De ambtsketen van de burgemeester

Loco burgemeester J. Tiekstra hing burgemeester W. Harmsma op 18 april 1965 de ambtsketen om.

Hoewel een Nederlandse zilverfabriek in een reclamefolder ooit sprak over de ‘bijna 2000-jarige traditie’ van de ambtsketen, heeft de burgemeestersketen in Nederland ‘slechts’ een geschiedenis van 150 jaar. Wel heeft men zich in de vorige eeuw laten inspireren door ordeketens uit de zeventiende eeuw. De Leeuwarder ambtsketen bijvoorbeeld lijkt nogal op de gouden keten van de door het Britse koningshuis gestichte Guelfenorde. Ook bij deze Engelse keten is er sprake van naar links en rechts lopende leeuwen in waakhouding en monogrammen als motieven. Onderaan kon het ‘military grand cross’ worden gehangen.

Van de oude beschavingen kenden alleen de Egyptenaren op enige schaal halssieraden toe aan ambtenaren, die zich verdienstelijk hadden gemaakt. De Romeinen gebruikten vooral ‘lictores’ - soort van stokken of roeden - als attribuut. Naar het voorbeeld van de Romeinen raakten in de middeleeuwen bij met name koningen en keizers scepters in zwang, terwijl stadsbestuurders als teken van gezag steeds vaker een roede gingen dragen. Het is bekend dat in bijvoorbeeld Zwolle en Groningen nog in de achttiende eeuw dergelijke stadsroeden werden gebruikt door de vier ‘burgemeesteren’ bij vonnissen, executies van boedels en festiviteiten.

Ook in Leeuwarden is hoogst waarschijnlijk een tweetal stadsroeden bewaard gebleven. Er is over deze voorwerpen helaas nagenoeg niets in de verschillende administraties is terug te vinden. In de loop van de vorige eeuw zijn de twee stokken onder beheer gekomen van de brandmeesters, het toezichthoudend orgaan op de stedelijke brandweer. Aangezien de burgemeester dit college voorzat en de stokken minstens achtteinde-eeuws zijn, lijkt een oorsprong als stadsroede waarschijnlijk. Onlangs is een van deze stokken weer eens gebruikt en wel bij de inhuldiging van de nieuwe burgemeester.

Het is tekenend voor de geest van de negentiende eeuw, dat de keten opnieuw ‘in de mode’ kwam. Iemand als Napoleon liet zich sterk inspireren door de symboliek van het Romeinse keizerrijk, terwijl koning Willem II vooral teruggreep naar de Gothiek. In 1840 nam de laatste ter gelegenheid van zijn troonsbestijging een nieuwe kroon, scepter en rijksappel in gebruik. De makers vervaardigden later ook ambtsketens voor burgemeesters. In ieder geval ontstond in de eerste helft van de negentiende eeuw een sterke behoefte om de waardigheid van het ambt van burgemeester te versterken.

De algemene regeling van de onderscheidingstekenen van de burgemeester had ook een formele voorgeschiedenis. In 1824 was een K.B. van kracht geworden t.a.v. het dragen van een ambtskostuum van de burgemeesters in de steden. De plattelandsburgemeesters hoefden slechts een oranje lint met een penning te dragen. De ene zijde van deze penning moest het rijkswapen bevatten; de andere kant de naam van de gemeente. Men maakte dit onderscheid tussen steden en dorpen vermoedelijk omdat de aanschaf van een ambtskostuum in kleinere plaatsen te kostbaar werd geacht. Overigens was in 1811 de ‘maire’ van Leeuwarden al eens aangeschreven door het (toen nog Franse) provinciebestuur om zich ‘onverwijld te voorzien van het vereiste kostuum met de toegekende distinctieven’. Een eeuw geleden maakte de Leeuwarder burgemeester nog gebruik van het speciale ambtskostuum.

