Protocol van besteding van wezen uit het Old Burger Weeshuis, 1619-1824
In de protocollen van besteding (Archief OBW, inv.nrs. 124-127 en 129) werd vastgelegd bij wie de weesjongens werden uitbesteed, voor welk ambacht zij werden opgeleid, de vergoeding welke de betreffende ambachtsman aan het weeshuis diende te voldoen en de periode dat de pupil bij zijn meester onder contract stond. Afhankelijk van de leeftijd van de weesjongens werden deze contracten steeds weer voor een aantal jaren verlengd, totdat na het bereiken van de meerderjarige leeftijd uitzetting volgde. De meeste weesjongens worden dan ook meerdere malen genoemd. Ook kon na enige tijd blijken dat een weesjongen totaal ongeschikt was voor het uitoefenen van een ambacht, waarna uitbesteding bij een andere patroon volgde. Zo kon een kleermakersgezel wegens zweterige handen na verloop van tijd bij een timmerman of koperslager worden geplaatst. Soms kwam het voor dat met wezen wegens hun weerbarstige houding geen land te bezeilen viel, zodat de patroon genoodzaakt was bij de voogden van het weeshuis zijn beklag te doen. Dat wezen wegliepen was dan ook geen uitzondering. De meesten echter zouden na het voltooien van hun opleiding nog vele jaren als gerespecteerde vaklieden deel uit maken van de Leeuwarder gemeenschap.
