Miedema’s ‘Kleine oorlog’
In 2005 heeft de toenmalige directeur van het Verzetsmuseum Friesland, Gerk Koopmans, de dagboeken doorgelezen en op historische waarde geschat. Het artikel dat hij naar aanleiding van de dagboeken geschreven heeft is gepubliceerd in aflevering nr. 19 van het historisch tijdschrift Leovardia, een uitgave van de Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd en het Historisch Centrum Leeuwarden. Het commentaar is geschreven naar aanleiding van de eerste webversie van de dagboeken. Inmiddels is er een nieuwe webversie met een vernieuwde lay out en datering. Het advies van Gerk Koopmans is opgevolgd en het leesgemak verbeterd.
door: Gerk Koopmans
In de stroom van aanwinsten die archieven en musea jaarlijks aangeboden krijgen, zit geregeld een pareltje en, heel af en toe, een juweeltje.
Het Oorlogsdagboek van Goffe Miedema dat het Historisch Centrum Leeuwarden, evenals zijn bedrijfsarchief, in bewaring kreeg is een voorbeeld van een aanwinst die er uit springt. Zo’n stuk schreeuwt om in de etalage gelegd te worden, met als het even kan een flinke spot erop. Het Verzetsmuseum Friesland kreeg een paar jaar geleden ook zo’n bijzondere aanwinst: tien dikke cahiers die door de tiener To Hofstra die tijdens de oorlog in Sneek woonde, waren volgeschreven en vooral volgeplakt met allerhande knipsels en documenten.
Deze twee unieke dagboeken die beide over de Tweede Wereldoorlog gaan hebben sinds enige tijd de plek die ze toekomt: ze liggen integraal in de etalage die internet heet en zijn daar voor iedereen waar ook ter wereld in te zien, compleet, 24 uur per dag, zeven dagen per week. Beide dagboeken zijn volledig en beslaan de hele oorlogsperiode en ze zijn beide met grote regelmaat bijgehouden en staan beide bol van de kleine, curieuze gegevens die nooit in de grote geschiedwerken worden vermeld.
Tot zover de overeenkomsten, verder zijn er vooral grote verschillen tussen deze twee oorlogsdagboeken, zowel wat betreft de schrijvers en de oorspronkelijke vorm en inhoud als de digitale overzetting.
Het bijhouden van een dagboek
Op woensdag 29 maart 1944, een dag na deze uitzending, schreef Anne Frank in haar dagboek:
‘Lieve Kitty, gisterenavond sprak minister Bolkesteyn aan de Oranjezender erover dat er na de oorlog een inzameling van dagboeken en brieven van deze oorlog zou worden gehouden. Natuurlijk stormden ze allemaal direct op mijn dagboek af. (...) het moet ongeveer 10 jaar na de oorlog al grappig aandoen als men vertelt hoe wij als Joden hier geleefd, gegeten en gesproken hebben.’
Anne Frank hield toen al bijna twee jaar een dagboek bij dat als ‘Het Achterhuis’ wereldwijd verreweg het beroemdste dagboek van de Tweede Wereldoorlog is geworden. Ze was bepaald niet de enige die zonder de oproep van minister Bolkestein al bezig was met het bijhouden van een dagboek, velen waren daar zelfs al vanaf de eerste dag van de oorlog aan begonnen.
Het consequent bijhouden van een dagboek vereist een behoorlijke discipline. Meestal wordt met veel enthousiasme begonnen, maar na zekere tijd zakt dat in, het bijzondere wordt weer gewoon en niet elke dag levert iets vermeldenswaardigs op. Voor je het in de gaten hebt, is er eerst een dag, dan een week en vervolgens een maand overgeslagen en dat betekende meestal het einde van het dagboek schrijven.
Ook Goffe Miedema loopt hier tegenaan: ‘12 juni 1942 - Ja, wat moet ik schrijven? Er gebeurt wel veel maar alles glijdt langs je heen als je het je zelf niet treft’.
