarna in “simplexstaat” zouden worden gebracht. Tot heden heeft de ontsplitsing van deze woningen echter nog niet plaats gehad.

Het aantal per jaar door de gemeente in uitvoering genomen woningen vertoont nogal enige schommeling. Figuur 1 geeft hiervan wel een zeer duidelijk beeld. Het in 1947 bereikte aantal woningen bleef voorshands het record. In 1958 evenwel werd dit record geslagen. Toen werd namelijk begonnen met de bouw van 672 woningen en wel met een complex van 270 woningen aan de Julianalaan c.a., 160 woningen aan de Greunsweg en omgeving, 50 woningen aan de Murkstraat en een complex van 192 woningen als begin van de bouw in ’t Heechterp. Het laatstgenoemde complex woningen, met de bouw waarvan werd begonnen op 25 september 1958, vormde de inleiding van de uitvoering van een groot plan van in totaal 1266 woningen. ’t Heechterp was opgezet met acht bouweenheden van elk 24













































eengezinswoningen en 72 etagewoningen, in totaal derhalve 192 eengezinswoningen en 576 etagewoningen of samen 768 woningen en tenslotte 258 maisonnettes en 240 galerijwoningen. Deze galerijwoningen werden gebouwd in drie blokken van 10 bouwlagen; de hoogste woningblokken, die tot dan in Leeuwarden werden gebouwd.

De in opdracht van de gemeente na de oorlog gebouwde woningen zijn in de volgende complexen ondergebracht:

Geranium- en Dahliastraat (eengezinswoningen)

35

Cambuurplein (onder- en bovenwoningen)

35

Maarten Harpertszn. Trompstraat (eengezinswoningen)

71

Maarten Harpertszn. Trompstraat (eengezinswoningen)

2

Marathonstraat (onder- en bovenwoningen)

102

Linnaeusstraat (onder- en bovenwoningen)

184

Julianalaan (eengezinswoningen)

25

Spoorstraat en Kalverdijkje (eengezinswoningen)

60

Van Loon-, Jan Lievens-, Aert van der Neer-, Beethoven-, Chopin- en Sweelinckstraat (waarvan 109 duplex- en 6 eengezinswoningen)

115

Schapendijkje en Corellistraat (eengezinswoningen)

200

Valeriusstraat (etagewoningen)

270

Curaçaostraat (eengezinswoningen)

48

Euterpestraat (eengezinswoningen)

34

Euterpestraat (etagewoningen)

54

Offenbachstraat (onder- en bovenwoningen)

12

Rameaustraat (etagewoningen)

144

Valeriusstraat (etagewoningen)

33

Tijnjedijk (eengezinswoningen)

82

Dirk Boutsstraat (eengezinswoningen)

157

Julianalaan (etagewoningen)

270

Greunsweg (etagewoningen en een aantal bejaardenwoningen)

160

Murkstraat (eengezinswoningen)

50

Heechterp (192 eengezinswoningen en 576 etagewoningen)

768

Curaçaostraat (eengezinswoningen)

32

Heechterp (258 maisonnettes en 240 galerijwoningen)

498

Bovendien werden nog drie woningen gebouwd welke zijn opgenomen in andere gemeentelijke bouwwerken

3

Totaal:

3444


Woningbouwcorporaties

De bijlage geeft eveneens een overzicht van de activiteit van de gezamenlijke woningbouwcorporaties op het gebied van de woningbouw. Zoals vermeld, gaven reeds in 1947 drie woningbouwcorporaties opdracht tot de bouw van eveneens drie woningcomplexen, in totaal omvattend 119 woningen. Ook in de daarop volgende jaren werden soms grote opdrachten gegeven. In dit verband dient vermeld te worden, dat ook de woningstichting “Leeuwarden-Leeuwarderadeel” overging tot de bouw van een complex duplexwoningen. Zijn deze woningen uiteindelijk bestemd voor de huisvesting van 50 gezinnen, voorlopig zouden hierin 100 kunnen worden ondergebracht.

