Dirk van Gorkum, een spraakmakend scherprechter

Klaas Zandberg

(Dit artikel is in maart 2001 gepubliceerd in het tijidschrift Leovardia nr. 4 van de Leeuwarder Historische Vereniging 'Aed Levwerd' , p. 10-14, ) 

Scherprechters, of beulen zoals ze meestal genoemd werden, spraken tot de verbeelding. Ook in Leeuwarden oefenden ze eeuwenlang hun beroep uit. In 1568 werd David Vlaender van Göttingen als eerste ‘meester van de scarpen swaerde' van het gewest Friesland bij naam genoemd. Op 23 maart 1860 werd met het ophangen van Ype Baukes de Graaf op het Zaailand de laatste executie in Leeuwarden verricht, de op één na laatste in Nederland. De meest spraakmakende beul was ongetwijfeld Dirk van Gorkum, die maar liefst van 1755 tot 1797 dit ambt bekleedde

Beulen hadden over gebrek aan publieke belangstelling niet te klagen. Als er één evenement was dat in vroeger eeuwen een massa kijkers trok was dat wel een terechtstelling. De overheid bevorderde het openbare karakter van deze executies ook zoveel mogelijk. Dit vooral tot een exempel ende afschrik.

Dankzij hun kennis van de menselijke anatomie oefenden beulen vaak het nevenberoep van chirurgijn of ledenzetter uit en kregen daardoor betalende klanten. Over het algemeen behoorden ze tot de rijkere bewoners van een stad.

Hoewel het werk van de beul noodzakelijk werd geacht, werd het tegelijkertijd beschouwd als iets verachtelijks en minderwaardigs. De beulen en hun familieleden werden door de meeste mensen dan ook gemeden als de pest. Kinderen van beulen moesten noodgedwongen met elkaar trouwen, zodat er typische beulsfamilies ontstonden. Soms kregen ze aantoonbare morele problemen met hun werk.

Er werd niet zo heel vaak een doodstraf voltrokken; rond 1700 gemiddeld 5 per jaar in Leeuwarden. Justitie hield zich veel vaker bezig met andere lijfstraffen als brandmerken, geselen en verminken. Een hoofd of een hand moest in één klap worden afgeslagen, anders ontstak de toekijkende menigte in woede en was de beul zijn leven niet zeker. Er moest dus flink worden geoefend. Daar gebruikten ze gewoonlijk varkens en ander al dan niet dood vee voor.

Dirk van Gorcum zwaait het zwaard over het hoofd van de voorwaardelijk terdoodveroordeelde Mr.  C. van den Burg, 1788In Leeuwarden herinneren nog enkele namen aan deze sinds lang verdwenen beroepsgroep. De naamgever van de Bullepolder zou volgens overlevering een Leeuwarder beul zijn geweest, maar een schriftelijk bewijs is niet te vinden. In 1562 en later was er sprake van Beulsbrug of Beulspijp als benaming voor de Brol. De plaats waar in de 16e eeuw de meeste executies plaats vonden was de Brol, zodat de benaming Beulsbrug een zekere logica had. De namen Galgerak en Blokhuisplein -de plekken waar vroeger eveneens werd terecht gesteld- bestaan nog. De meeste beulsfamilies hebben niet veel sporen nagelaten in Leeuwarden. De Friese scherprechters waren in de 16e en 17e eeuw in de regel jongere zonen van beulen in Duitse steden als Bentheim, Lingen, Tecklenburg en Bremen.

De tweede generatie vertrok vaak weer naar elders. Wie wil weten hoe het belangrijkste gereedschap van de beul er uit zag moet het grote (‘zweihänder') zwaard in de entreehal van het Fries Museum, dat door sommigen aan Grutte Pier wordt toegeschreven, maar eens van dichtbij bekijken.

Voorgeslacht
Philip Gercken, ca. 1630 geboren te Neheim (Westfalen) en achtereenvolgens scherprechter te Zutphen, Deventer en Groningen, werd in de Nederlandse gewesten ook wel Gorcum genoemd. Zijn zoon Jan Dirksz en andere afstammelingen hanteren ‘Van Gorcum' als min of meer vaste familienaam. Deze Jan (die ook wel Dirk werd genoemd) van Gorcum was vanaf 1688 scherprechter te Groningen, maar werd in 1694 wegens openbare dronkenschap uit zijn functie ontheven. Kennelijk was hij wel goed genoeg voor de Friezen, want in 1702 wordt hij te Leeuwarden benoemd. In Groningen was een versje over hem in de omloop:

Geen Zaterdag in 't gansche jaar,
Of meester Dirk mijn Bessevaar,
Die veegde agtenveertig slagen.
Moest merk en roeden zelvers dragen,
Doch 't was een sterke, stoute gast,
Die meester Dirk naar 't leven tast.