Goffe Miedema en To Hofstra behoren echter tot de doorzetters, zij hebben vanaf het begin van de oorlog en tot na de bevrijding hun dagboek letterlijk bijgehouden.
Een oorlog zonder titel
Dan is het beter om leentjebuur te spelen bij Louis Paul Boons ‘Mijn kleine oorlog’. Boon beschrijft daarin het leven van heel gewone mensen in oorlogstijd. Ze hebben honger, lijden kou, profiteren, krijgen klappen en hebben soms ook een keer geluk. Het stelt allemaal niet zo veel voor. Geen groots oorlogsepos maar de oorlog teruggebracht tot het niveau van de buurt, de straat en gezin, het verhaal van een kleine oorlog zoals die zich op duizenden plekken heeft voorgedaan: Miedema’s kleine oorlog.
Authenticiteit
Gemiddeld eens in de twee weken schrijft hij iets op, meestal met vermelding van de datum. De verdeling van de tekst over de oorlogsperiode is onevenwichtig: de periode van 1 september 1939 tot eind 1941 beslaat ruim 12 pagina’s, het jaar 1942 telt 12 pagina’s, 1943 beslaat 35 pagina’s, 1944 heeft 48 pagina’s en 1945(tot 17 juli) krijgt 43 pagina’s.
Maar er is meer aan de hand, meteen in het begin al. Het eerste deel is namelijk gedateerd als zondagmorgen 1 september 1939. Het stuk dat dan volgt beslaat 8 pagina’s en beschrijft de laatste maanden van 1939, heel 1940 en gaat door tot 29 juli 1941. Vanaf die datum begint Miedema met een geregelde verslaglegging die correspondeert met de kalendertijd. Verder staat in het slot van dat beginstuk (gedateerd 1 sept. 1939) een heel vreemde datumaanduiding: nu eind augustus 1941 terwijl het volgende tekstgedeelte begint met als datum: 29 juli 1941!
We stuiten hier op een fors probleem: de authenticiteit van het dagboek. Beschikbaar is de door hem zelf in 1967 overgetypte versie; het originele handschrift is verloren gegaan en we kunnen helaas aan Miedema zelf niets meer vragen inzake de transcriptie.
In het geval van Miedema’s dagboeken is er geen zekerheid dat hij z’n handgeschreven tekst heeft overgetypt zonder hier en daar wat wijsheid van 22 jaar na de oorlog toe te voegen dan wel een al te evidente fout te herstellen.
De versie die op internet staat is ook weer een transcriptie van Miedema’s typoscript. Ook in die overzetting is weer een aantal fouten geslopen. De internetlezer moet het dus doen met een derdehandse editie...
Echt jammer is dat de originele documenten die Miedema in zijn dagboek had toegevoegd, zoals krantenknipsels, bonnen, brieven, kindertekeningen en foto’s voor een belangrijk deel zijn weggelaten.
De Oorlogsschriften van To Hofstra zijn integraal en in originele vorm op internet gezet. Brieven die met envelop ingeplakt zijn, zijn apart gescand, zowel voor- als achterzijde. Dat zelfde geldt voor ingeplakte brochures waarvan elke bladzijde te bekijken is. De handgeschreven teksten zijn overgetypt om ze voor jongere lezers makkelijker leesbaar te maken en digitaal doorzoekbaar maar ze staan altijd tegelijk met de originele tekst op het scherm.
De bezorging
Dat komt het begrip niet ten goede. Een paar voorbeelden. Miedema schrijft ergens dat het wat koud in de kamer is, maar 55 graden... Dat lijkt om te stikken. En toch is het geen tikfout, want Miedema hanteert de Fahrenheit-schaal destijds gebruikelijk en 55º F is 14,5º Celsius en dat is inderdaad wat fris in huis.
