De Prinsentuin

door drs. R.L.P. Mulder-Radetzky en drs. G.P. Karstkarel

Het prachtlievende hof in de strenge vestingstad

Gezicht op de vijver met het terras in de Prinsentuin, omstreeks 1900. Op de achtergrond gaat het Zomerhuis met balcon schuil achter het groen van de bomen
De Saksische hertogen kozen vlak voor 1500 en kort nadat ze hun gezag in Friesland hadden gevestigd, Leeuwarden tot residentie. Ook Karel V die Friesland van de Saksen kocht en zijn zoon Philips II handhaafden Leeuwarden als hoofdstad. In de 15e eeuw - misschien zelfs al in de eeuw daarvoor - bezat de stad al een eenvoudige stadsverdediging van wallen en grachten om vijanden, landlopers en gespuis te beletten om in de stad te komen. Enkele jaren voor de hertogen van de Saksen naar Leeuwarden kwamen, waren de Leeuwarders aan het werk getogen om hun stad van een goede vestingwal met poorten, rondelen en eilandvormige ravelijnen te voorzien De Saksen bouwden in de zuidoosthoek van de stad bovendien een blokhuis, een omgracht en omvest gebied van waaruit hun troepen de stad en het land in de gaten konden houden.

Na de opstand bleef in de jaren 1580 de dreiging van Spaanse troepen bestaan en werd in 1581 begonnen met de verbetering van de stadsverdedigingswallen. Precies in het midden van de noordelijke wal kwam een fors bastion met teruggetrokken flanken tot stand: de noorderdwinger. Vervolgens werd in 1583 in het noordoosten de Amelandsdwinger aangelegd. Vanaf 1584, toen graaf Willem Lodewijk van Nassau-Dietz als stadhouder naar Friesland kwam, werden de werkzaamheden aan de fortificaties in overleg met deze krijgskunde zeer onderlegde commandant van de Friese troepen uitgevoerd. Joost Mattheus, een uit Aalst afkomstige ingenieur, is er ook bij betrokken geweest. Na 1584, toen het ravelijn voor de Hoeksterpoort tot stand was gekomen, bleef het werk echter rusten tot men in 1597/’98 het ravelijn voor de Wirdumerpoort legde. Opnieuw werd het werk gestaakt. Zo had Leeuwarden omstreeks 1600 een tweeslachtige stadsverdedigingsgordel met flinke wallen en enkele goede bastions en ravelijnen. Maar in de zuidoostelijke hoek moest een gehandhaafd ouwerwets rondeel van het overigens ontmantelde blokhuis zorgen voor flankering van grote stukken wal. Tegen het moderne geschut was het kleine ravelijn voor de Vrouwenpoort eveneens hoogst onvoldoende.

Tijdens de wapenstilstand kwam in 1612 de verbetering van de wallen weer ter sprake, maar vijf jaar later werd pas serieus aan uitvoering gedacht. Men ging Willem Lodewijk om hulp en advies vragen en hij heeft inderdaad voorstellen gedaan voor vorm en structuur van een nieuw, groot ravelijn voor de Vrouwenpoort. De bestaande bastions werden gemoderniseerd door de flanken te wijzigen en de grote noorderdwinger werd vervangen door twee nieuwe, de Wisses- en de Doeledwinger. Ook op de noordwestelijke hoek kwam een dwinger. De zuidelijke stadsuitleg (Zaailand en omgeving) werd een soort schiereiland waar het Wirdumer ravelijn deel van ging uitmaken. Het werd aan de zuidzijde van nog twee bastions voorzien. In 1622 moeten de plannen voor het voltooien van de bastionering in een vergevorderd stadium geweest zijn, want Pieter Feddes vervaardigde in dat jaar in opdracht van het stadsbestuur een kaart van de stad waarop ook de zuidoostelijke stadsrand van bastions is voorzien. Die plannen zijn niet uitgevoerd en latere kaarten laten dan ook een niet geheel voltooide gebastioneerde stadsvesting zien.

Midden in deze omveste stad kwam de stadhouder te wonen. Gedeputeerden kochten in 1587 een kort tevoren gebouwd huis dat uit drie rechthoekige vleugels bestond waarvan de middelste ver achter de rooilijn lag en aldus een voorplein vormde. Het gebouwencomplex aan de bocht in de gracht tussen Eewal en Herenwaltje is door de vierde stadhouder, Willem Frederik, voor zijn huwelijk met Albertina Agnes verbouwd en verfraaid. De middenpartij en oostelijke vleugel kregen een renaissance karakter, terwijl de westelijke vleugel laatgotisch bleef. Tijdens het regentschap van Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau werden middenpartij en oostelijke vleugel door hofarchitect Daniël Marot opnieuw verbouwd. Op een fraaie geveltop aan de voorplein-zijde na, moest de renaissance plaatsmaken voor een vrij strenge Lodewijk XIV-stijl, waardoor Johan Willem Friso en Maria Louise van Hessen-Kassel in een goeddeels vernieuwd paleis kwamen te wonen. Toen hun zoon Willem Carel Hendrik Friso met de Britse koningsdochter Anna van Hannover ging trouwen - huwelijken waren bijna steeds aanleiding om gebouwen en tuinen te verfraaien - werd in de tuin aan de achterzijde een vleugel bijgebouwd, waarin o.a. een hofkapel en een balzaal werden ingericht, maar het kan ook een drastische verbouwing geweest zijn van een al bestaande galerij. De niet erg gunstig gelegen tuin achter de hoge vleugels van het Stadhouderlijk Hof was niet uitgestrekt. Deze bestond uit enkele formeel aangelegde perken en het was geen wonder dat de stadhouderlijke familie al spoedig de behoefte voelde om elders een tuin die het nuttige met het aangename verenigde, te stichten.


De lusthof in de Doeledwinger (1648)

Portret van stadhouder Willem Frederik (1613-1664), die in het vredesjaar 1648 de Prinsentuin stichtteIn 1648 verzocht de Friese Stadhouder Willem Frederik graaf van Nassau-Dietz het stadsbestuur van Leeuwarden om een deel van de Doeledwinger, een bastion in de noordelijke verdedigingswallen, voor de aanleg van een lusthof te mogen gebruiken. De vroegere legercommandant kon zich in de komende periode van vrede - de vrede van Münster was pas gesloten - geheel wijden aan zijn bestuurlijke taak als stadhouder van Friesland.

Hoewel de wallen en bastions (dwingers) eigenlijk alleen voor verdedigingsdoeleinden mochten worden gebruikt en voor het garanderen hiervan droeg het stadsbestuur de verantwoordelijkheid, kon het verzoek moeilijk worden geweigerd. Bij raadsresolutie van 25 februari 1648 werd het volgende besloten: "Syn Exel.tie Wilhelm Frederich, Grave toe Nassau, Stadthouder en Capitein Generaal van Frieslandt etc., geaccordeert het gebruick van de ledige plaets gelegen in de Doeledwinger, tot 18 à 20 voeten nae aen de achtergevels van de camers, staende op de noordzijde van de Doeleoosterstraet volgens de afpalinge rede gedaen; om die selve rontsom te mogen afstecken, het staket te stellen op de kruijn van de Stadts wall, 12 voeten van de binnenkant af nae de borstwering; omme die selve plaets bij Syn Exel.tie tot een lusthoff, ofte andersins, nae welbehagen van Syn Exel.tie, geimploijeert te worden."

Na deze inwilliging van zijn verzoek liet de stadhouder het terrein opmeten, omheinen en beplanten. De eerste aanleg werd ontworpen door jonker Doecke van Hemmema, kolonel-kapitein bij de garde van Willem Frederik. Hemmema zorgde voor de verfraaiing van de tuin ter gelegenheid van het huwelijk van Willem Frederik met Albertine Agnes, dochter van de Hollandse stadhouder Frederik Hendrik. Het Haagse Hof waaraan Albertine Agnes was opgegroeid, was aanmerkelijk grootser en aanzienlijker dan het Friese Hof. Met de verfraaiing van de tuin wilde de stadhouder zijn jonge vrouw behagen.

