Brievencollectie Eekhoff

René Kunst


Brieven vormen misschien wel het meest veelzijdige en betekenisvolle genre van alle ’documents humains’ die ons uit het verleden overgeleverd zijn. Ze kunnen de feitelijke gegevens bevatten die we voor ons onderzoek nodig hebben, maar ze bezitten bovendien de dimensie van het persoonlijke standpunt ten opzichte van die gegevens, een intiem perspectief dat in de meeste historische bronnen vrijwel ontbreekt. Daarbij blijft een ander hooggewaardeerd ’intiem’ genre als het particuliere dagboek in één belangrijk opzicht bij de brief ten achter: een brief impliceert een confrontatie, een wisselwerking met een andere persoon, die als het goed is voor verrassingen zorgt en voor beide correspondenten - en daarmee voor de lezer - zowel feitelijk als persoonlijk steeds nieuwe perspectieven opent.
Bestudering van een brievenverzameling, geconcentreerd rond één persoon, is het betreden van een labyrint van betrekkingen rondom die persoon. Naarmate er zich voor de lezer een steeds fijnmaziger weefsel van almaar nieuwe betrekkingen ontvouwt, wordt hij onweerstaanbaar verder naar binnen getrokken; hij laat zich niet meer tegenhouden door een minder interessante brief, omdat even verder toch altijd weer de belofte opdoemt van een nieuw vergezicht.
Ook de brievenverzameling van de negentiendeëeuwse Leeuwarder boekhandelaar, archivaris en historicus Wopke Eekhoff brengt dat proces van fascinatie teweeg.

Wopke Eekhoff, geboren 1809 in Leeuwarden, was enige zoon van een verarmde zilversmid en moest, ofschoon begiftigd met een zeer goed verstand, op zijn dertiende aan het werk bij de drukker en boekhandelaar G.T.N. Suringar in zijn geboortestad. Eekhoff heeft zich zijn geestelijke bagage voor een belangrijk deel dus buiten de gebruikelijke kanalen om moeten verwerven, maar wist zich te ontwikkelen tot een van de beste Friese historici van de negentiende eeuw. Zijn carrière in het kort: in 1829 won hij de Nutsprijs met zijn Levensschetsen van beroemde Friezen, in 1834 werd hij lid van het Friesch Genootschap, waarvan hij enkele jaren later bestuurslid werd. Een zeer begeerde erkenning voor zijn kundigheid ontving hij in 1838 met zijn aanstelling als stadsarchivaris van Leeuwarden, de eerste benoeming in een dergelijke functie in Nederland. Het jaar daarop opende hij zijn boekhandel en uitgeverij op de hoek van de Wirdumerdijk en de Peperstraat, die snel uitgroeide tot een bloeiende zaak. Eekhoff werd een begrip in Leeuwarden en Friesland; ook buiten Friesland onderhield hij met tal van geleerden en andere geletterden contact. Tot kort voor zijn dood in 1880 bleef hij publiceren, en sommig werk is nog steeds van betekenis voor het huidige regionaal- en lokaalhistorische onderzoek.
Om het correspondentie-archief van deze man naar waarde te kunnen schatten moeten we een aantal van de hierboven globaal geschetste gegevens in een wat persoonlijker licht bezien.