En meester Dirk of gij 't ook weet,
Die veegde dat het roode zweet
Hun liep van schouders tot de lenden,
En of zij zich al tot hem wenden
En schreeuwden, duizend ach! En wee!
Hun drukte hun de Vriesche V
Zoo netjes op het schouderblad
Alsof Hosson 't geteekend had

Deze eerste ‘Leeuwarder' Van Gorcum wordt na zijn dood in 1726 opgevolgd door zoon Christiaan. Dirk, de oudste zoon van Christiaan van Gorcum en Petronelle Geerts, wordt op 18 februari 1727 geboren en drie dagen later (hervormd) gedoopt. Het begraven van Christiaan van Gorcum op 23 februari 1755 kan best wel eens traumatisch zijn geweest voor zijn zoon en andere naaste familieleden. Niet alleen was het graf op het Oldehoofsterkerkhof voor luiden van zyne bedieninge en hunne familie afgezonderd, maar ook konden pas na langdurig getouwtrek tussen de buren en justitie kistdragers worden geregeld. Bovendien kwam nog eens een uitzonderlijk groot aantal nieuwsgierigen op de begrafenis af.

‘Veel aanzienlijker dan 't dom gemeen bezeft'
Toen hij na het overlijden van zijn vader in diens voetsporen trad, zal Dirk of ‘Theodorus' van Gorcum waarschijnlijk niet hebben kunnen vermoed dat hij voorbestemd was tot een bijna vijftigjarige carrière als ‘dienaer van Justitie'.

Uit een in 1777 gepubliceerd lofdicht ter verjaaring van meester Theodorus van Gorkum, blijkt dat hij en de zijnen toch beslist niet door iedereen met de nek werden aangekeken: Wat uw nuttig, ja noodzaak'lijk Ampt betreft, Da's veel aanzienlijker dan 't dom gemeen bezeft. Waard gij ‘er niet, wie at gerust zijn brood en zuivel? De Boosheid heeft meer vrees voor U dan voor den Duivel. Uit de verdere tekst (zie achterzijde omslag) blijkt dat de schrijver A. Jeltema, een bekend publicist in 18e eeuws Leeuwarden, Dirk goed heeft gekend en hem zelfs ‘vriend' noemde.

Dirk van Gorcum staat ook te boek als chirurgijn. Kennelijk hadden de andere chirurgijns geen bezwaren tegen zijn praktijk, want in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers zijn over hem geen bezwaren aangetroffen in het archief van het chirurgijnsgilde. Van Gorcums expertise lag vooral op het terrein van verwrongen ledematen en gekneusden pees, of ader. Vanuit Leeuwarden bezocht hij met zijn eigen rijtuig en span paarden ook dorpen in de omtrek.

Vergoedingenlijst van door de Leeuwarder scherprechter uitgevoerde strafexercities, 1753

De rijkdom van Dirk van Gorcum is niet precies te bepalen. Een testament of boedelbeschrijving is niet aangetroffen. Wel is uit boedelbeschrijvingen van vroegere Leeuwarder scherprechters bekend dat er meestal nogal wat bezittingen vielen te verdelen, waaronder veel goud- en zilverwerk. Van Gorcum was in ieder geval kapitaalkrachtig genoeg om geld te kunnen uitlenen aan handelaren. Ook is zeker dat hij behoorlijk veel onroerend goed bezat. Na allerlei aan- en verkopen was Dirk aan het eind van zijn leven in bezit van een complex van minstens vijf panden tussen Weaze, Ossekop, Blokhuissteeg en Keizersgracht. Dus vlakbij zijn voornaamste werkplek: het Blokhuisplein.

Terwijl grootvader Jan van Gorcum zijn echtgenote nog binnen de scherprechtersfamilies moest zoeken, konden zijn oudste zoon en kleinkinderen met telgen uit burgerfamilies in het huwelijk treden. Het huwelijk in 1782 van Anna Christina, de dochter van Dirk, met een telg uit het rijke Groninger koopmansgeslacht Reisiger zal vast als een groot succes zijn beschouwd door de familie.

Liever scherprechter dan beul
De term beul was in Friesland eigenlijk alleen van toepassing op de knecht van een scherprechter. In de regel was de knecht een zoon van de functionerende scherprechter. Beide begrippen werden echter steeds vaker verwisseld en het kwam zelfs voor dat ‘beul' als scheldwoord werd gebruikt.

Op woensdag 28 januari 1778 kregen twee Leeuwarder kooplui ruzie in de herberg van Tytsjerk. Hessel Barends, woonachtig aan het Vliet, verweet Douwe Ypes dat hij geld van Van Gorcum had geleend: Jimme binne groote luiden van de beul zijn geld. Jimme hebben geld van de beul op intressen. Barends zal met deze opmerking hebben bedoeld dat hij dat geld eigenlijk als bloedgeld beschouwde. Toen Dirk van Gorcum later van dit meningsverschil hoorde, reageerde hij furieus. Dat hij voor beul werd uitgemaakt was in zijn ogen hoon en smaed. Hij eiste op 13 maart 1779 voor de rechtbank dat de lasteraar met een boete van 24 goudguldens bestraft zou worden. Bovendien wilde Van Gorcum dat hij voortaan niet meer met de veragtelijke naam van beul maar met die van scherptregter werd bestempeld.

Strafvoltrekking op het schavot voor het Blokhuis, 1788

De gedaagde Barends verklaarde dat hij niet de bedoeling had gehad Van Gorcum te beledigen. Hij had zich goed voorbereid en haalde naslagwerken en deskundigen aan om zijn stelling dat beul en scherprechter gelijk beteekende woorden waren, kracht bij te zetten: Samuel Litiscus zeijde in zijn lexicon ‘in voce camiflex' dat zelve beteekende een beul een scherprechter, daaragterbij volgende: zij noemen zig zelven meester van de scherpen zwaarde ‘in voce lictor' zeijde dat hetzelve betekende een beul, pijniger, scherpregter. (...) F. Halma in zijn woordenboek stelde beul en scherprechter ook volkomen als hetzelfde betekende woorden. (...) De Nederlandse historie van den beroemden Heer Wagenaar, gebruikte in de passages over de onthoofding van Johan van Oldebarnevelt in 1619 en het verhoor van Cornelis de Wit in 1672 de beide benamingen door elkaar.

Tenslotte noemde Barends ook nog het verslag van James Boswell. Die schreef in 1769: De beul van Corsica verdiende een buitengewone aanmerking dewijle hij in alleruiterste verfoeiing stonde durfe hij niet leven gelijk een ander inwoner van 't eiland. De man woonde in een klein hoeck torentie, alwaar hij maar een gerige ruimte voor sijne rampzalig bed en een weinigje vuur hadde om daar op zijne bekrompene spijze die hij tot levensonderhoud nodig hadde te kunnen bereiden want niemand wilde eenige verkeering met hem hebben, maar elk een keerde hem de rugge toe. Toen de Corsicanen deze geboren Siciliaan eerder vroegen het beulsambt te aanvaarden, schijnt hij -in zijn lot berustend- te hebben geantwoord: mijn grootvader was een beul, mijn vader was een beul, ik zelvs ben een beul geweest, ik ben gewillig een beul te blijven. De rechter was door al deze voorbeelden overtuigd dat de termen beul en scherprechter van een gelijke kragt sijn. Barends werd vrijgesproken en hoefde geen cent te betalen.

‘Filia carnificis Leovardiensis'
Anna Christina,de al eerder genoemde dochter van Dirk van Gorcum, ondervond in 1782 een nare ervaring die te maken had met haar afkomst. Met haar verloofde Jacob Reisiger, diens vader en een aantal andere familieleden, bezocht ze vanuit de stad Groningen per rijtuig de Zuidlaarder markt. Op de terugweg kreeg het gezelschap een woordenwisseling met enkele Groninger studenten. Er ontstond een vechtpartij met als gevolg verwondingen en beschadiging van eigendommen.

Opmerkelijk aan deze kwestie is vooral dat in een willekeurige herberg, in dit geval Het Jagtwagentje te Haren, Anna Christina van Gorcum werd herkend als de dochter van de Leeuwarder scherprechter. Kennelijk was haar afkomst iets waar niet gemakkelijk over werd gepraat: (...) waarop een van de studenten, welke in gezelschap mede was gegaan gevraagd hadde, ‘wat meisje dat was', aan welken de student Heshusius, haaren Vader niet openlijk willende noemen, in het Latijn geantwoord hadde, ‘est filia carnificis Leovardiensis' (zij is de dochter van de beul van Leeuwarden)'. Waarschijnlijk werden de studenten klef en vervelend. Volgens één bron werd Anna Christina zelfs uitgescholden voor Vriesche hoer.

De ruzie escaleerde op een gegeven moment nadat een van de studenten eenen geweldigen slag aan het hoofd hadde gekregen, zoodanig dat (hij) sterk daarvan uit de neus hadde gebloed. Tijdens de terugreis ging werden in een andere herberg zelfs de wapens te voorschijn gehaald. 's Avonds komt het voor het huis van de familie Reisiger in Groningen uiteindelijk tot een oploop van een grote groep studenten. Over wat er precies voorviel tijdens het uitstapje naar Zuidlaren, bleven de meningen uiteen lopen. Na jaren procederen werden in 1786 tenslotte enkele leden van de familie Reisiger veroordeeld wegens mishandeling.

Opvolging
De zoon van Dirk, de op 12-10-1759 in de Westerkerk gedoopte Petrus, leek aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader te treden. Samen hadden ze een bloeiende praktijk als chirurgijns en ledenzetters en zo nu en dan assisteerde Petrus zijn vader ook als scherprechter. Waarschijnlijk had Petrus van Gorcum zijn vader op kunnen volgen als scherprechter, als hij niet in opspraak was gekomen. Petrus was een overtuigd patriot. Toen de Bataafse Republiek in 1795 werd gerealiseerd, werd hij lid van het Leeuwarder stadsbestuur. Hij hield dit nog geen jaar vol. In januari 1796 wordt hij wegens fraude gezocht en vlucht de stad uit. Het dagboek van voormalig stadsbestuurder Roelof Storm geeft de volgende beschrijving van dit voorval:

30 december heeft een van de Leden van de Municipaliteit sig te buiten gegaan, dat hij als Commissaris sat bij de opbreng der vijffentwintigste penning, dat hij sig van het geld, het welk in de losse bakken stond, bediende, het welk door eene swangere vrouw gesien werdt, die het selve heeft uitgebragt, en is van dat gevolg geweest, dat hij des Saturdags, sijnde 2 Janij 1796, toen hij hoorde, dat het hem sou gelde, is hij voortgaan: want der sijn informasjes van hem aan 't Hoff gekomen, en daarop geordonneerd, soo sij hem mogten te weeten komen, hem direkt te vatten: het is de soon van onse thans fungerende Beul, sijn naam is Petrus van Gurkum.

Oranjegezinden vervaardigen naar aanleiding van dit wangedrag van een vooraanstaand voorvechter van het nieuwe gezag een uitgebreid spotgedicht getiteld: Ode op de onverwagte vlugt van den grooten municipaal Petrus van Gorkum. Later keert hij toch terug naar zijn geboortestad. Tot op hoge leeftijd blijft hij het beroep van ledenzetter uitoefenen vanuit zijn woonhuis De Karseboom aan de Keizersgracht. Hij overlijdt in 1845.
Met het wegvallen van Petrus als assistent, bleef de zware taak aan de inmiddels bijna zeventigjare Dirk voorbehouden. Hoewel de beide galgen op 4 augustus 1796 werden afgebroken, duurde het nog enkele jaren voordat de guillotine zijn intrede deed in Friesland. In maart 1798 gaf dit problemen toen een van de aanstichters van het Kollumer oproer van 1797 ter dood moest worden gebracht. Van Gorcum kon het zware zwaard niet meer goed hanteren en vroeg om een vervanger.

Beschrijving van de executie van Jan Binnes, één van de hoofdaanstichters van het Kollumer Oproer op 18 maart 1797

Deze invalbeul werd Hendrik Gjalts Zandberg of Zandburg, een ver familielid van schrijver dezes. Hendrik slaagde er niet in zoveel kapitaal en prestige op te bouwen als zijn voorgangers. Toen hij in 1800 overleed, bleef zijn weduwe achter onder behoeftige omstandigheden. Dirk van Gorcum overleed pas in 1807 en kon al met al terugzien op een geslaagde carrière.

De laatste beul in Leeuwarden, de uit Utrecht afkomstige Joannes J. Ras, woonde rond het midden van de 19e eeuw in Weaze nr. 27 (tegenwoordig deel uitmakend van de opvang voor drugsverslaafden). Dus vlak bij de plek waar eerder Dirk van Gorcum woonde en werkte.

* Met dank aan dhr. C.R.H. Snijder te Berg en Terblijt, de kenner van de Nederlandse beulenhistorie bij uitstek.

Zie hier voor meer scherprechters in De Nederlanden.

Terug