Fragment van de stadsplattegrond van Leeuwarden door uitgever Frederik de Wit. Het geeft de toestand uit het midden van de zeventiende eeuw weer. De stadhouderlijke tuin in de Doeledwinger was toen nog maar net aangelegdDe Hofstad Den Haag was in die tijd bekend vanwege de prachtige buitengoederen in haar nabijheid. Doecke van Hemmema haastte zich dan ook om bij de dichter Jacob Cats, de stichter van één der fraaiste buitengoederen, Zorgvliet, dat thans onder de naam Catshuis algemeen bekend is, adviezen in te winnen.

De Prinsentuin volgens het ontwerp van Hemmema moet de aanblik hebben getoond van een renaissancetuin, zoals we die uit de zestiende eeuw kennen, met "schone gewassen, lange galerijen van hooge linden als in een perspectief geplant, benevens een vijver met fonteinen, beeldwerk en prieëlen", aldus Eekhoff in "De Stedelijke Kunstverzameling" over de geschiedenis van de Prinsentuin.

De basis voor deze beschrijving vormt een kaart van Leeuwarden uit 1664, vervaardigd door Chr. Schotanus. Dit is de eerste plattegrond waarop de van tuinaanleg voorziene Doeledwinger is te zien. De genoemde lindelanen volgen de hoekige contour van de dwinger en we zien twee langwerpige armen van de vijver met daarover een brug. De kaart laat tevens zien dat de tuin meer ruimte in beslag nam dan alleen het oppervlak van de dwinger. Ten oosten en ten westen ervan ziet men beplante gebieden. Uit resoluties van de magistraat van 1652 blijkt dat Willem Frederik om uitbreiding van het tuingebied vroeg. Zijn verzoek werd ingewilligd. Eerst werd het braakliggend terrein aan de oostkant aangepakt, waar een langwerpige visvijver werd gegraven en het geheel met bomen en heesters beplant. Al spoedig volgde de uitbreiding naar het westen. Daar lag een terrein dat in het bezit was van de Stadsschutters-doelen, waar de burgers tournooi-spelen hielden. Hieraan is de naam Tournooiveld ontleend. Het terrein diende voorts als renbaan of manege. Ook dit gebied werd aan de stadhouder in gebruik gegeven en maakte vervolgens deel uit van de Prinsentuin, hoewel het hiervan door een hek werd afgescheiden.

Op de punt van de dwinger werd een woning voor de hovenier gebouwd. Voor het beplanten van de tuin werden vele bijzondere bomen en planten aangevoerd. Zo is het bekende dat de militair Dirk Juriens in 1652 met een schip 12 oranjebomen en daarnaast een half dozijn jasmijnbomen uit Frankrijk haalde.

Dat er in het midden van de 17e eeuw grote zorg aan de stadstuinen besteed wordt, laten niet alleen de stadsplattegronden zien met allerlei kleine perken gecomponeerde formele tuinen, maar bewijst ook een door Gedeputeerden gedane betaling aan Gerrit Radijs. Hij ontvangt in 1650 ruim 67 voor reparaties en plantage in de tuin van het Landschapshuis, de vergaderplaats van de Staten van Friesland die naast de Kanselarij lag. Radijs moet er toen niet alleen bomen geplant hebben, maar ook bessenstruiken en "cruijsdoornen". Het aangename werd met vruchtbomen en -struiken toen al met het nuttige verenigd.


Hendrik Casimir II (1657-1697) te paard. Gravure uit 1686, door Joh. Hilarides. Deze prins van Nassau-Dietz liet de Prinsentuin verfraaien en het Zomerhuis bouwenHet vorstelijke zomerhuis (1692)

Na het dodelijk ongeluk van Willem Frederik werd zijn 7-jarige zoon Hendrik Casimir II in 1664 onmiddellijk tot stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe aangesteld. Totdat dit stadhouderschap in 1679 effectief werd, trad Albertine Agnes als regentes op. Hendrik Casimir trok al jong met Willem III te velde en liep toen hij nog maar 17 jaar was gedurende de slag bij Seneffe door een ongeval een kwaal op die hem zijn korte leven zou blijven plagen en tenslotte zijn dood zou betekenen. In 1683 trouwde hij met zijn volle nicht Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau. Hoewel hij zich in enkele veldslagen had onderscheiden, werd hij bij belangrijke benoemingen toch gepasseerd. Hij keerde in 1692 het leger definitief de rug toe en kon zich meer bekommeren om zijn Leeuwarder aangelegenheden.

Mogelijk was op aanstaan van Albertina Agnes en Henriëtte Amalia in de lente van 1691 al begonnen aan veranderingen van de stadhouderlijke tuin. De stadhouder richtte daartoe een verzoek aan de stedelijke regering dat bij raadsbesluit van 15 mei 1691 werd ingewilligd. Eerst werd de tuin die vooral als boomgaard en moestuin was ingericht, een orangerie en een hovenierswoning. Waarschijnlijk is daarop ook de bouw van het zomerhuis gevolgd. Dit kwam aan de binnenzijde van de bastionspunt, op de plaats waar de oude hovenierswoning had gestaan.

Het Zomerhuis, zoals dat in 1692 tot stand kwam. De vijver met loden beelden, de met vazen versierde trappartij en de loofgangen rond de tuin tonen op deze tekening van Jacob Stellingwerf ui 1723 de toenmalige grandeur van de tuinHet werd een niet zeer groot gebouw, maar kreeg wel allure. Het telde twee bouwlagen en maakte een rijzige indruk omdat het via een trappenvlucht vanaf het lage centrum van de tuin bereikt kon worden. Het front bestond uit een fraaie pilastergevel van een type dat een aantal huizen en buitens van adel en patriciaat in Friesland in de tweede helft van de zeventiende eeuw al gekregen had. Die van Monsmastate bij Bolsward (van één bouwlaag) en die van het latere Princessehof te Leeuwarden (in de jaren -1730 verhoogd met en mezzanine) zijn er nog goede voorbeelden van. Twee rijen korintische pilasters (de meest feestelijke van de antieke ordes) verdeelden de gevel in twee maal drie raamvlakken met opmerkelijke grote openingen. Alleen op de verdieping kwamen grote schuifvensters; beneden zat in het midden een dubbele deur en ter weerszijden daarvan vermoedelijk grote openingen. Beneden moet het zomerhuis een open galerij geweest zijn door een driehoekig fronton met een wapen tussen leeuwen. Het zomerhuis had de allure van de gebouwen - paviljoens, orangerieën, e.d. - die elders in Europa bij vorstelijke en andere voorname tuinen eveneens tot stand waren gekomen.

In de lente van 1695 waren er veel plannen om de tuin opnieuw te verfraaien, de oostelijke visvijver te dempen en een wandeling om het westelijk gelegen tournooiveld tot stand te brengen. De stadhouder legde in maart de plannen aan het stadsbestuur voor en kon na de verkregen toestemming het werk laten aanvangen. Een klein jaar later overleed zijn moeder, Albertine Agnes, voor wie de tuin aangelegd was. In maart 1697 overleed ook Hendrik Casimir, zodat niet alle plannen tot uitvoering kwamen.