De man
Over de periode tot rond zijn twintigste levensjaar, toen zijn stroom van publicaties zo ongeveer een aanvang nam en al meteen blijk gaf van een uitgesproken belangstellingssfeer en levenshouding, heeft Eekhoff zich in geschrifte eigenlijk nauwelijks uitgelaten. Wie hem in die tijd op intellectueel gebied hebben gestimuleerd en min of meer begeleid (zijn Groninger oom-boekhandelaar, de meer welgestelde familie van zijn moeder (Gorter), zijn patroon Suringar?), daar kan alleen over worden gespeculeerd. Vast staat wel dat hij over het vermogen beschikte, zich in zijn maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling door anderen te laten helpen. Concreet aanwijsbaar zijn zijn contacten op zijn negentiende met de bekende Friese amateur-ingenieurs en -filosofen Arjen Roelofs, Roelof Hessels Hommema en Worp van Peyma. Voormalig gouverneur jhr. Idzert Aebinga van Humalda en even later mr. Arent van Halmael traden explicieter als Eekhoffs beschermheren op. Ook Eekhoffs langdurige persoonlijke epistolaire relatie met oudere wijze heren, als de letterkundige professor Jan Willem de Crane, verzamelaar-koopman Freark Dirks Fontein en de numismaat ds. Hendrik Muntingh, en zijn niet geheel gelijkwaardige verhouding tot de bewonderde Joost Hiddes Halbertsma suggereren zijn behoefte aan ondersteunend contact. Als autodidact werd hij door sommigen neerbuigend bejegend en men voelt dat hij soms zijn positie onzeker bepaalt.
Zijn misschien wat verminderde vorm van zelfstandigheid wil niet zeggen dat Eekhoff er geen duidelijke opvattingen op nahield; dat deed hij wel en hij stak die van meet af aan nadrukkelijk niet onder stoelen of banken. Ofschoon zijn beide ouders hervormd waren, liet hij zich op zijn twintigste mennist dopen en bleef zijn hele leven in godsdienstig opzicht ondogmatisch en strijdbaar vrijzinnig, vooral praktisch gericht, zonder zichtbare neiging tot het mystieke. Hij beoefent al zijn intellectuele activiteiten nagenoeg zonder vaagheid, bijna altijd maximaal concreet. Ook zijn dichtkunst, aanvankelijk nog in de zwevende trant van die dagen, verliest al snel haar pretentie van het diepe gevoel en beperkt zich voortaan tot een niet eens onplezierig woordgeknutsel; toen E.J. Potgieter plaatsing van Eekhoffs verhaal Edwer in het tijdschrift Tesselschade weigerde, erkende de auteur zonder zichtbare pijn ’niet zeer Romantisch’ te zijn.
Deze zeer praktische man, die als historicus in stad en provincie een sleutelpositie innam, verleende zijn diensten gul aan wie die behoefde. Daarbij blijft het opvallend dat hij met jongeren nauwelijks de soort van persoonlijk getint mentoraat heeft opgebouwd die hij zelf zo vaak van zijn oudere vrienden genoten had. Misschien is het dat wel wat J.J. Kalma in zijn kort Eekhoff-portret in Dit Wienen ek Friezen deed schrijven dat er ’in stik iensumens om him hinne wie’.
Het meest zichzelf is Eekhoff misschien wel als onderzoeker op terreinen waar hij van elke ambitie tot diepzinnigheid op vakantie mag en waar hij alleen op zoek hoeft naar de meest feitelijke, ’fysieke’ gegevens; in elk geval bezit hij daarvoor met zijn doeltreffende, doortastende tekstlezing en zijn praktisch oordeel de juiste instelling. Hij bemoeit zich met heel veel. Zo met de landbouw, economisch en technisch, met de sterrekunde, met civiele techniek. Wanneer hij zich overigens op natuurwetenschappelijk terrein toch even een filosofen-rol vergunt, bijvoorbeeld bij de in de negentiende eeuw haast onvermijdelijke problematiek van het perpetuum mobile, hanteert hij - in een artikel in de Leeuwarder Courant van 13 november 1832 - een verrassend ontspannen, gedistantieerd-ironische toon.
Als stelselmatig verzamelaar en opschrijver van historische feiten komt hij tot zijn hoogste bloei. In zekere zin treedt hier voor ’diepzinnigheid’ een soort ’volledigheids’-streven in de plaats, die zijn werk een nieuwe legitimatie verschaft. Hoogtepunt is dan ook zijn Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, waarin hij de ontwikkeling van de fysieke gedaante van zijn stad van de Middeleeuwen tot in zijn eigen tijd beschrijft op een manier die een hecht en ’compleet’ beeld oplevert. Maar ook zijn hardnekkige verzamelactiviteiten voor stadsarchief, stedelijke bibliotheek en stedelijke kunstverzameling leveren in hun totaliteit een soort complete gestalte op van de stad waarvan hij zich in dienst had gesteld en die hij daarmee een historische identiteit heeft verschaft. En in wezen geldt voor zijn prachtige uitgave van de Nieuwe Atlas van Friesland iets vergelijkbaars.


Zijn collectie
Het is dus - ongeveer - deze persoon die in het centrum staat van een omvangrijke brievencollectie. Wat zich daarvan nu onder de signatuur 9246 Hs in de Provinsiale Biblioteek bevindt vormt niet Eekhoffs gehele epistolaire nalatenschap. Behalve de brieven die zich ongetwijfeld nog verspreid in diverse Nederlandse verzamelingen (bijvoorbeeld die van de U.B. Amsterdam) moeten bevinden, is ook Eekhoffs aandeel in de Halbertsma-collectie en in de portefeuille ’Opstellen over Jacobus van Deventer’, beide eveneens in de PB (resp. 6185 en 9253 Hs), substantieel. Samen met de stukken in het Historisch Centrum Leeuwarden (archief Gemeentearchivaris, inv.nrs. 38-47) vormen ze met zo’n 2300 stuks een bijwijlen fascinerende weerspiegeling van Eekhoffs interesses en persoonlijkheid, ook al ontbreken nagenoeg de brieven in de exclusief private sfeer. Maar uiteraard komen ook Eekhoffs correspondenten - zij schreven zo’n 90% van de aanwezige brieven - soms fraai in beeld. Dat geldt voor het totaal van de bijna 600 personen en instanties uit wie het letterenrepubliekje bestond waarin hij, als stadsarchivaris, historicus, bestuurslid van het Fries Genootschap, zakenman en veelzijdig geïnteresseerd intellectueel, meestal zeer actief en gedreven ’netwerkend’ optrad. Het geldt natuurlijk vooral voor de twintig of dertig personen met wie de correspondentie zich door een langere duur ook in persoonlijk opzicht wist te intensiveren. We ontmoeten er de romanschrijver, volkskundige, politicus enz. Jacob van Lennep, met zij typische neus voor kwaliteit en bijna altijd genereus - soms een beetje te gemakkelijk - in zijn waardering. De dominees Hendrik Muntingh, zachtmoedig, mededeelzaam over het verloop van zijn over vele jaren slepende ziekte, en Joost Hiddes Halbertsma, soms een stuk sarcastischer, Fries cultuurpaus, volkskundige, literator enz. Een belangrijke medeverzamelaar als Frederik Muller, en vooral J.T. Bodel Nijenhuis, die met Eekhoff bijna veertig jaar lang in een wederzijds bombardement van vragen en antwoorden over feiten en feitjes gewikkeld is die ze bij hun verzamel- of publicistisch werk nodig hadden, maar die hem soms ook ongevraagd van een persoonlijker advies dient (’verslaaf U niet aan de handel’, ’word geen slaaf van de kansel’), of - bijvoorbeeld over zijn conservatisme - over zichzelf bekentenissen doet. Voor een representatieve, laat staan volledige opsomming van Eekhoffs correspondenten ontbreekt hier de plaats en we kunnen ons overzicht maar het best afsluiten, op het gevaar af dat de lezer zou kunnen denken dat Eekhoff niet met zijn collega-bibliothecarissen en -archivarissen correspondeerde, of dat hij het betoog zou moeten missen waarin de numismaat J.E.H. Hooft van Iddekinge uiteenzet dat het juist goed is dat zijn correspondent geen echte geleerde is.