Op een andere plek schrijft Miedema over de gijzelaar Buzio en de toespeling die hij op deze figuur maakt is voor de lezer van nu onbegrijpelijk. Maar Buzio was een bekende en populaire clown die op toneel bedekte grappen over de bezetters maakte.
De website van To’s oorlogsschriften heeft een duidelijk educatief doel. Om die reden is er aan de integrale weergave een verklarende laag toegevoegd bestaande uit een woordenboek, een persoonsregister een plaatsnamenregister, een chronologie van de Tweede Wereldoorlog en een biografische toelichting op het gezin Hofstra inclusief de hond.
De wijze waarop Miedema’s kleine oorlog digitaal is bezorgd, is nogal summier. Het verdient echt aanbeveling om deze bron met de toewijding die hem toekomt te ontsluiten.
Waar gaat het over
To richt zich erg op de buitenkant van de oorlog, ze stelt zich op als een verslaggever. En dat doet ze met oog voor opmerkelijke details. Miedema is veel meer met zichzelf en de kleine en grote probleempjes van zijn gezin en zaak bezig. Dat loopt uiteen van veelvuldige aandacht voor de stoelgang tot de steeds terugkerende tobberijen over de in- en verkoop.
De tiener geeft vaker blijk van inzicht en waarnemingsvermogen dan de zakenman. Zij is, met de beperkingen van haar leeftijd, een denkertje, hij een doener die de oorlog als een lastige verstoring van het normale (zaken)leven ervaart.
In zoverre vullen beide Friese dagboeken elkaar mooi aan. To geeft geen enkel inzicht hoe ze zich voelt en de dingen ervaart. Miedema geeft een perfect inkijkje in de psyche, leef- en woonsituatie van een weldenkende, doorrendoor fatsoenlijke zakenman die in de eerste plaats denkt aan zijn gezin en zaak.
Miedema’s dagboek leent zich uitstekend om een aantal thema’s uit te werken. Een paar suggesties: Nieuwsvoorziening, wat was er bekend bij de gewone burgers over de toestand in de wereld? Zakendoen in bezettingstijd, in- verkoop, belastingen, export, distributie. Aanpassen aan de omstandigheden of zoals Miedema het noemt, met de stroom meezwemmen. Humor in een benarde tijd, er staan veel grappen en moppen uit die tijd in het dagboek. Gezinsleven, geboorte, ziekte, dood. Communicatie, briefverkeer, reizen, telefoongebruik. Houding ten opzichte van de joden(vervolging) of de NSB. Over al deze zaken schrijft Miedema veelvuldig. Door al die passages thematisch te ordenen ontstaat er inzicht en wordt de ontwikkeling in het denken van Miedema als representant van een doorsnee middenstander in een doorsnee stadje duidelijk. Miedema’s anti-Engelse houding bijvoorbeeld verandert naarmate de oorlog vordert of misschien beter gezegd naarmate de Engelse legers dichterbij komen...
Privacy? What privacy?
Goffe Miedema is heel wat openhartiger en gunt ons een kijkje in zijn intiemste gedachten. De relatie met zijn vrouw, het verschil in seksuele behoeften, de verhouding met ouders en schoonouders, de manier waarop de karakters van de drie dochters zich ontwikkelen, we krijgen het allemaal te weten. Aangezien de kinderen van Miedema toestemming hebben gegeven voor het internetiseren van de dagboeken is dit verder geen probleem.
Al weer wat anders ligt het met de collega’s die Miedema ten tonele voert en waar hij van aangeeft dat ze ‘fout’ zijn. Soms worden er alleen maar initialen gebruikt. Het is niet duidelijk of dat door Miedema zelf in de oorspronkelijke tekst is gedaan, of later bij het overtypen of toen het voor internet is overtikt. Het is in ieder geval niet consequent gedaan. In een en hetzelfde tekstblokje (4 februari 1945) heeft hij het over boer S. in Franeker, een klant van hem waar hij wat tarwe en suikerbieten probeert los te krijgen. ‘S. is NSB-er en z’n vrouw is een dochter van boerenleider B. uit Vrouwbuurt. Als je niet over politiek praat, dan is er met deze mensen zeer goed om te gaan’. Even verderop is de S. gewoon voluit de familie Sijtsma geworden. Opvallend is dat bevriende collega’s die fout zijn altijd met initialen worden aangeduid maar concurrenten en mensen die duidelijk buiten Miedema’s inner circle staan gewoon voluit genoemd worden.