Alhoewel de woningbouwcorporaties reeds kort na de wereldoorlog de woningbouw ter hand hebben genomen, bleef deze kwantitatief toch achter bij de gemeentelijke woningbouw. Het zou tot het einde van de twintigjarige periode, waarover dit overzicht handelt, duren, alvorens hierin een wel zeer duidelijke verandering zou komen. Ter illustratie mag hiervoor worden verwezen naar figuur 1.

Het aantal door de woningbouw beschikbaar gestelde woningen kan als volgt worden onderverdeeld:

Namen woningbouwcorporaties

In uitvoering genomen woningen

Voltooide woningen

“Beter Wonen”

980

456

“Sint Joseph”

626

164

“Leeuwarden-Leeuwarderadeel”

352

332

“Patrimonium”

1006

844

“Volkshuisvesting”

724

400

“Ned. Centrale Huisvesting Bejaarden” (Greunshiem)

31

31


Totaal:

3719

2227

De genoemde aantallen kunnen als volgt worden gespecificeerd:



























































Particuliere bouw

Opmerkelijk is, dat de particuliere bouw na de oorlog niet snel op gang is gekomen. Eerst in 1947 werd begonnen met de bouw van de eerste vijf particuliere woningen. Uit de bijlage blijkt, dat dit aantal de volgende jaren wel hoger is geworden, doch erg hoog zou de woningproductie in deze sector voorshands niet worden. Het is echter volkomen verklaarbaar, dat er van particuliere zijde aanvankelijk weinig geneigdheid bestond om over te gaan tot de bouw en vooral exploitatie van woningen. De kostprijs van deze nieuwe woningen zou immers belangrijk hoger zijn dan vóór de oorlog het geval was.

Dat de particuliere woningbouw later in de gemeente Leeuwarden toch op gang is gekomen, is vooral te danken aan de maatregelen van de rijksoverheid. Ter stimulering van de activiteit van de bouwondernemers en ter verlaging van de netto kostprijs van de particuliere woningen - waardoor dus zou moeten worden bereikt, dat de woningen met een maximaal toelaatbare huuropbrengst toch een sluitende exploitatie te zien zouden geven - heeft de overheid namelijk besloten ook de particuliere woningbouw te subsidiëren. De eerste hiertoe vastgestelde regeling was de financieringsregeling woningbouw 1947. Deze is in de loop van de jaren verschillende keren gewijzigd, verbeterd en vervangen.

Het aantal zonder overheidssteun tot stand gekomen particuliere woningen bleef zeer beperkt, doch heeft in de laatste jaren een aanzienlijke verhoging te zien gegeven. In de jaren 1958 tot en met 1965 werden 1226 woningen zonder overheidssubsidie in uitvoering genomen. Dit aantal kon worden bereikt, mede dank zij het in uitvoering komen van enkele bijzondere gebouwen, namelijk de verzorgings- of pensiontehuizen “Nijlân State”, “Aldlân State”, “Greunshiem” en twee verzorgingsflats aan het Europaplein. Deze tehuizen omvatten respectievelijk 111, 269, 236, 54 en 54 of in totaal 724 wooneenheden.

In totaal zijn, inclusief de genoemde verzorgings- of pensiontehuizen, door particulieren in aanbouw genomen 3888 woningen, een aantal, dat hoger ligt dan de vergelijkbare cijfers van de gemeente en de gezamenlijke woningbouwcorporaties. In de particuliere sector werden 3210 woningen voltooid.