Het oog verlustigd, de ziel verkwikt (1734)

Marie Louise van Hessen-Kassel (1688-1765), die haar hovenier Knoop in 1734 de Prinsentuin liet verfraaienDe volgende stadhouder, Johan Willem Friso (1687-1711), bracht zijn te korte leven hoofdzakelijk buiten de provincie door. Hem ontbrak de gelegenheid om zich met de tuin bezig te houden. Hoe deze zich er tijdens zijn korte regeringsperiode moet hebben uitgezien, blijkt uit een reisverslag van Zacharias Conrad Uffenbach, een koopman uit Frankfort die in 1710 Leeuwarden bezocht. Hij schrijft het volgende: "Hij (de tuin) is in twee delen gescheiden, waarvan het achterste de eigenlijke lusttuin is; aan de voorkant is echter aan de ene zijde een kleine keukentuin, aan de andere zijde zijn lanen (Gänge) bovendien een schoon orangeriehuis, het beste van de tuin. Het is tamelijk lang en heeft in het midden een grote schone kamer, met goudleder behangen. Aan weerszijden staan de gewassen, die meest uit jonge oranjebomen, granaten en dergelijke, op zulk een plaats gewonen bomen en gewassen bestaan. Overigens vindt men hier en daar ook enige tamelijk goede loden standbeelden". Met het schone oranjeriehuis zal het zomerhuis zijn bedoeld, gelet op de beschrijving van het interieur. De weduwe van Johan Willem Friso, Maria Louise van Hessen Kassel, heeft wel een belangrijk aandeel geleverd in de verfraaiing van de tuin. De belangstelling voor de hovenierskunst van de uit Kassel afkomstige vorstin, door de Friezen bijgenaamd "Marijke Meu", blijkt overduidelijk uit de aanleg van haar buitenplaats Mariënburg even buiten de stad. Zij was sinds 1711 regentes voor Willem Carel Hendrik Friso en kocht in 1725 ongeveer 500 meter ten zuidoosten van Leeuwarden een huis met twee kamers, ieder met twee bedsteden, een bottelarie en een stalling met put. Een bescheiden huisje, maar er behoorde een "schone" tuin met zomerhuis bij en in de tuin stonden "deftige" persik-, abrikoos- en andere vruchtbomen. Deze tuin zal toen voornamelijk voor consumptie bedoeld zijn.

Toen de voogdij over haar zoon bijna afliep, kocht de prinses in 1730 een complex huizen ten westen van de manege en rijschool in de Grote Kerkstraat en liet dit tot een paleisje verbouwen: het Princessehof dat Maria Louise tot haar dood in 1765 bleef bewonen. Nadat haar zoon stadhouder was geworden, kocht Maria Louise in november 1731 een huis of buiten met een tuin en een groot en klein zomerhuis ten noorden en oosten van de tuin die ze al aan het pad Achter de Hoven ten zuidoosten van Leeuwarden bezat. Zo was daar een tuinengeheel van ongeveer 5 hectare met een aantal gebouwen gevormd. Dit buiten zou naar de prinses Mariënburg genoemd worden.

In of omstreeks 1731 zal Maria Louise de hovenier Johann Hermann Knoop vanuit Kassel naar Leeuwarden ontboden hebben. Knoop is voor dat jaar nog niet in Leeuwarden te bespeuren en de prinses ging toen een eigen huishouding voeren. Na het midden van de achttiende eeuw is deze hovenier gaan publiceren over velerlei onderwerpen; aanvankelijk vooral over de hovenierskunst. Naast zijn algemene opvattingen over het vak kunnen er hier en daar bovendien specifieke bijzonderheden over de vorstelijke tuinen in Leeuwarden die onder zijn beheer stonden gelezen worden. In zijn tweede boek over de tuinkunst, de "Beschouwende en Werkdadige Hovenier-Konst" dat in 1753 te Leeuwarden verscheen, dankt hij in de opdracht de regerend landgraaf van Hessen, Wilhelm, voor alle gunstbewijzen die zijn familie, in het bijzonder zijn oude vader, de hortulanus van het Kasselse Huis, heeft ondervonden. In het boek Dendrologia (Leeuwarden 1763) meldt Knoop in de beschrijving van de denneboom: "Ook worden ’er Pyramiden hier of daar in de tuinen van geplant,... en dan in groote Lusthoven zeer fraai staan en een pragtige vertooning geven; gelijk als ’er van zoodanige in de Hessen-Casselsche Lusttuin, genaamt Freyenhagen,... over de 200 stuks gevonden worden, van ronde, vierkant, enz., gedaante, die 30 a 50 voeten hoog zijn: Hebbende nergens op mijne reizen in Duitschland en de Neederlanden diergelijke, zoo in groot- als cierlijkheid en meenigte, ontmoet; en die alle, dat ik hier, ter gedagtenisse mijnes zaligen vaders, niet nalaten kan te vermelden, in de tijd van 40 a 50 jaaren, van hem als bestierder van die Hoogvorstelijke Tuin, gequeekt, geplant, en onderhouden geworden zijn."

Hoewel Knoop in zijn vele publicaties vooral ingaat op alle facetten van het kweken en het gebruik van allerlei gewassen, laat hij zich, vooral in de inleidingen van zijn boeken, wel hier en daar uit over de compositie ("expositie" noemt hij het steeds) van de tuinen en hij laat zich dan kennen als een man van de volledig beheerste natuur in formele tuinen. Hij heeft, getuige de bewaard gebleven copietekening van een vogelvluchtgezicht op Mariënburg, het uit allerlei kavels samengestelde gebied kennelijk tot een zekere eenheid gebracht. Toch is het samengestelde karakter nog goed te onderkennen. In het album Fructologia (Leeuwarden 1763) schrijft hij over de abrikoosbomen: "Op stam worden de vrugten, schoon de boom zeer wel groeit, bij ons niet of zelden behoorlijk rijp; anders zo zijn die welke op stam gegroeit zjin, als ze wel rijp kunnen worden, veel geuriger als die van espalierbomen; ik heb binnen de tijd van 17 a 18 jaaren, maar 2 a 3 maal rijpe apricosen, in de tuin van Haar Hoogheid, de Vorstin Weduwe van Oranjen op Mariënburg, van stam-bomen kunnen hebben, die zeer geurig waren en die waren van de Princesse-Apricoos."

Abrikozen waren overigens voor dat Knoop Mariënburg ging bestieren al aanwezig in de tuin. Uit deze mededeling komen we wel te weten dat Knoop tot ongeveer 1749 in dienst van Maria Louise is gebleven voordat hij - naar het heet vanwege drankzucht - zijn congé kreeg. Aan dit ontslag hebben we het te danken dat Knoop om in zijn levensonderhoud te voorzien, ging publiceren. Aanvankelijk was dat vooral over de hovenierskunst, maar later ook over zeer uiteenlopende onderwerpen. Hij ontwikkelde zich tot een encyclopedisch man en bovendien een pedagoog van betekenis.

In het boek Dendrologia (Leeuwarden, 1758) kan gelezen worden dat Johann Hermann Knoop niet alleen in dienst was van de douairière, maar ook hovenier was van de stadhouderlijke tuin, de Prinsentuin. Bij de behandeling van de pereboom is te lezen: "Geen volmaakter peeren, van de fijnste Fransche zoorten, als bij voorb., Colmar, St. Germain, Beurré grife, Virgouleuse, etc., hebbe in deze Provincie ontmoet als in de tuin van zijne Doorlugtigste Hoogheid de Heere Prince van Oranje; Erfstadhouder etc. etc. binnen deze stad Leeuwarden,.... De reden hier van is, omdat de gemelde tuin ten deele, en inzonderheid daar de peereboomen aan enkelde espaliers van latwerken geplant staan, tussen een bastion van de stad gelegen, en dus rondom door wallen ingesloten en gedekt is; zodanig, dat de stralen der zon, welke daar invallen, daar in bewaart blijven, en daar door de warmte omtrent die plaats grotelijks vermeerderen; waar toe ook nog contribueeren de ypen-boomen die op de wal agter de tuin in het noorden geplant staan, dewelke alle noordelijke winden afkeeren: Daarenboven zo worden de schadelijke westelijke winden, door de stad afgekeert. Voegt hierbij, dat de grond, waar in de bomen staan, een goede, losze, opgevulde aarde is; al het welk de volmaking der vrugten begunstigt. Gelukkig is een hovenier, die zodanige of diergelijke avantagie voor zijne bomen heeft...."

Ter gelegenheid van het huwelijk van haar zoon, Willem Carel Hendrik Friso met Anna van Hannover in 1734, liet Maria Louise de tuin veranderen en verfraaien. De wijzigingen werden eveneens door de stadhouderlijke hovenier Hermann Knoop uitgevoerd geheel naar de heersende Franse mode.

Het beroemdste voorbeeld van tuinaanleg volgens de Franse stijl bevindt zich in Versailles. De parken rond het paleis van Versailles zijn aangelegd door André le Notre, tuinarchitect in dienst van Lodewijk XIV, de Zonnekoning. Het belangrijkste kenmerk van deze stijl is de concentratie op de rechte lijn, waardoor het geheel een geometrisch karakter krijgt. Er is meestal sprake van één hoofdas en daarop haaks of diagonaal lopende assen, kanalen en lanen. Deze geometrie is karakteristiek voor de Franse aanleg. De bomen werden langs de assen geplant en moesten de blikrichting van de wandelaar bepalen. Bomen, struiken en bloemen werden met het oog op het effect geplant en gerangschikt. Het water vormde een belangrijk onderdeel van de aanleg. Het betekende voorts een welkome variatie op het groen. Vernuftige technische kunstgrepen maakten de aanleg van fraaie waterpartijen en fonteinen mogelijk.