Echt pijnlijk is het geval van de werknemer waar Miedema duidelijk niet veel mee op heeft. Van deze man worden zonder omzichtigheid de slechte eigenschappen vermeld tot en met het plegen van diefstal van bedrijfseigendommen aan toe. De kwestie wordt binnenskamers opgelost, niemand weet er verder iets van. Maar nu, zestig jaar later komt de kwestie, met de naam van de dader voluit, alsnog in de openbaarheid, wereldwijd. Aan zijn kinderen is waarschijnlijk niet gevraagd of ze konden instemmen met deze openbaarmaking.
Ben ik mijns broeders hoeder?
29 maart 1942
(...) een jood is heel geschikt, ook in de winkel al moest je wel wat oppassen als je zaken met hem deed, maar een troep joden is iets onplezierigs (...). De joden gaan wel heel erg het loodje leggen, alles wat de Duitschers mis gaat is hun schuld en zal op hen gewroken worden. Het is een pesten zonder enige grond van redelijkheid op een groep mensen die wat anders dan de Westerlingen is. Een groep mensen die waarschijnlijk iets meer geniale exemplaren bezit en mogelijk ook wat meer slemielen
15 juli 1942
De joden zijn enige weken geleden gekeurd en gaan spoedig weg om in Polen te gaan werken, zo heet het tenminste. Die mensen zitten er dus nog veel meer tussen omdat ze geen dag zeker van hun eigen leven kunnen zijn. Af en toe een uitspraak van een N.S.B.’er of van een Duitsche autoriteit die verklaart dat Europa van de pest der joden bevrijd zal worden, het morele peil staat wel hoog.
20 september 1942
Als je het vergelijkt met de problemen waar de Joden voor geplaatst zijn dan vallen eigen moeilijkheden in het niet. Zelfmoord is er aan de orde van de dag, om te ontkomen aan het transport naar Polen om puin te ruimen en dat bijna zonder eten waardoor velen zullen bezwijken. Veel wordt er niet over bekend. De Joodse gezinnen worden totaal uit elkaar gehaald en waarom moet dat nu ? Een eerlijke en faire manier zou toch zijn om hen een gebied aan te wijzen waar deze mensen zouden kunnen wonen als men er in Duitschland zo fel op gebrand is. Waarom deze haat? Maar niet te veel aan denken, je wordt er maar beroerd van. Het is nu eenmaal zo dat een mensenleven niet veel telt, en een Joods leven helemaal niets meer.
29 december 1942
Op straat zie je haast geen Joden meer. Ik geloof niet dat er hier in Leeuwarden nog veel zijn, de meesten zijn weggevoerd en komen vermoedelijk nooit terug. Voor de radio werd bekendgemaakt dat voor 1 januari alle Joden uit West-Europa naar werkkampen in Polen overgebracht moeten zijn, maar zouden ze daar ooit levend uitkomen? Vanuit de concentratiekampen uit ons land gaan de transporten dan in dicht getimmerde treinen naar Polen en dan moet men maar raden naar de beestachtigheden die vermoedelijk met deze mensen uitgehaald worden. (...) Af en toe denk je je deze ellende in, maar veelal lopen we er maar haastig aan voorbij, je wordt er maar beroerd van als je er aan denkt, en ben ik mijns broeders hoeder?
7 februari 1943
Toch is het aantal moppen niet zo groot meer, zou het komen dat veel joden weggevoerd zijn?