Ontstaan en toegankelijkheid
De collectie die zich nu onder signatuur 9246 Hs in de Provinsiale Biblioteek bevindt, is ontstaan uit de samenvoeging door J.J. Kalma ergens in de periode 1950-1964 van enerzijds de verzameling die blijkens de aanwinstenlijst van 1913, na het overlijden van Eekhoffs zoon Johannes Theodorus, door de familie aan de P.B. werd overgedragen, en anderzijds de verzameling die in het jaarverslag 1911/1912 van het Fries Genootschap als schenking door één van Eekhoffs dochters wordt vermeld. Het is denkbaar dat er nog enkele verspreide brieven aan zijn toegevoegd; sommige lijken in principe in het Genootschapsarchief thuis te horen, waar zich overigens nog steeds enkele nota-achtige Eekhoff-brieven bevinden. Merkwaardige ongerijmdheid vormt ook nog de correspondentie met Ds. Muntingh, die in 1913 door de PB als aanwinst werd geboekt, door Kalma in zijn regestenlijst ook aan het P.B.-fonds werd toegeschreven, maar wel in haar geheel van Genootschapsstempeltjes is voorzien... Enige verwarring zal er rond deze verzameling wel blijven bestaan.
De collectie is oorspronkelijk toegankelijk gemaakt door J.J. Kalma, die in twee schriften alle brieven in chronologische volgorde met beknopte inhoudsopgave opsomt. Op basis hiervan en van Hoekema’s overzicht op blz. 98-103 van zijn Eekhoff-biografie, heeft M.H.H. Engels in 1996 een alfabetisch op naam van de correspondent ingerichte ’Inventaris’ opgesteld, terwijl een chronologische lijst van Kalma’s inhoudsopgaven in de computer is ingevoerd; het zou een goede zaak zijn wanneer aan die inhoudsopgaven nog even de namen van de betreffende correspondenten werden toegevoegd.


Literatuur
Het uitgebreidst en belangrijkst is de evenwichtige en zorgvuldige studie van C.P. Hoekema, ’Een leven onder en in een kroon’ in: C.P. Hoekema e.a., Eekhoff en zijn werk. Leven en werken van Wopke Eekhoff (1809-1880), stadsarchivaris en boekhandelaar te Leeuwarden (Leeuwarden 1980), p.9-103. Een psychologisch portret door iemand die de hele brievenverzameling lijkt te hebben doorgelezen, en waarin met name Eekhoffs autodidact-zijn als uitgangspunt is genomen, treft men in ’Wopke Eekhoff (1809-1880). Boekhanler-gelearde’ in: Dit wienen ek Friezen I (Ljouwert 1964), p.72-77, van de hand van J.J. Kalma, die hier en in zijn ’De bibliotheek van het Fries Genootschap’ in De Vrije Fries LIX (1979) ook enkele terloopse opmerkingen over de samenvoeging van de twee oorspronkelijke brievencollecties maakt. Het meest recente portret is dat van Jan Folkerts in De Vrije Fries 82 (2002): ’"Een pedante kerel, overigens zeer geschikt". De stadsarchivaris Wopke Eekhoff (1809-1880) en het Fries Genootschap’.

Het bovenstaande artikel van René Kunst verscheen eerder in: Jacob van Sluis (ed.), PBF: de Provinsjale Biblioteek fan Fryslân: 150 jaar geschiedenis in collecties, Leeuwarden 2002

Terug