Verhoudingen

Alles tezamen zijn na de tweede wereldoorlog plannen tot uitvoering gekomen, in totaal omvattende 11051 woningen, terwijl 8881 gereed kwamen. In dit verband wordt er op gewezen, dat de vijfduizendste woning, als hoedanig aangemerkt de woning Beukenstraat no. 6, op 25 november 1959 gereed kwam. De sleutel van deze woning werd met enige feestelijkheid aan de toekomstige bewoner uitgereikt.
















































































De in de bijlage vermelde cijfers zijn verwerkt in enkele grafieken, waaruit duidelijk blijkt, hoe de ontwikkeling is geweest ten aanzien van de woningbouw in zijn totaliteit en tevens van de woningbouw door de gemeente, de woningbouwcorporaties en particulieren. Figuur 1 heeft betrekking op de per jaar in uitvoering genomen woningen, terwijl figuur 2 een beeld geeft van het per jaar gereedgekomen aantal huizen. In figuur 3 is tenslotte een overzicht gegeven van de jaarlijks in totaal tot uitvoering gebrachte aantallen woningen, gesteld tegenover het aantal jaarlijks gereedgekomen huizen.


Laag en hoog

Vóór de oorlog werden in Leeuwarden hoofdzakelijk eengezinswoningen gebouwd. Daarmede werd onmiddellijk na de oorlog voortgegaan. Voor een betere benutting van de grond, om de totale grondkosten per woning te drukken, werd voorts overgegaan tot de bouw van onder- en bovenwoningen. Zowel uit financiële als uit stedenbouwkundige overwegingen moest al vrij spoedig na de oorlog een andere wijze van woningbouw worden toegepast, namelijk de bouw van woningen in verschillende etages. De verhouding tussen het aantal eengezins- en etagewoningen is in de loop van de jaren sterk in het voordeel van laatstgenoemde categorie woningen uitgevallen. Van de door de gemeente gebouwde 3444 woningen waren namelijk 1993 opgenomen in flatgebouwen, terwijl 1118 eengezinswoningen en 333 onder- en bovenwoningen werden gebouwd. Bij de woningbouw door de woningbouwcorporaties doet zich een zelfde ontwikkeling voor. In totaal werden in aanbouw genomen 3719 woningen, te weten 499 eengezinswoningen, 219 onder- en bovenwoningen en 3001 etagewoningen. Het aantal voltooide woningen bedroeg 2227 en wel 209 eengezinswoningen, 219 onder- en bovenwoningen en 1799 etagewoningen.

De gemeente en de woningbouwcorporaties namen tezamen 7163 woningen in uitvoering. Daarvan waren 4994 of bijna 70 % etagewoningen. De etagebouw varieert van 3 tot 12 bouwlagen en kan worden onderscheiden in verschillende typen. Zo werden plannen in uitvoering genomen voor portiekwoningen, galerijwoningen, waarbij, evenals bij de portiekwoningen, alle vertrekken van een woning zich op hetzelfde niveau bevinden, maisonnettes met de woon- en de slaapetage op verschillend niveau en splitlevelwoningen, waarbij het ene woninggedeelte telkens een halve etage hoger of lager ligt dan het andere. Ook bij de particuliere woningbouw heeft de bouw van etagewoningen gedomineerd. Het aantal etagewoningen dat na de oorlog in deze sector werd gebouwd, bedroeg 2039, het aantal onder- en bovenwoningen 206 en het aantal eengezinswoningen 1643. De bouw van de hierboven genoemde verzorgings- en pensiontehuizen heeft hierop uiteraard een zeer belangrijke invloed gehad.


Uitrusting van de woningen

De uitrusting van de woningen, ook die welke gebouwd werden door de gemeente en de woningbouwcorporaties, is steeds beter geworden. In dit verband wordt met name gewezen op het aanbrengen van liften in de blokken etagewoningen en de centrale verwarming. Werden steeds de woningblokken tot en met vier lagen, ook wanneer deze werden gebouwd boven een onderbouw, uitgevoerd zonder lift, thans is een duidelijk streven merkbaar om ook in gebouwen tot deze hoogte een liftinstallatie aan te brengen. De eerste liften in de gemeentelijke woningbouw werden aangebracht in een vijftal woningblokken in ’t Heechterp. De woningbouwvereniging “Beter Wonen” besloot als eerste corporatie tot de bouw van enkele liften en wel in een complex van 100 woningen aan de Antillenweg.