14 februari 1943
In de krant stond dat joden uit Slowakije opgehaald werden wegens sabotage daden en nu zouden weten wat werken is in de concentratiekampen, terwijl dit weghalen van de joden uit Duitschland ook versneld ter hand genomen werd. Ook hier op straat tussen 3 en 5 uur (de enige uren dat joden nog in winkels mogen komen) ziet men nog maar weinig van deze “mensen”. Het lijkt wel of het beesten zijn. Vermoedelijk worden ze bij duizenden vermoord door ondervoeding en mishandeling. Er komt nooit iemand terug uit een concentratiekamp zodat er ook niets uitlekt wat er nu eigenlijk aan de hand is. Hitler heeft eens gezegd dat Europa bevrijd zou worden van de jodenpest.
12 augustus 1943
Volgende week begint het schooltje weer zodat Moeder de hulp weer kwijt is in de huishouding! Want wassen en plassen is Marijke’s lust en haar leven.
Dat hadden de Joden ook wel eens mogen doen in het huis dat ze bewoonden en waar Tiet en Willem nu in gekomen zijn want dat zag er vreeselijk uit vertelde Moeder.
9 mei 1945 (!)
Nu de Duitsers weg zijn krijgen we de Joden terug, een teken dat het leven weer normaal wordt. Ik denk dat het anti semitisme wel wat zal zijn toegenomen omdat die mensen wat met andere ogen worden bekeken dan voor de oorlog, mogelijk niet zo welwillend. Er is wat teveel over hen gesproken en geschreven en daar blijft wel het één en ander van hangen. Ik hoorde van een gezin waar een Joods echtpaar vier jaar lang was ondergedoken, een prestatie en een opgaaf voor de mensen. Nu deze Joden weer in eigen huis terug zijn begonnen de opmerkingen en verwijten los te komen inplaats van dankbaar te zijn dat ze niet in een of ander concentratie kamp opgesloten waren. De Joden zijn me nooit zo sympathiek geweest wegens de ervaringen uit de zaak van voor de oorlog, ze zijn veelal te pienter, misschien vervolgde Hitler hen daarom ook zo genadeloos. Vreemde dingen kun je ook nog met hen beleven.
Als Miedema vandaag deze teksten zou schrijven dan zou hij onmiddellijk een aanklacht wegens discriminatie aan de broek krijgen. Toch is Miedema niet een doorgewinterde antisemiet. Zijn visie op de Joodse medeburger is een vrij algemene visie in die tijd. Voor ons als lezers van de 21e eeuw zijn het ronduit onthutsende opmerkingen die joden karakteriseren als smerig, te pienter dan wel schlemielig, ondankbaar, onbetrouwbaar en als tweedehands scharrelaar dan wel moppentapper. Bovendien is het plan om ze samen te brengen, te concentreren in een eigen gebied een ‘eerlijke en faire’ behandeling voor “deze mensen”.
Echte verontwaardiging over het wegvoeren van gewone medeburgers uit huizen waar ze soms al generaties lang hebben gewoond klinkt er niet. Dat was waarschijnlijk wel anders geweest als er in de grote kennissenkring van de familie Miedema ook joden waren geweest.
To reageert anders op de deportatie van de Sneker joden. Een voorbeeldje, ergens in haar schriften heeft ze een advertentietje geplakt. Een een-kolomertje dat melding maakt van een winkelpand dat te huur is. Niets bijzonders toch? Maar het bijschrift van To is in z’n beknoptheid veelzeggend: ‘Hier woonde een joods gezin...’ Zonder dit bijschrift zou het een nietszeggende advertentie zijn geweest, To’s toelichting onthult de tragedie die er achter schuil gaat. De tiener To geeft hier blijk van een dieper inzicht in de grootste misdaad van de twintigste eeuw dan de volwassen vader die vast blijkt te zitten in z’n stereotype opvattingen maar, zoals hij zelf schrijft, een troost is er, alleen stond ik niet.