Na nog vrij moeizame discussies over o.a. de keuze tussen sjerp en lint en zilver of vergulsel, werd middels het K.B. van 16 november 1852 de onderscheidingstekenen van burgemeesters definitief vastgesteld. Het eerste artikel bepaalt, dat de "onderscheidingsteekenen, door den burgemeester te dragen, bestaan in een zilveren penning, hebbende eene middellijn van veertig strepen en vertoonende aan de eene zijde het wapen des Rijks, aan de andere dat der gemeente; de penning, hangende op de borst, hetzij aan eene zilveren keten, hetzij aan een oranje zijden lint; de keten of het lint op beide schouders, aan den rok of het opperkleed vastgehecht".

Artikel 2 noemt de gelegenheden wanneer de keten (of het lint) gedragen moeten worden. In de eerste plaats natuurlijk als de burgemeester de raad voorzit en bij andere "plegtige gelegenheden namens de gemeente", maar ook ingeval van brand of ordeverstoringen. Omdat de keten in principe altijd voorhanden diende te zijn, had een aantal burgemeesters in den lande dan ook de beschikking over een reserve-exemplaar. In Leeuwarden kan de burgemeester heden ten dage nog steeds kiezen tussen een "daagse" en een "zondaagse" keten.

Toen in de loop van 1853 alle gemeenten daadwerkelijk een keten moesten laten vervaardigen, bleek al snel dat verreweg de meeste gemeenten in zee wilden gaan met de Utrechtse stempelsnijder D. Van der Kellen. Deze firma had een landelijke reclamecampagne gevoerd en wist zelfs een aantal Commissarissen des Konings zover te krijgen dat ze voor hen gingen bemiddelen bij gemeenten. In Friesland ging het weer eens anders. De Friese Commissaris jhr. van Panhuys pleitte bij diverse gemeentebesturen ervoor de burgemeestersketens te laten vervaardigen bij de Leeuwarder zilversmid-graveur Tjeerd Annes Keikes. Onder meer Dokkum, Baarderadeel, Westdongeradeel, alsook Leeuwarden bleken ontvankelijk voor de druk van hogerhand.

Op 14 december 1852 deelden B.&W. Van Leeuwarden het volgende aan de Commissaris mee: ‘Wij hebben de eer UhoogEdGestr. In antwoord op Uwe missive dd. 9 december 11. Afdeeling No. 3111, betrekkelijk de vervaardiging van het onderscheidingsteeken voor de Burgemeesters, bij deze te berigten, dat de Raad alhier besloten heeft de kosten van dat teeken voor het Hoofd van het Bestuur dezer Gemeente uit de Gemeente Kas te voldoen. Als een gevolg hiervan geven wij UhoogEdGestr. tevens kennis, dat wij het aanbod van den Graveur Keikes, vermeld in UhoogEdGestr. Missive, aannemen en aan hem het wapen onzer Gemeente daartoe bereids hebben doen geworden."

Keikes maakte het zich niet gemakkelijk en leverde een prachtstuk af. Behalve de leeuwen uit het stedelijk wapen gebruikte hij het monogram SPQL (Senatus Populus Que Leovardiensis) en verbond deze door een schakelketting. Dit originele en sierlijk gebruik van leeuwen en monogrammen werd slechts zelden toegepast: behalve voor de ambtsketens van Leeuwarden ook voor die van Rotterdam. Keikes kan zonder twijfel worden beschouwd als een zeer kundig zilversmid. Hij werkte voor vele notabelen in en buiten Friesland. Zelfs koning Willem III en Keizer Napoleon II hebben werk van zijn hand aangekocht. Ook de (eerste) bronzen erepenning van de stad uit 1836 werd door hem vervaardigd. Het Fries Museum bezit van Keikes o.m. een zeer fraai zilveren inktstel, dat door tijdgenoten ‘een meesterstuk van drijfwerk’ werd genoemd.

De Leeuwarder burgemeestersketen is gelukkig niet zoals in veel gemeenten aangepast of zelfs weggeraakt, maar nog in originele staat en aanwezig op de plaats waar hij hoort. In het stadhuis onder beheer van de burgemeester.

Terug