Tot het centraal verwarmen van woningen, gebouwd met financiële steun van de overheid op voet van de woningwet 1901, ging als eerste over de vereniging “Volkshuisvesting” en wel in haar complex van 229 woningen aan de Vuurdoornstraat en omgeving. De gemeente volgde dit beleid door 411 van het in ’t Heechterp gebouwde complex van 498 woningen centraal te verwarmen. De woningbouwvereniging “Beter Wonen” besloot tot hetzelfde ten aanzien van haar bovengenoemde complex van 100 woningen. De ontwikkeling op dit gebied is nadien in een snel tempo doorgegaan. Het aanbrengen van een centrale verwarmingsinstallatie is thans reeds een normale eis geworden. Van de tot 31 december 1965 vanwege de gemeente en de woningbouwcorporaties in uitvoering genomen woningen zullen 1944 of 27,1 % voorzien zijn van een centrale verwarming. Ten aanzien van de particuliere woningbouw heeft zich een geheel overeenkomstige ontwikkeling voorgedaan.


Bouwmethoden

De in de loop der jaren aan de gemeente toegewezen bouwcontingenten werden door het gemeentebestuur onvoldoende geacht om een wezenlijke bijdrage te vormen tot leniging van de woningnood. Een steeds toenemende stijging van het aantal woningzoekenden illustreerde dit standpunt. De impasse, waarin de gemeente dientengevolge was komen te verkeren, dwong het gemeentebestuur naar middelen en wegen te zoeken om de woningbouw zo hoog mogelijk op te voeren. Daarbij diende in sterke mate te worden gestreefd naar een grotere continuïteit in de bouw, het verkorten van de bouwtijd door het opvoeren van het bouwtempo, het volledig benutten van alle mogelijkheden tot rationalisering en het toepassen van systeembouw. Dit ging te meer klemmen naarmate in het toewijzingsbeleid van de betreffende minister de plaatselijke bouwcapaciteit een grotere rol ging spelen en derhalve het aantal woningen dat in de gemeente gebouwd zou kunnen worden, in belangrijke mate zou worden beïnvloed door het aantal bouwondernemers en het aantal beschikbare arbeidskrachten. Er zou naar moeten worden gestreefd met het beschikbare potentieel een zo groot mogelijk aantal woningen te bouwen. Op grond van deze overwegingen besloot de gemeenteraad op 2 mei 1956 tot het toepassen van systeembouw. Er werd overgegaan tot de bouw van een aantal houtrijke woningen. Het systeem, dat bij de bouw van deze woningen werd toegepast, was, dat de voor- en achtergevels en de binnenwanden van deze, als eengezinswoningen ontworpen woningen, werden geprefabriceerd. In totaal werden op deze wijze 157 woningen gebouwd, namelijk 49 aan de Aert van der Neerstraat c.a., 22 aan de Van Loonstraat c.a. en 86 ter weerszijden van de Pieter Stuyvesantweg.

Op grond van de hierboven genoemde overwegingen zette het gemeentebestuur zijn pogingen voort om op zo snel mogelijke wijze de woningnood op te lossen. Door toepassing van arbeidsbesparende bouwmethoden en door te zorgen voor continuïteit bij de bouw zou tot een aanmerkelijke versnelling van de woningbouw kunnen worden gekomen. Met dit oogmerksloot het gemeentebestuur in 1958 een aannemingscontract voor de bouw van meer dan 1000 woningen, te bouwen in de wijk ’t Heechterp, volgens het systeem van de Rijnlandse Beton Maatschappij (R.B.M.). Hierbij worden de muren en de vloeren van beton gemaakt. Dit beton werd gestort in kisten, die voor het gehele werk kunnen worden gebruikt. Het werk kan in twee delen worden gesplitst, namelijk de stichting van acht, geheel identieke bouweenheden en een vijftal blokken maisonnettes en drie blokken galerijwoningen. Elke bouweenheid van het eerste deel van het werk omvatte 3 blokjes van elk 8 eengezinswoningen en 2 blokken etagewoningen van elk 36 woningen, in totaal per bouweenheid derhalve 92 woningen. Het eerste deel van het werk betrof dus de bouw van samen 768 woningen. Interessant is, dat dit werk werd begeleid door het adviesbureau voor bedrijfsorganisatie van het raadgevend bureau ir. B.W. Berenschot N.V. te Hengelo. Dit bureau heeft over de voortgang van het werk, over de doelmatigheid en de arbeidsbesparing regelmatig uitvoerig gerapporteerd. Uit het eindrapport blijkt, dat op 25 september 1958 met de bouwwerkzaamheden werd begonnen. De eerste van de 768 woningen werd opgeleverd op 15 november 1959 en de laatste op 15 december 1961. Het bureau heeft berekend, dat dit bouwsysteem een tijdbesparing, in vergelijking met de traditionele bouw, heeft gegeven van ongeveer 380 werkbare dagen. Dit betekent, dat het werk ongeveer 85 kalenderweken, dat is meer dan anderhalf jaar, later gereed zou zijn gekomen, wanneer dit aantal woningen op traditionele wijze zou zijn gebouwd. Ook bleek duidelijk, dat belangrijk minder geschoolde vakmensen bij de bouw behoefde te worden ingeschakeld.