Detail van de kaart van Leeuwarden, omstreeks 1760 getekend door Johann Hermann Knoop. Knoop was jarenlang hovenier van de stadhouderlijke familie. De Prinsentuin, die jarenlang door hem beheerd was, is op dit fragment in zijn gekunstelde aanleg weergegeven
De prinsentuin werd in deze Franse stijl ingericht. De reeds bestaande vijver werd vergraven, waarbij een kruisvormige waterpartij met twee ronde en twee rechte armen ontstond. Deze werd omgeven met gras- en bloemperken die samen met keurig gesnoeide taxushagen in de vorm van "parterres de broderies" deden denken aan kantwerk. Alle struiken werden in geometrische vormen gesnoeid en bomen werden met behulp van houten latwerk in model gebracht. Er ontstond een decoratief stramien dat een bijzonder precies onderhoud vergde om het beoogde strakke effect te bereiken. Om de vijver bij het zomerhuis stonden loden beelden en verder werden in de hele tuin verspreid marmeren beelden opgesteld. Het principe van deze aanleg begrijpt men beter uit de woorden van de hovenier-inrichter zelf.

In zijn boek "De beknopte huishoudelijke hovenier" waarvan de eerste editie in 1752 te Leeuwarden verscheen, schrijft Knoop: "Want gelijkerwijze fraje Bloem-perken en Parterres, schoone lommerrijke Allées, Laanen, Cingels, Heggen, Berceaux en Bosquets, konstrijke statuen, Vasen, Busten, aangename Fonteinen en soet druisende Cascaden, heerlijke op ’t verlies van ’t oog sig uitstrekkende, Vergesigten, het Oog verlustigen en de Ziel verquikken, soo sijn het aan de andere kant de aangename Oostvrugten die onse Tafels vercieren, de Tong strelen, het Hert verquikken en teffens ’t Oog vermaken."

Behalve de cascaden (watervallen) waren de bovengenoemde onderdelen in de Prinsentuin te vinden. Op een plattegrond van de stad Leeuwarden, eveneens vervaardigd door Knoop, werd de inrichting van de Prinsentuin precies weergegeven in de staat waarin de tekenaar hem omstreeks 1760 aantrof. Deze kaart laat de neerslag van de bovengenoemde ideeën zien.

Behalve de cascaden (watervallen) waren de bovengenoemde onderdelen in de Prinsentuin te vinden. Op een plattegrond van de stad Leeuwarden, eveneens vervaardigd door Knoop, werd de inrichting van de Prinsentuin precies weergegeven in de staat waarin de tekenaar hem omstreeks 1760 aantrof. Deze kaart laat de neerslag van de bovengenoemde ideeën zien.

In 1747 werd Willem Carel Hendrik Friso tot stadhouder van de Zeven Provinciën uitgeroepen. Hij vertrok derhalve met zijn hofhouding naar Den Haag. Hierdoor raakte de tuin buiten gebruik, uitgezonderd tijdens de bezoeken die de stadhouder en zijn familie aan Leeuwarden, zijn oude residentie, bracht. Het nodige onderhoud werd wel verricht, maar van extra zorg was er geen sprake meer.

Aan het einde van de 18e eeuw werd de geschiedenis van de tuin door de bekende historische gebeurtenissen bepaald. In 1795 brak de burgerrevolutie uit, tengevolge waarvan de tuin de prins werd ontnomen en bij de staatsdomeinen gevoegd. Het toezicht kwam in handen van de Administrator van de goederen van de Prins van Oranje, Evert Semler. Diens oom Willem Semler was als hovenier eerst in dienst van de stadhouderlijke familie en vervolgens van de Domeinraad.

De Domeinraad stelde voor - waarschijnlijk als bezuiniging op het personeel - om per 1 januari 1798 geen hovenier meer aan te stellen. Als reden van het ontslag van Willem Semler wordt zijn doofheid en zijn hoge ouderdom van 70 jaar aangevoerd. Voorts wordt vermeld dat zijn vrouw "getroubleerd" was. Tot aan de genoemde datum verdiende Semler ƒ 1.100,- per jaar.

Dat zijn pensionering een feit was geworden blijkt voorts uit het feit dat de tuin met ingang van 1798 werd verpacht. Hiermee ging echter de stadsregering niet accoord, omdat zij zich nog steeds als eigenaresse van het terrein beschouwde. Alleen het gebruik van de tuin was in 1648 aan de toenmalige stadhouder toegestaan. Hoe dan ook, sinds de politieke omwenteling wordt de tuin opengesteld voor "fatsoenlijke lieden" om er te mogen wandelen. Ondanks het geuite protest ging de verpachting door de Domeinraad wel door en werd deze drie jaar later opnieuw verlengd. Vanaf die tijd was de Prinsentuin een plaats voor ontspanning waar ook verversingen werden aangeboden. Uit deze veranderde functie kwamen nieuwe behoeften naar voren. Zo werd omstreeks 1808 de voormalige Oranjerie tot Sociëteit ingericht. Tussen dit gebouw en de stenen trap werd een kegelbaan aangelegd.


Een aangenaam uitspanningsplekje voor de burgerij (1820)

De ’Stadstuin’ in het begin van de negentiende eeuw toen ’fatsoenlijke lieden’ zich in het gebied mochten verpozen. Anoniem schilderij.In het begin van de 19e eeuw trof de dominee-reiziger Hebele Potter nog een aanleg in de Franse Stijl aan, maar de toestand van de tuin beviel hem nauwelijks: "Hier en daar ligt op eene opene vlakte een nauwkeurig afgemeten bloem- of palmparterre; tussen beide ziet men vierkante vakken van moeskruiden en groeten; houten schuttingen, tegen welke vuchtbomen kunstmatig en sierlijk zijn geleid..... De ruime kunstig gevormde vijver is geene van de minste sieraden van dezen grond, die voor het overige niets bijzonders vertoont, dan enige trek- en broeikassen voor fijne vruchten en gewassen. Zoo natuurlijk en bevallig het achter de Hoven (bedoeld wordt hier Mariënburg) is, zoo onnatuurlijk en onbevallig is hier alles: men wordt huiverig op zulk een open tuingezicht, dat alles opeens overziet".

Uit deze regels mag men concluderen dat de dominee door de aanleg niet bijzonder was getroffen. Toch moet het in de tuin gezellig zijn geweest, want Potter schetst ons vervolgens een aardige impressie: "De tuin is echter met alle zijn gebreken, een aangenaam uitspanningsplekje, voornamelijk voor de burgerij der stad, die hier dagelijks, maar vooral des zondags in groten getale samenkomen, om zich met wandelen te vermaken en een kopje thee of iets anders te gebruiken..... Dan is de open grond met tafeltjes en zitbanken bezaaid, terwijl Duitsche mutsen en breede hoeden het gemis van schaduwrijke bomen tegemoet komen en vergoeden en den glans van bonte klederen met dien der bloemparterres schijnt te wedijveren".

Gezicht in de tuin met links de Oranjerie, later het ’Wijnhuis’ dat ook als sociëteit in gebruik is geweest; een aquarel van E.J. Eelkema
De tuin bleef verpacht door de Domeinraad, ook na het herstel van het Huis van Oranje in zijn oude rechten in 1813. Bij geruchte vernam het stadsbestuur dat de Domeinen de tuin zouden willen verkopen en het voelde zich genoodzaakt om de eigendomskwestie ten aanzien van de Prinsentuin definitief te regelen. Hiertoe bood het bezoek van koning Willem I aan de stad in 1818 een goede gelegenheid. De burgemeesters van Leeuwarden verzochten de koning om de tuin aan de stad te schenken. Zijne Majesteit stemde in met dat verzoek. Bij Koninklijk Besluit van 21 mei 1819 werd bepaald, dat: "de stad Leeuwarden in bezit van den grond van den zogenaamden Prinsentuin wordt hersteld, gevende Z.M. daarbij te kennen, dat het hoogst dezelve aangenaam zal zijn, dat de gezegde tuin bij voorduring in stand gehouden worde en ook op den bestaanden voet tot wandelplaats voor de ingezetenen bestemd blijve". Het uit de verpachting voortkomende geldbedrag zou nu aan de stadsregering toekomen.

Om voor de door de koning genoemde bestemming het terrein geschikt te maken waren belangrijke wijzigingen noodzakelijk. Allereerst werd de gehele houten omheining vernieuwd. Vervolgens werden gedeelten van de oude 17e en 18e eeuwse aanleg in een romantische tuin veranderd, geheel volgens de nieuwe mode.

De Doeledwinger met Prinsentuin, een opmetingstekening door A. Hansum, 1820. De in 1803 aangelegde kronkelpaden zijn hier op ingetekend


Hoe de tuin er voor deze aanpassingen heeft uitgezien kan men op een situatietekening uit 1820 bestuderen. Deze door A. Hansum getekende kaart toont nog de in formele stijl aangelegde vijver, de twee dubbele trappen naar de met linden beplante wallen. Links en rechts van de Sociëteit (de voormalige oranjerie) ziet men de kegelbaan, respectievelijk de moestuin. Een groot deel van de aanleg was inmiddels echter minder strak ingericht. Er werden omstreeks 1803 kronkelpaden door de beplanting heen aangelegd, waardoor en aangename wandelroute was ontstaan. Deze kaart laat dus een overgangsfase zien van de geometrische Franse- naar de romantische landschapsstijl.




De nieuwe landschapsstijl was ontstaan in Engeland en vormde een scherpe tegenstelling met de tot dan heersende mode. De nadruk werd nu gelegd op het natuurlijke, het spontane en op het pittoreske in de tuinaanleg. De contouren van de vijvers, de groepering van de bomen en het verloop van de paden moest zo natuurlijk mogelijk lijken, maar daarnaast werd het esthetisch aanzien van het geheel ook niet verwaarloosd. Het aangenaam verpozen tussen een grote verscheidenheid van bomen en struiken, waaronder veel exotische soorten, en het genieten van fraaie uitzichten speelden een belangrijke rol. Deze nieuwe mode vormde de grondslag voor de herinrichting van de Prinsentuin. In 1820 werd een tweetal tuinarchitecten uitgenodigd om plannen voor de verlegging van de tuin te ontwerpen. De hiervoor genoemde situatietekening van Hansum werd bij het verzoek ingesloten. De aangezochte ontwerpers waren de firma H. de Vries en zoon te Weesp en Lucas Pieter Roodbaard te Groningen. Uit de door hen ingediende plannen werd dat van Roodbaard gekozen en later met kleine wijzigingen uitgevoerd. Beide ontwerpen zijn bewaard gebleven.Het in 1820 door H. de Vries en zoon gemaakte ontwerp voor de herinrichting van de tuin, dat niet uitgevoerd werd

De gedetailleerde ontwerptekening van H. de Vries en zoon werd door een uitvoerige toelichting begeleid. Uit dit opstel blijkt dat hij de locatie van de tuin niet kende, maar dat hij uitging van de toegezonden plattegrond van Hansum. Hij gaf daarop in rode inkt de door hem voorgestelde veranderingen aan. De Vries noteerde het volgende: "Het water in het oude plom (lees: vijver) moet na dat hetzelve op behoorlijke wijze is afgestooken..... op sommige plaatsen volgens de Teekening, bijgedempt en in hetzelve een Eiland geplemt worden (op welk Eiland eenig monument tot gedenkteken of anders eenze zoo genaamde surprise kan geplaatst worden) welke plemping zeer gemakkelijk kan plaatshebben, alzoo de verdere en nieuwere vergraving der Beek, Specie daartoe genoegsaam zal opleveren". De heuvels A., B. en C. moeten als het ware uit het water van de vijver omhoogrijzen. Alle trappen moeten door glooiingen vervangen worden en de laatsten beplant met eiken, beuken, iepen of linden. Dat De Vries de beplanting van groot belang achtte blijkt uit zijn opsomming van de boomsoorten: "wijmouts, dennen, larixen en andere soorten van fijne sparren, eiken, iepen, beuken, linden, zware beuken, bonte esdoorns, platanussen, tulpenbomen.....etc."

Het in 1820 door L.P. Roodbaard gemaakte ontwerp voor de herinrichting van de tuin dat uitgevoerd mocht wordenHoewel dit plan met de kronkelende paden en met de van onregelmatige contouren voorziene vijver zeer ingrijpend kan worden genoemd, had de ontwerper de eigenlijke vorm van de dwinger en de verdedigingswal niet gewijzigd. Wat op de tekening onmiddellijk opvalt is dat de volgens de uitleg zeer verschillende boomsoorten uniform zijn getekend. Op de ontwerptekening van Lucas Pieter Roodbaard uit 1820 krijgt de fraai gevormde vijverpartij met golvende contour een bijzonder accent. Voorts ziet men grillig lopende paden om boon-vormige perken met boomgroepen. De beplanting moest een natuurlijk groeiproces suggereren. Vanuit de Sociëteit viel een prachtig uitzicht op de vijver met de brug te bewonderen. De contour van de verdedigingswal met dwinger werd door Roodbaard eveneens intact gelaten.

Voor Lucas Roodbaard middels de besloten prijsvraag naar Leeuwarden solliciteerde, stond hij in de stad Groningen ingeschreven als hovenier, maar van toenmalige werkzaamheden aan tuinen of parken is niets bekend. Hij was toen al een dertiger en uit werkzaamheden die hij na 1820 in Leeuwarden ten toon spreidde, spreekt een ervaren vakman op het gebied van de tuinkunst. Toch heeft hij in Groningen als hovenier kennelijk niet de kost kunnen verdienen, want hij stond er ook genoteerd als tapper en portretschilder. De nog bekende getekende en geschilderde portretten van zijn hand doen hem kennen als iemand met een gering talent en een beperkt vakmanschap. Ook voor dit vak is van de in 1782 in Rolde geboren Lucas Pieter Roodbaard geen opleiding bekend. Hij bleef met zijn gezin tot 1823, toen de herinrichtings-activiteiten van de Prinsentuin al in volle gang waren, in Groningen wonen. Vervolgens kwam hij naar Leeuwarden, waar hij tot zijn dood in 1851 bleef wonen.

De Leeuwarder geschiedschrijver Wopke Eekhoff die de tuinarchitect gekend heeft schreef in 1875: "Lucas Petrus Roodbaard, die, in 1782 te Assen(dit moet Rolde zijn) geboren en tot schilder opgeleid, hier den 23 Mei 1851 overleed, nadat hij de oude stijve bolwerken en dwingers dezer stad, even als den Prinsentuin en de begraafplaats, in smaakvolle beplantingen herschapen en daardoor haar sieraad en genoegen grootelijks verhoogd had." In 1823 werd Roodbaard in Leeuwarden ingeschreven als "architect van buitenplaatsen". Hij werd tuinarchitect van veel buitens in en buiten Friesland. Eekhoff: "Ook verschillende buitenplaatsen in deze provincie, met name Vogelzang te Veenklooster, Stania te Oenkerk, de Klinze te Oudkerk en Vijversberg te Rijperkerk heeft hij gevormd en ze haren tegenwoordigen bevalligen aanleg gegeven." Uit onderzoek is sindsdien gebleken dat Roodbaard verantwoordelijk was voor veel meer tuinen en parken.

In Leeuwarden verrichtte hij werk aan de Prinsentuin (de jaren na 1820 en in 1842 opnieuw), de verwatervijver bij de Oostersingel (1826), de Algemene Begraafplaats (1830/1831) en de plantsoenering van de stadswallen (tussen 1823 en 1850). In Harlingen ontwierp hij op een van de oostelijke bastions de Engelsetuin, vlak bij deze stad kwamen de tuinen van Middelstein te Midlum en Roptastate bij Wijnaldum naar zijn ontwerp tot stand (resp. verdwenen en gedeeltelijk gerooid) zeker van Roodbaard, terwijl zijn ontwerp van de tuin tussen Heringastate en het Poptagasthuis in Marssum niet uitgevoerd is. In de Trynwâlden zijn drie tuinen door Roodbaard (her-) ingericht: Vijversburg (het zg. bos van Ypeij) bij Rijperkerk, Staniastate te Oenkerk en de Klinze te Oudkerk. In het noordoosten is het grote park van Foghelsanghstate te Veenklooster van Roodbaard en vermoedelijk ook de vm. Andreae-tuin te Kollum en de inmiddels verdwenen tuin van Oostenstein in deze plaats. In het zuiden en zuidoosten heeft Roodbaard ook veel tuinen ontworpen en aangelegd: ten noorden van Wolvega bij een buiten (niet uitgevoerd), het zg. Nieuwe Werk ten zuiden van deze plaats (een combinatie van een begraafplaats en een wandelpark), in Oudeschoot de tuin van Groot Jagtlust (verdwenen) en in Oranjewoud die van Ontwijk/Brouwershaven (verdwenen), voor Oranjestein en vermoedelijk Oranjewoud; in Beetsterzwaag in elk geval de tuinen van Lyndenstein en Fockensstate (verdwenen), in Olterterp vermoedelijk de tuin van Van Boelens en in Drachten de tuin van Vreewijk. Met tuinen buiten Friesland - Paterswolde, Eelde, Assen en Appingedam - komt het thans bekende oeuvre van Lucas Roodbaard op dertig tuinen en parken, een niet gering aantal, gezien de zorg waarmee hij zijn plannen omringde.

De werkzaamheden bij en in de Prinsentuin zijn goed te volgen met behulp van de financiële verantwoording van de toeziende commissie die met "de in orde brenging van de Stadstuin" was belast. Uit de posten blijkt dat Roodbaard reeds in 1821 voor zijn ontwerp 47 gulden had ontvangen en dat hij in dat jaar een salaris van 163 gulden had verdiend. H. de Vries moest tot 1824 op zijn loon van 45 gulden wachten! A. Hansum werd voor zijn opmetingskaart met 22 gulden beloond.

Uit dezelfde boekhouding blijkt dat de werkzaamheden pas in 1822 goed op gang kwamen. In dat jaar werd zand uit Roodkerk aangevoerd en werd er een aanzienlijk bedrag aan daglonen uitbetaald. Verder werd plantsoen (bomen en struiken) besteld bij de kwekers Wijbren Krijns en Comp. te Joure en Okke Tietes Bosgra te Bergum. Van de beide leveranciers zijn de rekeningen uit 1823 bewaard waarop de geleverde boomsoorten nader staan gespecificeerd. De Sociëteit werd opgeverfd door R. Ruitenschild. De timmerman Jacob Romein nam op 27 januari 1824 de bouw van een galerij aan. In 1825 begon Andries Gerrits Rondema, timmerman te Sneek, aan de bouw van een schutting tussen de meest westelijke toegang en de hoofdingang bij het Tournooiveld. Deze hoofdingang werd van "twee gemetselde pijlaren en muurwerk en twee deuren" voorzien. Hiervoor was in 1820 Klaas Andries van Riesen uit Grouw de laagste inschrijver. Deze poort kan men nog zien aan de Groeneweg, tegenover de Doelestraat. De beide pijlers zijn bekroond met twee siervazen.

De koepel die voor het koninklijk bezoek in 1830 in de Prinsentuin gebouwd is. Een tekening van W. Hekking uit 1862
Deze herinrichting was van een beperkte omvang. Het betrof alleen het gebied binnen de reeds bestaande grenzen van de Prinsentuin. Een meer ingrijpende, structurele verandering vond in 1842 plaats.

Daarvoor was de Prinsentuin omstreeks 1830 al met een fraaie koepel verrijkt, ter gelegenheid van het bezoek van Willem I. Hier werd hij door het Leeuwarder stadsbestuur ontvangen. De koepel werd vermoedelijk door de stadsarchitect Gerrit van der Wielen ontworpen. Het was een rond bouwsel met een zuilengalerij rondom en voorzien van grote ramen in rondboogvorm, kenmerkend voor de neo-classicistische stijl. De vele ramen zorgden voor een zonnig interieur en voor een optimaal contact tussen binnen en buiten. De koepel stond op de plaats van het huidige Verzetsmonument. Het bouwwerk raakte in de jaren 1930 in een bouwvallige staat, getuige een aantal foto’s uit die tijd. Later werd de koepel helaas afgebroken. Er is een afbeelding van bewaard gebleven, getekend door W. Hekking, die een aardige impressie van het gebouwtje omstreeks 1826 geeft.



De omtrek van de stad versierd (1823-1851)

Het Ministerie van oorlog liet al in 1803 merken dat Leeuwarden als vestingstad had afgedaan, want de auditeur militair verkocht toen 12 stukken ijzeren kanon en ruim 1800 pond ijzer van gesloopte affuiten. De wallen waren sinds ze in het eerste kwart van de zeventiende eeuw hun definitieve vorm hadden gekregen wel enkele malen in staat van verdediging gebracht, maar gedurende ruim twee eeuwen niet meer belegerd. De Tuinsterwaterpoort werd in 1817 gesloopt, in 1822 gevolgd door de buitenpoorten voor de Vrouwen- en Wirdumerpoorten. Ze werden toen ervaren als hindernissen en het onderhoud ging steeds meer moeite en geld kosten. Tussen 1831 en 1837 werden ook de fraaie, monumentale Hoekster-, Wirdumer- en Vrouwenpoorten afgebroken.

In 1824, toen de Prinsentuin net opnieuw ingericht was, werd een aanvang gemaakt met de ontmanteling van de vestingwallen. Ze werden gedurende een tijdspanne van een kwart eeuw geslecht en op enkele stukken kade na, herschapen in plantsoen dat tezamen, op de oostelijke en zuidoostelijke stadsrand na, een groene zoom om de stad vormde. Er werd in 1824 begonnen met het afgraven van de wal tussen de Amelandsdwinger en de Tuinen om daar een brede kade, de Nieuwekade tot stand te brengen. Vervolgens kwam de Wissesdwinger ten oosten van de Prinsentuin aan de beurt. In 1830 werd er voor een goede verbinding met de straatweg naar Groningen een doorbraak door het Hoeksterravelijn gemaakt en in de jaren die volgden veranderde de noordoosthoek van de stad ingrijpend. De plantsoenen en overige beplantingen werden door Lucas Roodbaard ontworpen.

Spoedig volgden dergelijke werkzaamheden bij de Wirdumerdwinger. Eekhoff die deze ingrijpende veranderingen heeft zien plaatsvinden schreef in 1848: "De gunstige uitslag van deze verandering moedigde de Regering (bedoeld is het stadsbestuur) aan, om ook de overige wallen van lieverlede tot dergelijke beplantingen en wandelingen aan te leggen, zoodra dit zonder nadeel voor andere meer nuttige werken kon gebeuren". Aan het eind van de jaren 1830 werd de omgeving van het ravelijn bij de Vrouwenpoort ontmanteld en beplant en hetzelfde gebeurde met de rechte stukken wal tussen de dwingers en ravelijnen aan de noordoostzijde van de stad. In de jaren 1842 en 1844 vond met het afgraven en plantsoenering van de Oldehoofster- of Noorderdwinger de verbinding plaats tussen de Westerplantage en de Prinsentuin. In dezelfde jaren werd begonnen met de werkzaamheden in de zuidoostelijke hoek van de stad, werk dat tot 1851 zou duren. Toen die beplantingen in volle gang waren, schreef Eekhoff: "Van het vernuft en den smaak van den Heer Roodbaard mogen wij daarom verwachten, dat dit laatste welligt het schoonste der werken zal worden, waarmede hij den omtrek dezer stad versierd heeft." In het midden van de negentiende eeuw lag Leeuwarden binnen een groene gordel, een groene parkbeplanting om de zeer dicht bebouwde stad, die de inwoners een buitengewoon fraaie stadswandeling bood.