De houding van al die Miedema’s uit de periode 40-45 is een treffende illustratie van de uitspraak van Edmund Burke (1729—1797) All that is necessary for the triumph of evil is that good men do nothing.
Wat hebben we gelachen
Ter afwisseling van het zware thema hiervoor een prachtige anekdote:
12 augustus 1943
Iemand die drie jaar met geheugenverlies in een gesticht was geweest kreeg plotseling z’n verstand terug en werd de maatschappij ingestuurd maar wist van de oorlog niets af. De man kreeg honger en dorst en stapte het eerste het beste goede hotel binnen en bestelde een borrel, dat leek hem na die drie jaar onthouding een goed begin. De hotelhouder keek echter zeer bedenkelijk en fluisterde: dat kan wel meneer, maar alleen een zwarte. Wat zei de klant een zwarte borrel, is dat wel een goed drankje? Ja meneer prima, prima. Nu ja dacht de klant in die drie jaar is er wellicht wat veranderd in de naam van de verschillende dranken. De borrel kwam en was lekker, alleen de kleur was vreemd genoeg toch niet zwart, er werd een tweede en een derde besteld die even goed smaakten waarna een diner opgegeven werd. De ober vertelde dan krijg ik van U zoveel vlees- en zoveel vetbonnen. Bonnen? Nooit van gehoord en de ober haastte zich om te vertellen dat het ook wel zwart kon. De zwarte borrels waren goed geweest dan zou het zwarte diner ook wel smakelijk opgediend kunnen worden en inderdaad het was piekfijn in orde. Een zwarte sigaar completeerde het festijn. De rekening werd gepresenteerd en was ƒ 45,-. Wie is hier nu gek, ben ik het of zijn jullie hier met elkaar niet goed snik om een dermate hoog bedrag te noemen. De klant kon hoog springen of kon laag springen, de nota bleef ƒ 45,-. Het spijt me wel maar ik heb maar ƒ 15,- bij me zei de klant en haalde een gouden tientje en twee zilveren rijksdaalders te voorschijn. Oh mijnheer dat is al lang goed en de ober holde met het tientje naar de kassa om het even te wisselen voor ƒ 150,- zodat de klant nog een handvol briefjes terug kreeg met de opdruk: De Nederlandse Bank betaalt aan toonder enz. Hoofdschuddend en zeer wantrouwend verliet onze herstelde patiënt het hotel. Hij was pas uit een gesticht ontslagen doch bedacht dat de mensheid in z’n geheel ook wel een poosje opgeborgen mocht worden en de hotelier in het bijzonder. Alles zwart en dan ƒ 45,- vragen voor een diner, en voor een gouden tientje ƒ 150,- geven! Er lopen meer gekken buiten rond dan er opgeborgen zitten.
Ten slotte
Na de oorlog heeft menigeen z’n houding tijdens de bezettingstijd flink opgepoetst. Het leek soms of, behalve een handjevol verraders en de vervolgde joden, Nederland uitsluitend bevolkt was met onverschrokken verzetsstrijders.
Goffe Miedema is niet een van die oppoetsers. Zijn dagboek houdt hem dicht bij de werkelijkheid.
Op 9 mei 1945 schrijft hij: Om als zakenman op alles ‘Nee’ te moeten zeggen was niet goed mogelijk. In elk geval dat is nakaarten en ik heb meestal ‘Ja’ gezegd, en met mij de meeste anderen. (...) ik heb zoet voor de Duitsers gewerkt, heb een radio ingeleverd. Een troost is er, alleen stond ik niet.
Miedema’s dagboek is een diamant van een hoog karaat. Alleen, het is een ruwe diamant, nog niet gekloofd en ongeslepen, de werkelijke waarde is nu absoluut niet zichtbaar. Zoals in het hoofdstukje over de bezorging al is aangeroerd: de wijze waarop deze diamant nu de www-etalage ligt, is voor verbetering vatbaar.
Miedema’s kleine oorlog is, anders dan de titel suggereert van groot, heel groot belang.