Helaas kon de uitvoering van het tweede deel van dit werk niet in aansluiting op het eerste deel geschieden. Het gevolg hiervan is geweest, dat de zo zeer gewenste continuïteit ernstig werd verstoord. De bij het eerste deel van het werk gevormde werkploegen vielen uiteen en daar kwam bij, dat de situatie op de arbeidsmarkt zeer moeilijk werd. De voordelen van de systeembouw van het tweede deel van dit werk, welke echter niet zijn gemeten, kwamen daardoor niet tot uiting. Ook de woningbouwvereniging “Beter Wonen” ging over tot de bouw van haar complex van 100 woningen aan de Antillenweg volgens een efficiënt bouwsysteem, eveneens van de R.B.M.

Dezelfde woningbouwvereniging sloot vervolgens tezamen met de woningstichting “Sint Joseph” en de gemeente een contract met een aannemingsbedrijf voor de bouw van 1196 woningen in de uitbreidingsplannen Lekkumerend en Bilgaard, eveneens te bouwen volgens een efficiënt en arbeidsbesparend systeem. Daarbij dient te worden opgemerkt, dat hierbij een samenwerking ontstond met particuliere instanties, die besloten volgens hetzelfde systeem 844 woningen in Bilgaard te bouwen. Daarbij werd gesproken van 3 bouwstromen: één stroom speciaal voor eengezinswoningen, één stroom voor de in het plan opgenomen splitlevelwoningen en één stroom voor een aantal galerijwoningen, in totaal omvattende 2040 woningen.

Een nog grotere arbeids- en tijdsbesparing zou worden verkregen door de woningen zo veel mogelijk in een fabriek te bouwen. De arbeidsvoorwaarden zouden daarbij in de eerste plaats veel gunstiger kunnen worden, aangezien de weersomstandigheden geen invloed meer zouden hebben. Bovendien ging daarmee gepaard een nog grotere efficiency en rationalisatie. De uit de fabriek afkomstige grote elementen zouden op de bouwplaats moeten worden gemonteerd. Aangezien de woningen onmiddellijk na montage glasdicht zouden zijn, betekende dit, dat ook op de bouwplaats zelf veel langer en onder veel gunstiger omstandigheden zou kunnen worden gewerkt. Op initiatief van het gemeentebestuur gaven de woningstichting “Patrimonium” en de vereniging “Volkshuisvesting” in 1965 opdracht aan het te Kootstertille gevestigde bedrijf van de N.V. Noordelijke Bouwelementen Industrie tot de bouw van 486 galerijwoningen in het uitbreidingsplan Bilgaard.


Verloop van de bouwkosten

De bouwkosten van de woningen hebben een voortdurend stijgende lijn te zien gegeven. Ter illustratie zij vermeld, dat de bouwkosten van de eerste naoorlogse woningen, derhalve het complex van 35 woningen aan de Geranium- en de Dahliastraat, gemiddeld ƒ 7934,- per woning bedroegen. In deze kosten waren begrepen het architectenhonorarium, de kosten van dagelijks toezicht, de kosten van aansluiting op het openbaar riool en de leidingen van de nutsbedrijven, het renteverlies enz., docht niet de grondkosten.