Hoogtepunt van deze stadswandeling was de Prinsentuin, die in officiële stukken ook wel "de stadstuin" genoemd werd, die in de jaren 1821/1824 zijn romantisch decoratieve aanleg had gekregen en in 1842 aanmerkelijk was uitgebreid door de verbinding die er gemaakt werd met de Noorderplantage, de ontmantelde Oldehoofsterdwinger. Onder leiding van stadsarchitect Gerrit van der Wielen kwam in 1841 de tussen- en bewaarschool op het Tournooiveld, de westelijke arm van de Prinsentuin tot stand (thans het oudste deel van de studio van Radio Fryslân). Vervolgens werd er een plan opgesteld om de Noorderwal en Oldehoofsterdwinger te vergraven en beplanten. In begin 1842 werd het "bouwen van een nieuw zomerhuis in de stadstuin" aanbesteed. Dit gebouw is vermoedelijk eveneens door de stadsarchitect ontworpen.

Gezicht over de vijver naar het Zomerhuis; een aquarel die Eelke Jelles Eelkema kort voor de algehele vernieuwing van het gebouw in 1842 vervaardigd heeftOp een fraaie aquarel van Eelke Jelles Eelkema van omstreeks 1840 kunnen we het oude, eind zeventiende-eeuwse stadhouderlijke zomerhuis, dat sindsdien herhaaldelijk verbouwd is, nog bewonderen. Anders dan op de tekening van Jac. Stellingwerf uit het begin van de achttiende eeuw, bestaat de begane grond uit een drieledige door ionische pijlers gedragen loggia of open galerij met een balustrade de drie vensters brede verdieping wordt geleed door korintische pilasters en de volle breedte van de gevel wordt bekroond door een breed en hoog fronton met in relief een door leeuwen gehouden wapen. Op het midden van het schilddak staat een forse schoorsteen. Het is niet bekend waarom dit stijlvolle gebouw moest verdwijnen om plaats te maken voor een slechts weinig groter gebouw dat minder indrukwekkend werd.

Blik over de vijver naar het Zomerhuis omstreeks 1885
Het hoofdvolume van het nieuwe gebouw bleef nagenoeg hetzelfde, maar er werden ter weerszijden kleine, een raam brede en een bouwlaag hoge vleugeltjes aangebouwd, die ruimte voor balcons bode. Het geheel witgepleisterde gebouw kreeg op de begane grond deuren en ramen in de voor de eerste helft van de negentiende eeuw kenmerkende zwaar omlijste rondboogvorm. Op de verdieping kwamen rechthoekige ramen en deze kregen eveneens duidelijke omlijstingen. Verder werden de gevels niet door pilasters of iets dergelijks geleed, maar het enigszins vlakke gebouw kreeg wel een bekroning van een rechte, geprofileerde daklijst.

Ontwerptekening van de vergraving van de wallen en een nieuwe verbinding tussen de Prinsentuin en de Noorderwal en -dwinger. L.P. Roodbaard, 1842
Aan het eind van het jaar, toen de bouw van het nieuwe zomerhuis nagenoeg voltooid was kon men in de krant lezen dat de bomen op de noordelijke wal achter de Prinsentuin geveld zouden worden om dit oude stuk stadveste tussen de Oldehove en de Jacobijnerdwinger (een andere naam voor Wissesdwinger) te plantsoeneren. In 1842/1843 werd niet alleen begonnen met het maken van een verbinding tussen Prinsentuin en de Noorderplantage, maar kreeg de Prinsentuin zelf een wezenlijke gedaantewisseling. Had Lucas Roodbaard in 1821/1824 alleen het interieur van de tuin gemoderniseerd, vanaf 1842 zorgde hij ervoor dat ook aan het exterieur het karakter van de romantische natuurlijkheid gegeven werd. De hoekige, strenge bastionswallen werden vergraven.

De Doeledwinger was een van de laatst overgebleven bastions die uit de Leeuwarder stadsverdedigingswallen stak en deze verloor in 1842 al de twee scherpe oostelijke randen (de face en de flank). Ze werden aan die zijde afgerond, de flankhoek opgevuld en de contour kreeg zo in opstand en plattegrond een golvend karakter. Een jaar later gebeurde dat ook met de westelijke face en flank waardoor na vergraving en beplanting van Noorderwal en Oldehoofsterdwinger de verbinding met de Noorderplantage tot stand kwam. De Noorderwal werd sterk vergraven, in het midden zelfs tot zo’n laag niveau dat het gazon bijna onmerkbaar in het watervlak overging. De bastions werden tot glooiende heuvels herschapen en deze werden vrij dicht beplant, in tegenstelling tot de tussenliggende wallen. Zo ontstonden vista’s, uitzichten die voor Roodbaard kenmerkend kunnen worden genoemd: brede uitzichten van vrij lage punten die begrensd worden door beplante heuvels. De vista’s, die deze tuinarchitect steeds als kattesnorren op zijn ontwerptekeningen aangeeft, zijn vrijwel steeds gericht vanuit de flanken van de voormalige bastions en niet zoals elders bij ontmantelde vestingwallen ervaren kan worden, vanaf de hoge bastionspunten.

Een andere karakteristiek van zijn werk - de kleine ronde, boon- of ellipsvormige gazons met struik- en bloemperken die zijn tuinen een decoratief effect geven - kon hij niet toepassen op de Oldehoofsterdwinger, omdat daar nog een molen en twee woningen stonden. De Noorderplantage kon zo om de gehandhaafde heuvel met deze gebouwen slechts een rondgaand wandelpad krijgen. Dit stuk plantsoen kreeg pas zijn huidige indeling na de bouw van de Pier Pander-tempel in 1924. Tot voor enkele jaren een ieprijke plantage, moest het gebied vanwege ziekte goeddeels gerooid worden. De huidige aanplant belooft een gevarieerder beeld te gaan opleveren.

Gezicht op de vijver met de oude muziektentOm de bezoeker te gerieven werd in 1844 in de Prinsentuin een muziektent geplaatst. Het was een bouwwerk met een tentdak dat rondom op fraaie kolommen rustte. Het was te bereiken via een trap, zo dat er een hoger podium ontstond waarop de concerterende musici zich op konden stellen. Deze muziektent stond bij de vijver getuige een in 1877 gemaakte panoramafoto, die ons een weidse blik in de tuin gunt. De ongesigneerde ontwerptekening voor deze muziektent is eveneens bewaard gebleven.

In de Prinsentuin werden vele concerten georganiseerd. Het publiek moest bij deze uitvoeringen entree betalen. Dit was eveneens het geval bij vuurwerk en bij zogenaamde illuminaties, wanneer de tuin feestelijk werd verlicht. Uit deze entreegelden haalde de pachter van de tuin zijn inkomsten, naast de verkochte verversingen en versnaperingen.


De Prinsentuin werd meerdere malen betreden door leden van het koninklijk huis. Behalve het bezoek van Willem I in 1830, is bekend dat koning Willem III op 11 mei 1873 in de Prinsentuin een "matinee musicale" heeft bijgewoond. Dit blijkt uit het programma dat ter gelegenheid van dit bezoek werd samengesteld en dat tot heden bewaard bleef.


Het schoonste sieraad van Leeuwarden (1881-1985)

Het terras bij de vijver met rechts op de achtergrond het in 1881 gebouwde ’schelpvormig orkest’. Gravure van E. Ost
In 1881 liet het gemeentebestuur een nieuw "ovaal-schelpvormige orchest" in de Prinsentuin bouwen. Men had besloten dat in de gemetselde onderbouw een wijnkelder moest worden gemaakt voor de exploitant van de tuin. De oude muziektent was namelijk te krap geworden voor de vaak talrijke muziekgezelschappen die het publiek in de Prinsentuin moesten vermaken. De muziektent werd toen verplaatst naar het plantsoen tegenover het Beursgebouw. De nieuwe orkestschelp werd door de directeur der gemeentewerken, J.E.G. Noordendorp ontworpen in neo-renaissancestijl, versierd met nissen waarin de portretbusten van prinses Wilhelmina, Beethoven en Mozart te zien zijn. Zij werd gebouwd aan de oostkant van de vijver, bij de brug en tegenover het zomerhuis (thans Theeschenkerij). In de loop van de zomer van 1881 werd de orkestplaats in gebruik genomen, zoals blijkt uit advertenties in de Leeuwarder Courant van de maand juli van dat jaar. Soms werd na afloop van een concert vuurwerk afgeschoten. Dat het verblijf in de Prinsentuin aan het einde van de vorige eeuw nog steeds zeer aangenaam was, leest men in Jacob Hepkema’s "Historische Wandeling door Friesland 1894-1917": "De Prinsentuin is het schoonste sieraad van Leeuwarden (dankzij den talentvollen man van eenvoud, die er met kleuren weet te toveren en dank aan de stad voor haar goede zorgen) waarin het volk thans meer schoons wordt geboden, dan ooit zijn vorsten er mochten vinden. Elke stad een plaats van eenige beteekenis vooral in ’t schier boomloze noorden, moest op een soortgelijk plekje kunnen wijzen, waar de jonge jeugd zich kon vermeien en ieder, die geen eigen tuin mag beuren verlustiging kon zoeken in vrije of verloren oogenblikken."

In 1901 werd de vijver drooggelegd om schoongemaakt te worden. Toen bleek dat hij tamelijk diep was. Om ongelukken te voorkomen werd onder de waterspiegel een rotswerk gemaakt. Reeds in 1888 werd de vijver van een fontein voorzien.

Gezicht op het zomerhuis met balcon, circa 1892

Tot in onze eeuw bleef de in 1843 uitgevoerde aanleg van de Prinsentuin gehandhaafd. De concerttraditie werd eveneens voortgezet. Simon Vestdijk beschrijft in zijn roman "De koperen tuin" (1950) de sfeer die tijdens de muziekuitvoeringen heerste. Zijn roman bevat een aanschouwelijke registratie van deze historisch zo interessante plaats. Hij schrijft als volgt: "Midden in het dal lag de vijver, omgeven door borders met rode bloemen en zilveren tuinbollen. Een rustieke brug van berkenstammen, wat vermolmd in zijn bovenste delen, doch buitengewoon lang - zo lang dat hij op een sterk buiten zijn oevers getreden vijver berekend scheen te zijn, leidde naar de enorme, vooral enorm hoge houten tent met een gebogen achterwand, waarvan zich van mijn plaats maar een klein gedeelte liet overzien. Daar zaten drie mannetjes met koperen instrumenten in de hand. Aan de overkant van de vijver zaten mensen op onafzienbare rijen stoelen, hier en daar met tafeltjes ertussen. Op bijna alle tafeltjes stonden glazen melk. Volgde men de brug naar links, van de houten tent met de mannetjes af, dan kwam men aan de voet van iets, dat wel het hoofdgebouw moest zijn. Ook dit bestond grotendeels uit hout, blinkend geel geverfd, daar waar de tent in een sonoor bruin was gehouden, met een zwarte enigszins vuile overkapping. Het gebouw was zo ruim als een hotel, doch lager."

Nog steeds worden er, zij het niet meer zo regelmatig, muziekuitvoeringen in de Prinsentuin georganiseerd. Tot diep in de jaren zestig werd de tuin zaterdags en zondags bewaakt. De tuin was slechts via aangewezen toegangen te bereiken. In de jaren zestig werd echter het hek met het wachtershokje afgebroken. Behalve de ingangspartij werd in 1973 de volière afgebroken. Dit vogelverblijf bestond uit rennen en nachthokken zoals nog blijkt uit de ontwerptekening. Het bestond uit een centraal paviljoen met twee armen aan weerszijden Met de kleurrijke vogels die het huisvestte, vormde het een levendig accent in de tuin.

Na de Tweede Wereldoorlog was de fontein aan vervanging toe. Lange tijd was hiervoor geen geld. In 1979 werd een nieuwe fontein met een rechte straal aangelegd. Deze beviel niet en werd spoedig door een waaiervormige straal vervangen.

Tot op heden vormt de Prinsentuin een aangename groene zone in de stad. Men kan er wandelen en genieten van een fraaie beplanting. Onder de grote verscheidenheid aan bomen treft men oude populieren, linden en rode beuken aan. Daarnaast vele exotische boomsoorten als plataan, ginkgo (uit China), bladverliezende coniferen, moerascypres (uit Texas) en de kurkeik. In het voorjaar bloeien er vele soorten van de z.g.n. stinzenflora. Dit zijn hoofdzakelijke bolgewassen, die meestal in de buurt van oude stinzen en states voorkomen. De bekendste soorten zijn bostulp, daslook, holwortel, longkruid, winterakoniet en blauwe anemoon.

Behalve de prachtige begroeiing is de Prinsentuin verfraaid met monumenten van kunst. In de muur van het gebouw van Radio Fryslân, links van de ingang met de gemetselde pijlers, is een gedenksteen aangebracht. Deze steen werd in 1879 door de beeldhouwer W.B.G. Molkenboer ontworpen in de neo-renaissance stijl naar de toen heersende mode. Het opschrift en de versiering werden in Savonnière steen ingehouwen. De tekst is gewijd aan Willem Frederik, de stichter van de Prinsentuin. Jarenlang ging de steen schuil achter dichte plantengroei.

De Oldehoofsterdwinger die ook wel "het klein fentje" genoemd werd, was in 1842/1843 nauwelijks vergraven. De bastionsrand was verzacht met een golvende contour en de randen waren voorzien van een door struiken omzoomd wandelpad. Toen men in 1822 grond nodig had voor de demping van de Eewal en het Herenwaltje, werd de molen met het molenaarshuis gekocht en gesloopt en de voormalige dwinger gedeeltelijk afgegraven. Deze Noorderplantage kon in 1885 opnieuw beplant worden. In 1924 kwam ongeveer op de plek waar de molen De Leeuw had gestaan opnieuw een belangrijk accent tot stand: de Pier Pander-tempel.

Toen de stad Leeuwarden het legaat van de in 1919 overleden beeldhouwer Pier Pander aanvaardde, hield dat o.a. in , dat er een gebouwtje tot huisvesting van een door Pander ontworpen beeldengroep tot stand moest komen. Pier Pander, een uit Friesland afkomstige kunstenaar had in 1886 de Prix de Rome gewonnen en heeft het grootste deel van zijn korte carrière in de eeuwige stad doorgebracht. In het laatste jaar van de negentiende eeuw was hij daar begonnen aan de uitwerking van zijn ideeën over een totaal-kunstwerk, een beeldengroep van personificaties in een architectonische huis, die hij niet heeft kunnen voltooien. Zijn vriend, architect Joan Melchior van de Mey heeft met assistentie van de vormgever N.P. de Koo en in overleg met de Leeuwarder dienst der Gemeentewerken op het hoogste punt van de Noorderplantage de ronde tempel laten verbouwen. Naar wens van de overleden beeldhouwer bracht Ernesto Gazzeri de gipsen modellen over in marmer. Zo kreeg de westelijke uitloper van de romantische Prinsentuin een opvallend contrast met dit neo-classicistische monument.

Ook voor de ontwerpen en modellen uit Panders Romeinse atelier moest nog huisvesting gevonden worden. Door crisis en oorlog is dat niet onmiddellijk gebeurd, maar in 1954 kon volgens ontwerp van stadsarchitect Justus Zuidema de oostelijke vleugel aan het zomerhuis in de Prinsentuin gebouwd worden: een kabinetsmuseum voor Panders werk. Tegelijkertijd werd aan de westzijde van het al vele malen verbouwde en veranderde zomerhuis de vleugel van de theeschenkerij gebouwd. In 1955 werd op de heuvel naast de vijver het Verzetsmonument geplaatst, vervaardigd door de beeldhouwer Auke Hettema.

De Prinsentuin is overeenkomstig de in 1819 geuite wens van koning Willem I tot op heden een ontspanningsplaats gebleven voor de ingezetenen van Leeuwarden.

De rijke geschiedenis en de sfeer van de tuin vormden de aanleiding om in het kader van het 700-jarig bestaan van Leeuwarden in het Pier Pander Museum in de Prinsentuin zelf, een tentoonstelling te organiseren over deze unieke tuin. Zo wordt bijzondere aandacht gevestigd op één der schoonste plekken van de jubilaris.

Terug