De laatst in uitvoering genomen woningen zijn die, welke voor rekening van “Volkshuisvesting” en “Patrimonium” door de N.V. Noordelijke Bouwelementen Industrie in het plan “Bilgaard” worden gebouwd. De bouwkosten van deze woningen bedragen gemiddeld ƒ 20.000,- per woning. De sterke stijging van de bouwkosten is niet verwonderlijk, aangezien de drie categorieën, waaruit de bouwkosten zijn opgebouwd, te weten de lonen, de materialen en de overige kosten, ook voortdurend zijn gestegen. Overigens is een vergelijking van de onderscheidene complexen uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk. De plannen zijn immers lang niet aan elkaar gelijk. De uitvoering van het ene plan kostte stellig veel meer arbeidsuren dan die van het andere. Bij het ene plan werden duurdere materialen toegepast dan bij de andere. Zelfs de berekening van de bouwkosten per kubieke meter van elk plan zou derhalve nog een volkomen onjuiste vergelijkingsbasis geven. Dat de stijging van de bouwkosten in Leeuwarden niet excessief is geweest moge overigens blijken uit de volgende bouwkostenindexcijfers voor woningwetwoningen, verstrekt door het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Jaar

Index-cijfer

1950

100

1951

110

1952

114

1953

112

1954

117

1955

129

1956

144

1957

156

1958

156

1959

153

1960

157

1961

162

1962

171


Huurprijzen

Ook de huurprijzen van de na de oorlog gebouwde woningen zijn gestegen. De te constateren verhoging van de huurbedragen is een gevolg van de sinds 1951 regelmatig toegestane algemene huurverhogingen. Opgemerkt dient echter te worden, dat lang niet alle huurverhogingen op de naoorlogse woningcomplexen konden worden toegepast. In deze werd gehandeld volgens voorschriften van de rijksoverheid. Zo zijn de huren van bijvoorbeeld de 35 aan de Geraniumstraat en de Dahliastraat, die aanvankelijk werden vastgesteld op ƒ 4,70 per woning per week, successievelijk verhoogd tot ƒ 12,80 per 1 januari 1966. Van recenter gebouwde woningen werden de huren niet of slechts in beperkte mate verhoogd.

De volgende algemene huurverhogingen mochten sinds 1 januari 1951 in de gemeente Leeuwarden worden toegepast:


Datum van ingang

Procentuele
verhoging

Index(1940=100)

1 januari 1951

15

115

1 januari 1954

23

141

1 september 1955

5

149

1 augustus 1957

25

186

1 april 1960

20

223

1 september 1962

11

247

1 juli 1964

12.5

278

1 januari 1966

10

306


Verloren gegane woningen

Tegenover de totstandkoming van 8881 nieuwe woningen na de oorlog, waarin dank zij de bouw van in totaal 159 duplexwoningen in totaal 9040 gezinnen konden worden gehuisvest, staat een verlies van 2245 woningen. 958 Woningen werden aan de bestemming onttrokken, omdat zij voor bedrijfsdoeleinden in gebruik moesten worden genomen of gesloopt of omdat zij moesten worden afgebroken ten behoeve van het uitvoeren van diverse openbare werken. 1287 Woningen moesten worden ontruimd, omdat zij onbewoonbaar waren verklaard. De netto winst aan woningen na de oorlog bedrog derhalve 6636. Hierbij dient ten slotte nog te worden aangerekend, dat op 1 januari 1966 nog 244 onbewoonbaar verklaarde woningen moesten worden ontruimd.

BIJLAGE

Overzicht van de in de jaren 1945 tot en met 1965 in de gemeente Leeuwarden in uitvoering genomen en voltooide woningen.


































Terug
RECHTSTREEKS NAAR: