In de Fortuyn
Monumenten rondom het Stadhuis van Leeuwarden
Open Monumenten in Leeuwarden 1995
Inleiding
Het decor waarin de negende Open Monumentendag in Leeuwarden zich afspeelt, wordt gevormd door een aantal straten rondom het Stadhuis; het Raadhuisplein, het Auckamastraatje, de Sint Jacobsstraat, Maria Annastraatje, het Herenwaltje en het Hofplein.
Het gebied heeft niet een bepaalde historische of stedebouwkundige samenhang. Een groot deel ligt op de terprand van de zuidelijke terp van Nijehove. In 1979 vond op de hoek van het Gouverneursplein en de Sint Jacobsstraat een belangrijke opgraving plaats. Hierdoor werd duidelijk dat de terp aan de zuidoever van de Ee al bestond in de achtste en negende eeuw. De Eestroom was toen nog veel breder dan de latere Ee-gracht. De eb- en vloedwerking vanuit de Middelzee naar de Eestroom heeft de terprand aangevreten. In de elfde en twaalfde eeuw werd de invloed van de Ee minder en kon de stroom tenslotte worden ingedamd. Bij de archeologische opgraving in 1979 zijn op ± 30 centimeter onder het maaiveld vele resten van houten huizen gevonden. Op basis van opgegraven scherfmateriaal konden deze huizen als veertiende-eeuws gedateerd worden. De zuidelijke terp van Nijehove heeft zijn grootste hoogte in de Grote Hoogstraat (4,50 m.). De Sint Jacobsstraat ligt 1,50 m. en het Auckamastraatje ligt nog 1 m. boven het oorspronkelijke maaiveld. De afloop van de terpoever naar de oever van de Eestroom is nog altijd duidelijk te ervaren.
De Eestroom, later de Eewal, met voortzettingen langs Gouverneursplein, Hofplein, Raadhuisplein en Herenwaltje werd in 1884 gedempt. Hierdoor verdween één van de oude stromen waaraan Leeuwarden haar bestaan te danken heeft en werd dit stadsbeeld onherstelbaar schade toegebracht.
Raadhuisplein en Hofplein
Leeuwarden is een stad van pleinen. Er zijn er niet minder dan negenenveertig. Drie prachtige pleinen liggen naast elkaar; het Raadhuisplein, het Hofplein en het Gouverneursplein. Deze pleinen zijn in eerste instantie ontstaan door overkluizing van de Ee. In 1682 werd door het stadsbestuur besloten tot het maken van "‘t Plein". Dit hield in het overkluizen van de Ee tussen het Hof en het Stadhuis. In 1688 werd voor de nieuw gebouwde Hoofdwacht een klein gedeelte van de Ee overdekt.
De herbouw van het Stadhuis in 1715 was de aanleiding een veel groter stuk gracht te overdekken. Stadshistoricus Eekhoff beschreef het als volgt:
"Nu werd dit gewelf verlengd, en de gansche ruimte geëffend, bestraat en daardoor in een breed en zeer vlak brugplein herschapen, dat zowel het nieuwe Stadhuis als het Stadhouderlijk Hof een fraai voorplein bezorgde, en aan beide gunstiger voorkomen schonk. Bij het bestaande gebrek aan pleinen en ruime marktplaatsen in deze stad, was dit Raadhuis- en Hofplein alzoo eene wezenlijke aanwinst. Bovendien hebben vreemdelingen deze brug, welke thans een lengte heeft van bijna 100 Ned. ellen, eene zeldzaamheid in ons land en eene merkwaardigheid dezer stad genoemd".
In 1884 werden de overkluizingen weggebroken en werd de oude Eestroom lopend van de Voorstreek naar de Nieuwestad met modder van de dwinger Het Klein Fentje gedempt. Op het Hofplein werd een perk met heestergewas aangelegd. In dit parkje werd op 15 september 1906 door koningin Wilhelmina het standbeeld van stadhouder Willem Lodewijk, door de Friezen ‘Us Heit' genoemd, onthuld. De Leeuwarder Courant beschreef de gebeurtenis als volgt:
"Een afzienbare mensenmenigte had inmiddels alle toegangswegen tot het plein bezet. Een enorm gejuich steeg op toen de hoge gasten uit het paleis kwamen en naar hun ereplaats schreden. [...] koningin Wilhelmina sprak over de belangrijke rol die de Friese Stadhouder in het verleden heeft gespeeld en ze besloot haar woorden met het doorknippen van de draad. [...] en met het front naar het Stadhuis gekeerd, aanschouwde men een grote bronzen figuur, krachtig en uitdrukkingsvol, de dappere vorst waardig, die zo goed het zwaard wist te hanteren en toch een werker aan de vrede was".
Het in brons gegoten standbeeld van Willem Lodewijk was een geschenk van de VVV en werd vervaardigd door de beeldhouwer Prof. Bart van Hove. De oud-Leeuwarder Willem B.G. Molkenboer ontwierp de hoge sokkel.
In 1898 plantte de Friesche Tuinbouw Vereniging ter gelegenheid van de troonsbestijging van Koningin Wilhelmina een linde op het Raadhuisplein. De vereniging ‘Voor Vaderland en Oranje' zorgde voor een monumentaal hekwerk rond de Wilhelminaboom. Dit monumentale hekwerk werd ontworpen door architect H.H. Kramer, waarschijnlijk met hulp van de heraldicus Tiete van der Laars. De Firma
J. Kroes en Zn. zorgde voor de uitvoering van het smeedwerk. Het prachtig gesmeedde hek heeft deuren naar de Weerd (met rijkszwaard en oranje twijgen) en het Herenwaltje (met scepter en twijgen) en een poort naar het Hofplein. Deze poort wordt geflankeerd door hellebaarden en omgeven door een uit oranje twijgen gevlochten haag met bloesems, vruchten en bladeren waarin een gekroonde W verwerkt is. De rijksappel bekroont het hek. In de pedestal onder deze poort zit een leeuwenmasker dat moest dienen "tot het uitlaten van een frischen waterstraal, die den voorbijganger de gelegenheid geeft, zijn dorst te lesschen". In 1993 is het hek gerestaureerd, maar jammer genoeg zijn door vandalisme en het nalaten van onderhoud veel mooie onderdelen verdwenen of zwaar door roest aangetast.
Gelukkig staat de in 1898 geplante kroningslinde er weer goed bij. In 1972 leek de boom af te sterven. Dode takken, gele en verdorde bladeren deden het ergste vrezen. De groei van het wortelgestel werd waarschijnlijk belemmerd door de fundamenten van het Stads Vleeschhuis dat vroeger op deze plaats stond. In dit Stads Vleeschhuis slachtten en verkochten de Leeuwarder slagers hun vlees. Later is het Vleeschhuis ook nog gebruikt als Stads Wapenhuis. In 1615 werd het afgebroken. Boomdeskundigen hebben door het weghalen van een gedeelte van de fundamenten van het Vleeschhuis en door grondverbetering bewerkstelligd dat de zo beeldbepalende boom weer nieuwe levenskansen heeft gekregen.
Auckamastraatje
In 1618 werd de Auckamastins in gebruik genomen als Stadhuis. Het straatje naast het Stadhuis komt in stukken voor als "Cleyne Sint Jacobstraet ofte Raedhuysstraat" (1646). Later werd de naam Raadhuisstraatje officieel vastgesteld.
In 1944 werd het zuidelijk trimdeel van Leeuwarderadeel bij Leeuwarden gevoegd. Het gedeelte Huizum ging daardoor ook deel uitmaken van het stedelijk gebied. In Leeuwarden en in Huizum hadden een aantal straten gelijke of sterk op elkaar gelijkende namen. Daarom werd op 21 november 1946 besloten tot het wijzigen van een aantal namen. Het Raadhuisstraatje werd omgedoopt tot Auckamastraatje om de herinnering levendig te houden aan de regentenfamilie Auckama, stichters van de naar hen genoemde stins.
Sint Jacobsstraat
In de volksmond werd de Sint Jacobsstraat vroeger wel de ‘dubbele plukstraat' genoemd, omdat aan de ene kant poelier De Jong gevestigd was en daartegenover in het voormalige hotel De Phoenix de belastingdienst gehuisvest was. De officiële naam Sint Jacobsstraat is ontleend aan het Sint Jacobsgasthuis met de Sint Jacobskapel. Het gasthuis en de kapel lagen in het vierkant omsloten door de Klokstraat, Grote Hoogstraat, Naauw en Sint Jacobsstraat. Het in 1478 gestichte gasthuis werd in 1581 opgeheven. Naast de Sint Jacobskapel werd omstreeks 1540 de Nieuwe Toren gebouwd. In 1884 moest de toren wegens gevaar voor instorting worden gesloopt en werd de Sint Jacobskapel ook afgebroken.
De 6.80 m. brede en 147 m. lange Sint Jacobsstraat is altijd één van de belangrijke en voorname straten in Leeuwarden geweest. In de vijftiende eeuw stond aan het begin van de straat, bij de Nieuwestad, de Sint Jacobspoort. Een aantal zeer monumentale panden bepaalt nog altijd het beeld van de straat. Ook is de Sint Jacobsstraat al jaren lang een bijzondere winkelstraat met een groot aantal speciaalzaken.
Ketenzaken komen er niet voor. De vroegere slogan van de winkeliersvereniging "Kijk rond in de Sint Jacobsstraat" gaat nog altijd op.
Over een oude stadsstraat als de Sint Jacobsstraat zijn veel wetenswaardigheden te melden. De componist, organist en klokkenist Rijnoldus Popma van Oevering, die zes klaviersuites voor prinses Maria Louise schreef, woonde eind achttiende eeuw op nummer 2. Eduard Lampe, met z'n markante kop met het te kleine gleufhoedje, was in heel Leeuwarden een bekende verschijning. Hij woonde op nummer 24.
In het huis nummer 35 gaf kapelmeester van de schutterijmuziek, Hendrik de Jong, als dansmeester de eerste lessen in de danskunst aan Mata Hari.
Het prachtige boek van Johan Strasser "Der Klang der Fanfare" (in het Fries vertaald als "De klank fan de fanfare") speelt voor een groot deel in de Sint Jacobsstraat. Ook het boek "Het doolzieke hart" van N.A.M. Wijchgel heeft ten dele de Sint Jacobsstraat als decor. In het huis nummer 33 woonden vele Italianen die in Leeuwarden het schoorsteenvegersvak uitoefenden en brillen en paraplu's aan huis verkochten. Bij het bezoek van koningin Wilhelmina aan Leeuwarden in 1905 was de Sint Jacobsstraat één van de mooist versierde straten van de stad. Op de hoek met de Klokstraat had men zelfs een van latten, linnen en papier gemaakt model van de Nieuwe Toren neergezet. In april 1964 verzamelde zich in de Sint Jacobsstraat een grote menigte om te zien hoe de dierenbescherming in de woning boven de muziekhandel De City achtendertig katten probeerde te vangen. Een zestigjarige weduwe woonde hier met haar katers en poezen in een totaal vervuilde en vreselijk stinkende omgeving. In 1925 werd de keien bestrating in de straat vervangen door asfalttegels. Koperslager Doodkorte legde als oudste bewoner de eerste asfalttegel. De asfalttegels zijn intussen verdwenen en sindsdien is de straat vele malen heringericht. Maar ondanks alle veranderingen in bestrating, gebouwen en functies is het karakter van de Sint Jacobsstraat behouden gebleven.
Maria Annastraatje
Rond 1500 liep de Klokstraat van de Grote Hoogstraat -in der Hagenstreta bidapost- tot aan de Weerd. Over het Eerdenwaltje (later Herenwaltje) lag een bruggetje. Op de zuidhoek van de Klokstraat met de Weerd stond in 1491 een "Steed ther Klocka., mitta erftersteeden en de kameren".
Niet door de klokken van de Nieuwe Toren, zoals stadshistoricus W. Eekhoff veronderstelde, maar door dit huis "Ther Klocka" kreeg de straat haar naam. Later hield alleen het stuk straat tussen de Sint Jacobsstraat en de Grote Hoogstraat de naam Klokstraat. Het gedeelte tussen Herenwaltje en de Weerd werd bebouwd. Het stuk tussen de Sint Jacobsstraat en het Herenwaltje had vele andere namen. In de onuitputtelijke bron "Leeuwarder Straatnamen" van W. Dolk staat hierover het volgende:
"Het thans Maria Annastraatje genoemde deel van de Klokstraat is onder vele namen bekend geweest (1597 Jacob Roeperssteegh, 1619 idem, 1664 Kleyne Klockstraet, 1690 Maarjanstraatie, 1696 Marij Jansstraetie, 1713 Kleyne Jacobstraet off Marij Jansstraetie, 1760 Moriaanstraatje, 1839 idem, 1843 Maria Annastraatje, ook wel Kleine Klokstraat, Marianne- en Moriaanstraatje!). Een uit het pand no. 9 afkomstige gevelsteen (tot september in de Muggesteeg, nu bestemd voor de Sint Jacobsstraat), vertonende een wat gebruinde
"d. Ionge S. Jacob", kan wel de naamgevende Moriaan zijn geweest. In 1697 is er sprake van "een huysinge staende in de Sint Jacobsstraet op de hoeck van de Marij Jansstraat, alwaer voor desen een turx hoofft en nu een keers uythangt". Een 60-jarige Marijke Jans, weduwe van de stalman Jan Mathijssen, woonde in 1715 (en mogelijk reeds veel eerder) op de hoek van de Kleyne St. Jacobstraet". "d. Ionge S. Jacob" siert anno 1995 de gevel van Eewal 58.
Herenwaltje
Het eerste Leeuwarder Stadhuis stond in de Grote Hoogstraat op de plaats waar in 1995 huisnummer 20 te vinden is.
Het tweede stadhuis, Het Waltahuis, lag op de hoek van de Nieuwestad en "Het Herenwaltje". Het hoofdgebouw rees aan het Herenwaltje uit het water op. Aan de Nieuwestad lag het voorplein. In een koopakte uit 1594 wordt het omschreven als een "blau leyen huys". Op het voorplein stond een met een ‘ui' bekroonde traptoren. Op de plaats van het voormalige Waltahuis was heel lang de winkel van P.S. Bakker (nu Zeeman) gevestigd. Toen het Stadsbestuur in 1617 de Auckamastins kocht om er het Stadhuis in te vestigen kon het Waltahuis verkocht worden. Bij de verkoop werd onder andere bepaald dat: "de kooper gehouden zou zijn, om 't westereind van deze vercofte Huijsinge aff te breecken tot verbij d'darde balcke". Het achteruitzetten van de gevel moest het mogelijk maken een voetpad aan te leggen tussen de Nieuwestad en het Raadhuisplein. De verbouwing kreeg in 1618 haar beslag. Op het voorplein werden drie huizen gebouwd. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen kocht in 1825 het oude Waltahuis. Het bleef tot 1903 als Nutsgebouw in gebruik. De firma Joosten kocht het toen en liet het ten behoeve van een uitbreiding van haar manufacturenzaak aan de Nieuwestad afbreken.
Het Herenwaltje was vroeger een schilderachtig grachtje. Aan de ene zijde rezen de huizen uit het water op. Een aantal was bereikbaar door middel van bruggetjes over het water. Aan de andere zijde lag het na 1618 aangelegde voetpad. Vermoedelijk was het niet bestraat, want naast namen als "Raadhuysburchwal" en "Heerenwaltje" komen in oude koopaktes namen voor als "Aerdenwaltje", "Eerdenwaltje" en "Aardenwaltje".
Volgens een overlevering werd de naam Eerdenwaltje veranderd in Herenwaltje omdat de heren boterverkopers er hun kantoren hadden. Ook zou de naam Eerdenwaltje niet deftig genoeg zijn en Herenwaltje beter passend zijn.
Deftige huizen stonden er in ieder geval wel. In het monumentale pand nummer 5 heeft de natuurgenezer Jelle Veeman geruime tijd zijn praktijk uitgeoefend. In de kelder van dit huis heeft de griezelkelder van ‘Wiepie' Wierstra nog een aantal jaren onderdak gevonden.
In het eveneens monumentale pand nummer 3 oefende de bekende tandarts A.J. Reijntjes zijn praktijk uit. Bange kinderen stelde hij op hun gemak met een 'sukermuntsje'.
In het begin van de twintigste eeuw was het Herenwaltje een centrum van de bierhandel. Het bedrijf van de firma Komter en Kuipers zorgde voor veel levendigheid. "Het schilderachtige, smalle grachtje, waarover vier bruggetjes toegang verleenen tot de huizen aan de overzijde, die uit het water op rijzen" zoals stadsarchivaris R. Visscher het in 1908 beschreef, werd in 1884 gedempt.
Raadhuisplein 36 Stadhuis
Het Stadhuis is meer dan eens en op gevarieerde wijze in woord en beeld belicht. Het gebouw vraagt er eigenlijk om want het is, zeker wanneer we de iets jongere aanbouw met de raadzaal gemakshalve erbij rekenen, een Leeuwarder topmonument. Dat dit voorbeeld van classicistische barok toen het in 1715 verrees misschien geen toonbeeld van moderniteit meer was, doet daaraan weinig af. Het ouderwetse zit hem overigens vooral in de toepassing van een dominant fronton boven een middenrisaliet met entreepartij. Dit ordenende motief had elders in Nederland zijn intrede gedaan in het tweede kwart van de zeventiende eeuw maar was inmiddels een beetje uit de mode geraakt.
In elk geval, zonde zou het zijn om al wat op papier is gezet te herkauwen. Daarom aandacht voor een paar ontdekkingen en voor enkele aspecten van het gebouw in zijn authentieke, deels niet meer bestaande vorm en detaillering.
Veruit de meeste historische gebouwen dragen de veelsoortige sporen van eeuwenlang gebruik: van functiewijzigingen en moderniseringen, van uitbreidingen en voorbije modes. Sommige van die sporen zijn met het blote oog te ontdekken. Andere gaan schuil achter pleisterwerk of de zoveelste verflaag, onder oplegvloeren of systeemplafonds. Een gebouw uitkleden en de ontstaansgeschiedenis ontleden tot in z'n essentie, het reconstrueren van ontwikkelingsfasen en dateren van onderdelen kan meestal pas bij een ingrijpende verbouwing of restauratie. Juist dan worden bordpapieren wanden verwijderd, komen kale muren in het zicht en zijn bijvoorbeeld bouwnaden en dichtgezette vensters en deuren te ontdekken. Het 'lezen' van een gebouw noemen we bouwhistorisch onderzoek, een soort bovengrondse archeologie.
Combineren we alle gegevens die bouwhistorisch onderzoek oplevert ook nog eens met wat uit archieven is op te diepen aan jaartallen van verkopingen, oude beschrijvingen en bepalingen die bedoeld waren om bijvoorbeeld burenruzies te voorkomen, dan is vaak een heel aardig en betrouwbaar beeld te schetsen hoe een pand zich heeft ontwikkeld.
We hoeven met zo'n onderzoek natuurlijk niet altijd te wachten op een ingrijpende verbouwing. Zo is op beperkte schaal historisch kleuronderzoek op houtwerk te verrichten, eenvoudigweg door één voor één de verflagen af te krabben met een chirurgisch mesje! Dit nu is in 1994 en 1995 gedaan bij het Stadhuis.
Het Stadhuis is relatief jong en tenminste bij de eerste blik van buiten heeft het er zelfs van weg of er nooit iets aan is verbouwd en vernieuwd, zo keurig en regelmatig ziet het eruit. Doch schijn bedriegt. De moderniseringen binnen laten zich wat gemakkelijker opsporen.
Wat er zoal veranderd en vervangen is? Beperken we ons tot hoofdzaken èn tot de buitenkant. Om te beginnen vond men het in 1816 nodig om de zogenoemde Engelse schuiframen met 40 (begane grond), 28 (eerste verdieping) en 16 (tweede verdieping) ruitjes te vervangen door eigentijdsere Empire-ramen met een grovere, respectievelijk 8-, 6- en 4-ruits roedenverdeling. Een beetje spijtig: in hun complete originele vorm waren de vensters in meer dan één opzicht bijzonder. De toepassing van het venstertype, vermoedelijk door een Engelse architect ontwikkeld en in de jaren-1680 in Nederland geïntroduceerd, behoort tot de vroegst bekende voorbeelden in Leeuwarden. Bovendien is het hier (met het herenhuis Grote Kerkstraat 31 uit 1716) één van de eerste, zo niet de allereerste keer geweest, dat kozijnen een getoogde bovendorpel kregen; de welving is amper waarneembaar maar ze is er.
Stadsarchitect Thomas Romein droeg de verantwoordelijkheid voor werkzaamheden veertig jaar later. Geciteerd uit het "Bestek en Voorwaarden" uit 1845 onder meer:
"1. Het nagenoeg geheel vernieuwen van den kroonlijst" en
"2. Idem van vijf schoorstenen buiten het dak (-)".
Voorts besloot men tot het "verwen van het Gebouw van buiten met den toren". Essentieel voor het aanzicht tenslotte was, dat de naar verhouding kleine trapstoep met afgeschuinde hoeken vervangen werd door een groot rechthoekig plateau met hoeklantaarns. Nog weer later (wanneer is moeilijk te achterhalen) zijn een aantal, kennelijk verrotte houten onderdorpels vervangen door betonnen exemplaren.
In 1994 zijn we dankzij onderzoek met zekerheid te weten gekomen dat ook de kleurstelling van het Stadhuis anders is geworden. De meest wezenlijke verandering, naar een wit op het meeste houtwerk, vermoedelijk in 1816 of 1845/'47. De ontdekking van de oude kleuren was een aardige gebeurtenis. De eerste krabpogingen, op het houtwerk van de koepeltoren en de dakkajuiten, leverden niets op. Dat de koepeltoren geen kleurgeheimen prijsgaf, was achteraf bezien geen wonder; stadshistoricus Wopke Eekhoff maakte al in 1846 in zijn "Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden" melding van een tezelfdertijd uitgevoerde vernieuwing van deze bekroning (waarschijnlijk door Romein). Dan maar de trap afdalen en opeens 'het licht zien'.
Ooit heeft de oostgevel grotendeels of zelfs geheel vrij gestaan. Tot 1760, toen men de raadzaal er tegenaan zette en op tweede verdieping-hoogte enkele stadhuisvensters aan het zicht werden onttrokken; het zijn de vensters die het trappenhuis verlichtten en thans uitkijken op de zolder van de raadzaal. Dat onderhoudsschilderwerk nadien achterwege kon blijven èn is gebleven, is zeer aannemelijk wanneer men bedenkt dat er geen slijtage meer optrad door weer en wind. De conclusie, dat de kleurlagen die nu nog op de vensterkozijnen zitten uit de periode 1715-1760 dateren, is vervolgens snel getrokken. Het bleken er welgeteld twee te zijn: de onderste zeer verrassend een stevig bruin met een rood zweem en daarover een zandsteenimitatie. De tweede kleur werd ook nog aangetroffen op kozijndelen onder meer aan de voorkant van het gebouw.
Na overleg met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentencommissie van Hûs en Hiem is toen besloten om alle houtwerk behalve de ramen weer die zandsteenkleur te geven. Als eerste onderdeel is in het voorjaar van 1995 de lantaarn geverfd. De kleur blijkt zeer goed te passen bij het echte zandsteen van het beeldhouwwerk en dit zal geen toeval zijn.
Inmiddels heeft het kleuronderzoek zich naar binnen verplaatst. De twee vertrekken links vooraan, de smalle kamer die men direct vanuit de hal betreedt en de daarachter gelegen hoekkamer, vormden in de achttiende eeuw samen de vroedschapskamer. De hoekkamer is eveneens op kleursporen onderzocht en met succes! Van de schouwpartij en de betimmeringen tussen en onder de ramen is wel zeker dat ze uit 1715 of even later dateren. De overige lambrizering is een soort imitatie van de oude delen en vermoedelijk aangebracht toen de vroedschapskamer in tweeën werd gesplitst, ergens in de negentiende eeuw. In de winter van 1994/'95 zijn tijdens kleuronderzoek een licht en een donkerder purper op de schouw en een purper op de oude lambrizering gevonden. Fraaie kleuren, waarvan het niet ondenkbaar is dat ze 'gereconstrueerd' zullen worden.
Zonder grote inspanning, heel simpel door met een vlijmscherp mesje kleuren bloot te leggen, zijn bijna letterlijk weer een paar tipjes van een historische sluier opgelicht. De discussie, wat daarna te doen met gevonden sporen, is veel lastiger.
Auckamastraatje 2 Het Oranje Bierhuis
"Mag onze goede stad helaas op weinig merkwaardigheden bogen, onder degenen die er zijn behoort in de eerste plaats genoemd te worden het van ouds bekende "ORANJE-BIERHUIS"", zo roemde
de schrijver van het boekje"De Geschiedenis van Rougemaison in het Oranje Bierhuis" dit eerbiedwaardig oude en sfeervolle etablissement.
Het Oranje Bierhuis is het oudste café van de stad. Een eerste aanwijzing van ‘horeca-activiteiten' op de hoek van Herenwaltje en Auckamastraatje vinden we in de oude papieren als omstreeks 1770 een telg uit het rijke Leeuwarder koopmansgeslacht Sippama "koffieschenker" bij het Stadhuis wordt genoemd. De familie Sippama bezat indertijd meerdere panden in de omgeving. Het was een tijd waarin koffieschenkers in het algemeen niet zozeer gevreesd werden door de drank die zij verschaften, als wel door het geven van gelegenheid tot politieke causerieën.
In het begin van de negentiende eeuw is een zekere J. Zijlstra bewoner. Hij wordt "maitre de caffé" (1811) en ook "koffieschenker"(1814) genoemd. Of het pand in die tijd al echt uitsluitend als café wordt gebruikt is niet helemaal duidelijk. Zeker is wel dat er na Zijlstra een "baardscheerder" en een "kastenmaker" in het pand wonen. Het definitieve begin van het ‘Oranje Bierhuis' als stadscafé mogen we wel dateren in 1857 als Bouwe Kuipers er met zijn gezin komt wonen. Toch wordt hij naast winkelier nog steeds "koffiehuishouder" genoemd. Eerst zijn opvolgers Lammert Swart (1869-1878) en de familie Blok (1878-1900) worden met naam en toenaam "bierhuishouder" genoemd, maar het valt te denken dat ook Bouwe Kuipers wel eens uit andere vaatjes zal hebben getapt.
Het Oranje Bierhuis bestond oorspronkelijk uit twee panden. In de gevel aan het Raadhuisplein is dit op de verdieping aan de raamstelling nog duidelijk te zien. Het rechter van de twee panden bezat tot in de jaren-tachtig van de vorige eeuw een trapgevel. Op de foto hierboven is deze duidelijk zichtbaar. Het linker pand evenwel was in die periode zijn top reeds kwijt. In opdracht van de toenmalige kastelein Blok zijn de panden samengevoegd onder een doorlopend schilddak. De caféruimte was tot die tijd gescheiden in twee vertrekken, door de cliëntèle de eerste en tweede kamer genoemd. De eerste kamer was bestemd voor de stamgasten en men betaalde er iets meer voor een alcoholische versnapering. Tot de samenvoeging van de panden zat de ingang in het midden van de gevel. Later is deze naar links verplaatst.
Door een in 1994 uitgevoerde schilderbeurt in ossenbloed- en zandsteenkleur zijn details beter zichtbaar geworden zoals de negblokken in de dagkanten en in de ontlastingsbogen de negblokken en sluitstenen. De sluitstenen in de zijgevel aan het Herenwaltje zijn decoratief als fraaie koppen uitgevoerd. In de voorgevel zitten een tiental grote en typerend oude ankers met in 1994 schalks oranje geschilderde knoppen. Het oorspronkelijke hoekpand is geheel onderkelderd. De kelder bezit een uitgang aan het Herenwaltje. Het interieur is de laatste 100 jaar nauwelijks veranderd en bezit veel sfeer.
Auckamastraatje 4 en 6.
Deze twee panden in de 'schaduw' van het Stadhuis van Leeuwarden hebben veel van hun zeventiende-eeuwse uiterlijk bewaard. Vooral nummer 6 is gaaf te noemen met zijn aardige topgevel. Terwijl nummer 6 nog over een trapgevel beschikt is nummer 4 omstreeks 1800 veranderd in een lijstgevel. Toen is ook de houten deuromlijsting aangebracht. Opvallend zijn de bewaard gebleven ontlastingsbogen met negblokken boven de vensters en de waterlijsten. De raamverdelingen zijn later gewijzigd, waarschijnlijk ook na 1800.
Omdat nummer 6 geen kelder onder de achterkamer heeft, liggen hier de vloerniveaus lager dan in het pand nummer 4. Dit zien we aan de buitenkant aan het verspringen van de vensters in de gevel. Aan de plaatsing van de ramen en de deur is de indeling van de huizen al deels af te lezen. Nummer 6 is drie bouwlagen hoog onder een hoge kap die van een lichtschepping is voorzien. Het pand nummer 4 is twee bouwlagen hoog onder een hoge kap met een dakkapel. De dakkapel heeft een fronton als bekroning.
De twee huizen werden in 1976 verworven door de Vereniging Hendrick de Keyser nadat inspanningen van de N.V. Stadsherstel in 1974 waren mislukt. De restauratie volgde in 1979-1980 onder architectuur van P.B. Offringa.
Nummer 4
Op nummer 4 wooonden in de achttiende eeuw ambtenaren in dienst van de stad Leeuwarden. Tot 1736 was hier Claas Coopmans, een lid van het toenmalige stedelijk bestuur woonachtig. Hij verkocht het aan Bernardus Munnick, "eerste clerk van Leeuwarden". Munnick woonde er slechts vier jaar en droeg het huis over aan Gerben Bottinga. Diens nazaten bewoonden het gebouw tot omstreeks 1830. In 1832 staat notaris Arnold Andreae als eigenaar geregistreerd. Andreae bezat meerdere panden in de binnenstad.
Vanaf ca. 1860 bezat Hidde Nijland, koopman van beroep, het huis. Na zijn dood bleef zijn weduwe Trijntje de Groot er wonen. In de boedelinventaris van Hidde uit 1867 wordt de indeling van het huis beschreven, waarbij de vertrekken en de inrichting nader worden genoemd. Op de begane grond waren twee vertrekken, de voorkamer, vroeger voorhuis en de achterkamer. Deze waren toegankelijk via een lange gang waarin beelden stonden. De achterkamer deed dienst als zitkamer en het voorkamertje als rookkamer. Hier bevonden zich acht schilderijen. Het pand was inmiddels geheel onderkelderd. Hier bevond zich de keuken.
Op de eerste verdieping lagen twee vertrekken, een voorkamer met twee vensters en een kleine slaapkamer. De eerste was de zondagse kamer met canapé, trektafel, stoelen en linnenkasten. Het vertrek was opgeluisterd met duurdere gebruiksvoorwerpen zoals porseleinen borden en een lamp, voorts een pendule, glaswerk en een schildpad lepeldoosje. De zolder diende als opslag voor turf. De inrichting is karakteristiek voor de doorsnee burgerwoning uit die tijd.
Het oude interieur is dankzij de restauratie nog goed herkenbaar. Bepaalde onderdelen zoals plafonds, trappen en schouwen geven een beeld van de oude sfeer van het huis.
Nummer 6
Het huis nummer 6 werd in de achttiende eeuw door de schepen Berend Storm gekocht, die het verhuurde. In 1765 ging de pruikenmaker Joh. van Gelder er wonen. In de negentiende eeuw werd het huis door de erfgenamen van de voormalige burgemeester Buijsing verkocht. Er kwamen twee woningen in het pand. De nieuwe eigenaar Hero Wybrandi, koopman van beroep, verkocht het spoedig om het vervolgens weer terug te kopen en behield het zeker tot 1832. Tussen 1860-1878 was het pand als ‘publiek huis' in bedrijf. Na die tijd werd het ook door twee families bewoond.
Het interieur van het pand bezat op de begane grond een voorhuis met links een zijkamertje. De lange gang was rechts gesitueerd. Hieruit kon men de achterkamer betreden. De spiltrap naar boven bevond zich direct achter het voorhuis. Tussen zij- en achterkamer lagen de bedsteden, waaronder een kleine provisiekelder te vinden was. Onder het voorhuis was eveneens een (bier)kelder gebouwd met een lichtschepping links van de deur.
Een akte uit 1730 beschrijft enkele interessante details. Zo lezen we dat in de achterkamer "Sweedse en witte vloer" te vinden was. De kamer was van behang voorzien en er stond een grote schouw. De keuken was in een aanbouw ondergebracht. Er was ook een binnenplaats met zomerkeuken en privaat. Op de verdieping lagen de vóór- en achterkamer. De laatste was voorzien van een haard. De kap diende indertijd als turfzolder en als opslagruimte.
Sint Jacobsstraat 29 De Spoekepôlle
Het pand nummer 29 is één van de kleinste huizen in de Sint Jacobsstraat. Het meest opvallend aan de gevel is de ingangspartij met de sierlijke ijzeren balk op natuurstenen consoles. De balk maakt een vrije indeling van de winkelpui mogelijk. De afwijkende kap is na een brand in 1985 aangebracht. Het café op de begane grond biedt plaats aan ongeveer twintig bezoekers. De bovenverdieping en zolder hebben een woonbestemming.
Waarschijnlijk is Sint Jacobsstraat 29 omstreeks 1880 gebouwd, of tenminste ingrijpend verbouwd. Over het huis dat voor 1880 op dit perceel stond, valt niet zoveel te zeggen. Waarschijnlijk was het een weinig opvallend pand. Begin negentiende eeuw werd voor het pand een huurwaarde berekend van ƒ 150,-, wat wijst op een gemiddelde grootte en kwaliteit. Gedurende het grootste deel van de periode 1800-1880 woonden er kooplieden en andere middenstanders. Curieus is dat in 1847 de opperrabijn van Friesland, Benedictus Dusnus, tijdelijk een deel van het huis bewoonde.
In 1880 kreeg het pand een bestemming als magazijn van een schoorsteenvegersbedrijf. Van 1875 tot 1887 was de uit Zuid-Zwitserland afkomstige schoorsteenveger Gregorie Gugliemina eigenaar. Vervolgens was het huis langere tijd in bezit van de firma Philippini & Begnudini, schoorsteenvegers, rookverdrijvers en metselaars. Deze rond de eeuwwisseling florerende firma hield zich al niet alleen meer bezig met schoorstenen, maar fabriceerde tevens paraplu's, wandelstokken en brillen en vervaardigde en repareerde marmeren vloeren, toonbanken en uitstalbladen. Naast het magazijn in 29, exploiteerde het bedrijf een winkel in Sint Jacobsstraat 33 en een werkplaats in het toenmalige Raadhuisstraatje.
Volgens kadastrale gevevens werd het pand in 1902 wederom verbouwd, maar nadere gegevens ontbreken. In 1907 kreeg het pand een woonfunctie en losten verschillende huurders elkaar af. Mogelijk was op de begane grond toen al een winkel gevestigd. In 1919 kwam Hendrikus van Keulen met zijn gezin naar nummer 29 en begon er een winkel in naaimachines en rijwielen, later (na de oorlog) alleen nog maar in naaimachines. De werkplaats bevond zich in Raadhuisstraatje 10. Naast de familie van Keulen bood de Sint Jacobsstraat 29 ook ruimte aan allerlei inwonenden. Gedurende de jaren 1919-1924 huurden achtereenvolgens een rechter, een ingenieur, een majoor, een PTT-beambte en een advocaat een kamer.
Van Keulen werd opgevolgd door de firma Kuiken, aluminiumbouw. Na de verkoop in 1977 vond een verbouwing plaats. Aan de achterzijde werden twee balkons aangebracht, op de eerste verdieping kwam een extra toilet, terwijl ook de ingang iets veranderde. In 1981 verloor het pand zijn winkelfunctie en kreeg het zijn huidige bestemming als café "De Spoekepôlle". Met de - inmiddels verdwenen - "Exit" en "Vera", behoorde "De Spoekepôlle" tot een nieuwe generatie trendy café's, die begin jaren-tachtig in Leeuwarden kwamen. Na een brand eind 1985 werd het goedlopende café nagenoeg identiek herbouwd. De sierlijke plafonds op de begane grond getuigen nog van een oudere indeling.
Sint Jacobsstraat 22
Op 12 mei 1908 begon Giel Groenewoudt een banketbakkerij in het pand Sint Jacobsstraat 22. De uit Amsterdam afkomstige Groenewoudt bleek niet het eerste de beste bakkertje. Opgeleid bij bekende patisseurs in Parijs maakte Groenewoudt faam in Leeuwarden. Zo'n faam dat zijn medewerker Pierre Jozef de Jonge bij de overname op 1 mei 1922 met een gerust hart de firmanaam
"G. Groenewoudt" als gerenommeerde aanbeveling voor verfijnde banketwaren kon voortzetten. Heerlijke taarten kon men er krijgen: nougatine-, open confiture-, profiterol-, en espanjool- of ruzietaart, maar ook puddingen met verrukkelijke namen als "Charlot Russe", "Riz à l'Imperatrice" en "Crême Santiago". En natuurlijk had speciaalzaak Groenewoudt ook zijn plaatselijke lekkernij: "Leeuwarder Snufjes, een goed geslaagd, zeer fijn boterkoekje". Een bijzondere zaak die zich reeds na ruim veertig jaar mocht tooien met het predicaat Hofleverancier, gewoonlijk pas te verwerven na het honderdjarig bestaan. Op 1 juli 1986 sloot D.P.J. de Jonge, zoon van Pierre Jozef, de deur van de banketbakkerij. Anno 1995 is Sint Jacobsstraat 22 nog één van de weinige panden in de stad waarin diverse functies een architectonische eenheid vormen.
Het winkelpand werd in 1927 in opdracht van Pierre Jozef de Jonge gebouwd door de Leeuwarder architect Joh. Boonstra. Reeds in het najaar van 1925 besprak De Jonge met Boonstra de mogelijkheid van aanpassing van alleen de winkelpui. Een half jaar later kreeg Boonstra echter een opdracht waar hij ook zonder banket van gesmuld zal hebben. De Jonge besloot tot volledige afbraak van zijn oude winkelpand en Boonstra mocht gaan tekenen aan een totaal-ontwerp voor winkel met woning en bedrijfsruimte; exterieur én interieur! De bouw werd maart 1927 aanbesteed voor ƒ 14.780,-. Dit was exclusief de kosten voor het interieur die op ƒ 2957,50 werden uitgeteld.
Architect Boonstra zette een pand neer in de voor de Leeuwarder binnenstad zeldzame Amsterdamse Schoolstijl. De winkelpui werd uitgevoerd met granieten omlijsting en portiekstoep. Het bovenlicht kreeg een roedenverdeling met geslepen glas over de volle breedte. Op de woonverdieping ontwierp Boonstra een breed drielichtvenster met bovenlichten, waarmee hij afweek van de traditionele raamverdeling van oudere huizen. Ook in de derde bouwlaag kwamen ongewone ramen; een decoratief omlijst tweelichtvenster in een licht risalerende middenpartij. De hoekvenstertjes werden leunend met een grote rondstaaf scheef in het risaliet geplaatst. Het pand kreeg een plat dak.
Het winkelinterieur werd door de firma Mulder uit Groningen in vurenhout uitgevoerd en geplaatst. In 1934 liet De Jonge het interieur door de Leeuwarder meubelfabrikant Van Gelder vervangen in eikenhout en palisander. Vermoedelijk zijn toen ook de glas-in-lood ramen in de winkel geplaatst. Ook het bovenlicht van het raam op de woonverdieping kreeg in 1934 decoratief glas-in-lood. Boonstra had hier net als in de winkelpui oorspronkelijk blank geslepen glas aangebracht.
Van de situatie vóór 1927 resteren slechts twee dingen: een gevelsteen en het tenminste zeventiende-eeuwse Spooksteegje. De gevelsteen is aangebracht in de buitenmuur van de bedrijfsruimte achter aan het plaatsje. Een hond, een slang met een hart in de bek, een zwaard en de wereldbol staan symbool voor het steenopschrift "Nijdt baart strijt".
Sint Jacobsstraat 19
In 1934 werd dit pand ingrijpend verbouwd naar ontwerp van architect A. Witteveen in opdracht van de fa. H.D.M. Hofstede Geneeskundige Instrumenten. Het pand valt in de Sint Jacobsstraat op door de toepassing van beton in de gevel.
De voorgevel is in 1934 totaal vernieuwd en wordt op de begane grond gevormd door een betonconstructie in de vorm van een omgekeerde U, waarvan de betonranden ten dele worden omlijst door een smeedijzeren hoekprofiel. Het beton is gedeeltelijk als gewassen grindbeton uitgevoerd en is aanvankelijk niet geschilderd. Later is dit wel gebeurd en is het naturel karakter van de beton verloren gegaan. Een ander markant onderdeel van de gevel is de driehoekige uitstulping (een soort erker) op de eerste en tweede verdieping die rust op een sierlijk uitgevoerde console van gewapend beton. Het is vooral deze erker die letterlijk en figuurlijk reliëf geeft aan de gevel. De gevel is ontworpen in een sobere art-déco-stijl.
Zelden treden gevels in de binnenstad buiten het vlak boven de rooilijn. Een ander mooi voorbeeld van reliëf in de gevel is Voorstreek 90 met op de eerste verdieping een fraai gemetselde geronde erker, gebouwd lang voordat ronde gevels in de architectuur in de mode kwamen.
Er gaat in modezaak Pierrot op nummer 19 nog een andere gevel schuil en wel de voormalige voorgevel van een werkplaats op de binnenplaats. De binnenplaats is bij de winkel getrokken maar de onderkant van die gevel is nog steeds in het zicht en werd in 1934 ontworpen door architect Joh. Boonstra. Deze gevel met stalen ramen en deuren is meer in de stijl van de nieuwe zakelijkheid uitgevoerd en completeert daarmee de zo gevarieerde ‘gevelcatalogus' van de Sint Jacobsstraat.
Sint Jacobsstraat 15
Hoewel nummer 15 enigszins in het niet valt bij de nummers 11 en 13 verdient dit met een fraaie achttiende-eeuwse klokgevel getooide pand toch de aandacht. De geschiedenis van het huis is nauw verbonden met die van de buurpanden in Sint Jacobsstraat en Maria Annastraatje. De vroegste gegevens over een huis op dit perceel dateren van 1651, toen Coenraerd Raerdt - muntmeester van beroep en wonende op nummer 13 - ook het pand nummer 15 overnam. In 1707 kwam het huis in handen van Hendrik Frieswijk, die hoogst waarschijnlijk kan worden beschouwd als de stichter van het huidige gebouw. De familie Frieswijk heeft gedurende bijna een eeuw het huis in eigendom gehad en daarmee een zwaar stempel gedrukt op de geschiedenis van het pand. Gezien de periodieke verhoging van de huurwaarde mag geconcludeerd worden dat met name in de eerste helft van de negentiende eeuw het pand behoorlijk werd verbouwd en opgeknapt. Het bovenste deel van de gevel is in 1976 gerestaureerd.
De waarschijnlijk eind zestiende eeuw uit Deventer gemigreerde familie Frieswijk wist in de loop van de zeventiende eeuw via Sneek door te dringen tot het Leeuwarder patriciaat. In 1705 kocht Hendrik Frieswijk sr. Sint Jacobsstraat 13 en liet een ingrijpende verbouwing plegen. Frieswijk was een voornaam man. Zo was hij onder andere premier-klerk der Gedeputeerde Staten van Friesland en hopman, later ook schepen, burgemeester en lid van de vroedschap. In 1715 kocht hij van een zekere Wouter Meinerts nummer 15 - "seeckere vrije huijsinge, plaetse, keucken en verdere toebehooren" - voor de prijs van
fl 1280,-. In 1717 kreeg Frieswijk de steun van het stadsbestuur, toen hij in conflict raakte met omwonenden over zijn plan om in het Maria Annastraatje van "twee olde kamers een wagenhuijs met een paardestallinge te mogen maaken als mede een vrije uijt en inreed derselver na de groote sint Jacobsstraat". Veel is er niet over bekend, maar zeker is dat de familie Frieswijk een complex van bezittingen verwierf in en rondom de Sint Jacobsstraat.
Het lijkt vrij aannemelijk dat tussen 1707 en 1728 nummer 15 werd verbouwd tot ongeveer de huidige toestand. Na het overlijden van Hendrik Frieswijk in 1728 is het niet zeker welke leden van de familie in welk huis in de Sint Jacobsstraat woonden. In ieder geval woonde in 1749 Edo Pieter Frieswijk, net als zijn vader premier klerk der Gedeputeerde Staten van Friesland, aan de Sint Jacobsstraat-westzijde. Later bleek neef Hendrik Frieswijk jr., advocaat voor het Hof van Friesland en getrouwd met een dochter van Edo Pieter, op nummer 15 te wonen. Een summiere boedelbeschrijving, opgemaakt na het overlijden van Hendrik in 1788, geeft informatie over het familiebezit. Naast zilver, goud, juwelen ter waarde van fl 2036,- en boeken ter waarde van fl 305,- worden ook onroerende goederen genoemd. Sint Jacobsstraat nummer 13 was toen fl 6000,- waard en nummer 15 -"bij de overleedene bewoond geweest"- fl 2142,-. Hendriks tweede vrouw en weduwe Juliana Andreae erfde in totaal fl 12.049.
Deze Juliana Andreae liet het pand op haar beurt na aan een familielid. Omstreeks 1820 verkocht Johannes Petrus Andreae het huis. Het pand kwam, net als de buurpanden, in handen van de weduwe van Bienema-Bergsma. Van 1837 tot 1848 was het hele complex eigendom van de familie Reneman. Bewoners gedurende deze periode waren rechter Kratzsch en zijn vrouw, dochter en dienstpersoneel. Tot 1872 was het pand in gebruik bij apotheker Riedel, tevens eigenaar. Vervolgens kwam het huis aan de uit Mettingen afkomstige ‘lapkepoep' Georg Bernard Flacke, die er een winkel in manufacturen vestigde. In 1895 nam de familie Miedema de manufacturenzaak over. Cornelis Bakker begon in 1915 een meubelmakerij annex winkel. Vanaf 1936 gebruikte Willem Fahner het pand als woning, werkplaats en ‘lederhandel'.
Sint Jacobsstraat 13
Het pand is het meest opvallende woonhuis in de straat. Het valt op vanwege zijn nog vrij gave zeventiende-eeuwse uiterlijk en het fraai gebeeldhouwde fries boven de onderste bouwlaag. De gevelindeling en -versiering vertoont een zekere overeenkomst met die van het huis Nieuwestad 103, in de stad bekend als de Vredeman de Vriesgevel. De gevel bestaat uit drie bouwlagen onder een hoge kap en is drie traveeën breed. De façade is een zogenaamde pilastergevel; op de vierde en vijfde bouwlaag voor de kap bevinden zich dubbele pilasters met ionische en korinthische kapitelen. Boven de vensters zitten boogvelden met gebeeldhouwde versieringen waarin rolwerk en schelpen. Horizontale lijsten duiden de verschillende verdiepingen aan. Zij vormen een goed evenwicht met de verticale elementen van de pilasters. De laatste worden op de hoogte van de dorpels en middendorpels extra onderbroken door natuurstenen blokken. De rijk versierde gevel herinnert aan de scheppingen van de Amsterdamse architect Hendrick de Keyser. Ooit bezat het huis een houten onderpui. De vensters van de vliering en de zolder bezitten nog de zeventiende-eeuwse roedenverdeling en de oude houten luiken. De andere ramen zijn evenals de geveltop in het begin van de achttiende eeuw aangepast aan de toen heersende mode, de Lodewijk XIV-stijl. De gebogen lijn van de gevel met een bekroning van accanthusbladen uit die tijd geeft het gebouw een eigen karakter, vooral vanwege de combinatie met de zeventiende-eeuwse ornamentiek met klauwstukken van rolwerk en nissen met schelpen. Een fraai voorbeeld van baksteenarchitectuur met natuurstenen decoratie.
De achtergevel is in tegenstelling tot de straatgevel sober van stijl maar vertoont met boogvelden en de uitgemetselde bogen naast de vensters nog steeds een sierlijk en voornaam karakter.
De geschiedenis van het pand gaat terug tot 1635, toen Dirck Albertsz. opdracht voor de bouw gaf. Helaas is de bouwmeester niet bekend, maar dat hij zijn beroep verstond, heeft hij bewezen. Dirck kwam uit Deventer en was drukker van beroep. Dat liet hij overduidelijk blijken door het aanbrengen van een fries met afbeeldingen van het drukkersambacht. Zo zien wij verschillende formaten boeken, vellen papier, letterbakken, een houten handpers en gereedschappen in steen uitgebeeld. Al in 1645 verkocht hij het pand aan een koopman. In 1705 kwam het deftige huis in bezit van de latere burgemeester van Leeuwarden, Hendrick Frieswijk. Zijn voorganger in het pand was een pruikenmaker. Aan Frieswijk en zijn vrouw herinnert het alliantiewapen met het jaartal 1706, waarboven een erker was aangebracht voor de zaal. Ook kwamen er nieuwe beschilderde plafonds in de voorkamer op de begane grond. Het huis vererfde op een zoon en een klein-dochter. De laatste huwde met een neef, ook met de naam Frieswijk.
Aan het einde van de achttiende eeuw werd de patriciër Epke Roos van Bienema de nieuwe eigenaar, die het pand als stadshuis gebruikte. Hij had een buiten in Oudeschoot, Veenwijk geheten. In een koopakte uit 1836, toen de nazaten van Epke Roos het huis aan D.P. van Kolde Reneman verkochten, worden alle vertrekken genoemd. In de kelderverdieping waren de provisie- en wijnkelder ondergebracht. De begane grond bevatte een diepe gang met portaal en marmeren vloer. Rechts ervan lag de voorkamer met fraai plafond, behang en twee ramen naar de straat. Hierachter was een middenkamer gevolgd door een achterkamer, waarin een marmeren schoorsteenmantel met spiegel stond. In de uitbouw aan de achterzijde zat een knechtekamer en een privaat.
De eerste verdieping was via een royale trap halverwege de gang te bereiken. Dan kwam men in een portaal waaruit de boven-voorkamer kon worden betreden. De kamer was van drie vensters en een schoorsteen voorzien en moet een soort zaal ofwel representatieve ruimte zijn geweest. Het vertrek grensde aan een middenkamer waarnaast een alcoof en een nis te vinden waren. De kamer ernaast was de achter-bovenslaapkamer met twee ramen aan de binnenplaats. Het kamertje ten zuiden hiervan met een raam aan de achterzijde had de functie van een kabinetje.
De tweede verdieping had ook een portaal waaruit de achterkamer en twee opeenvolgende kleine kamertjes met één raam naar het noorden konden worden betreden. Vooraan was de linnenzolder gesitueerd, voorzien van drie ramen. Een merkwaardige oplossing, hier zou men eerder een kamer verwachten. Naast de achterkamer was er een vertrek voor de meid.
Op de derde verdieping bevond zich de turfzolder, terwijl de vierde verdieping als vliering dienst deed. Deze indeling vertoonde een tamelijk gave zeventiende-eeuwse opzet.
Achter het huis stond een gebouw waarin de keuken was ondergebracht, voorzien van een turfzolder. Vanaf de binnenplaats en bleek kon men het koetshuis of stalling bereiken, dat aan het Maria Annastraatje stond. Dit gebouw bevatte ruimte voor vier paarden en een hooizolder. Het woonhuis en de bijbehorende bebouwing was in een L-vorm om het pand nummer 15 heen gebouwd.
Het grote pand bleek aantrekkelijk voor het vestigen van een bedrijf. In 1848 werd er de bakkerij van Johannes Egberts Kuipers gevestigd. Zijn zoon en kleinzoon zetten het bedrijf voort. In hun tijd werd het pand in een bedrijfs- en woongedeelte gesplitst. De voorgevel had toen op de begane grond twee dubbele deuren met daartussen een groot etalagevenster. De overige ramen hadden T-vensters zoals op een foto uit 1904 te zien is. Vervolgens nam Van Dams Brood- en Koekfabriek het gebouw over.
In 1928 werd het monumentale gebouw aan de straat door de Vereniging Hendrick de Keyser verworven en vervolgens door D. Meintema gerestaureerd. In 1934 werd de geveltop door A.R. Wittop Koning gerestaureerd. In 1962 volgde de restauratie van de voor- en achtergevel door J. Vegter sr., terwijl in 1977-1979 de begane grond werd opgeknapt. De verdiepingen kwamen in 1989 aan de beurt.
In 1995 doet het pand als winkel- en woonpand dienst. In de winkel zijn nog oude bouwfragmenten van een portaal in Lodewijk XVI-stijl te zien. In de achterkamer is nog de oude schoorsteen met stucwerk, spiegel en beschildering te vinden. Ook staat een bijzondere schouw boven in de achterkamer waarin een schilderij is aangebracht dat naar verre oorden verwijst. Het tafereel toont het gezicht op de baai van Napels met het kasteel-"Ei" aan het water en boven op de berg het koninklijk paleis. Voorts treft men vele leuke oude details in het huis aan.
Sint Jacobsstraat 4
"Corpus Multifarium Vulnerum"
In 1939 werd muziekhandel De City getroffen door een forse brand. Bij de brand bleven twee gevelstenen uit de oude gevel wonderwel gespaard en werden op een minder gelukkige plaats in de nieuwe gevel ingemetseld. De grootste vertoont een zogenaamd wondenmannetje, een mannelijke figuur verwond door, hoewel moeilijk te onderscheiden, een ruime keuze uit het wapentuig van vroeger eeuwen. We zien dolk, sabel, degen, knots, pijl en kogel. Het Latijnse onderschrift luidt: "Corpus Multifarium Vulnerum", dat door het wijkboek uit 1878 vertaald wordt als het huis met de afbeelding van "het lichaam op vele wijzen gewond". In heelkundige werken uit de zestiende en zeventiende eeuw was het wondenmannetje een geliefde afbeelding, die zich geleidelijk ontwikkelde tot het embleem van de chirurgijnen. Het wondenmannetje op het zegel van het Middelburgse Chirurgijnsgilde toont opvallend veel gelijkenis met de afbeelding op deze gevelsteen. Voor 1800 was het gebruik van straatnamen en huisnummers nog niet officieel ingevoerd en ontleenden de panden hun identiteit vaak aan een naam, die veelal in een gevelsteen werd verbeeld. Soms werd in een gevelsteen het ambacht of beroep van de bewoner uitgebeeld. Dit is hier waarschijnlijk het geval want nummer 4 werd gehuurd door Jacobus Eyleman. Jacobus is in 1688 opgenomen in het chirurgijnsgilde van Leeuwarden en beoefende zijn vak later op Schiermonnikoog. Hij overleed in 1726. Ook de stadschirurgijn dr. Allardus Kann en de chirurgijn Hans Metz oefenden eertijds hun beroep uit in dit pand met zijn saaie voorgevel maar doorleefde gevelsteen.
Sint Jacobsstraat 1
Op nummer 1 treffen we in de wit gepleisterde voorgevel een bijzonder gevelelement aan ingeklemd tussen twee markiezen en een lichtarmatuur. De brede krimpscheur verraadt dat het van hout is. Het betreft hier een cartouche, waarvan het onderste veld blank is gebleven of door vele schilderbeurten zijn jaartal of tekst niet meer prijsgeeft. Op het bovenste veld, in de vorm van een wapenschild, is op een schaal een kan met gelobte onderkant uitgesneden. De anoniem gebleven houtsnijder heeft misschien een zilveren (koffie-)kan als voorbeeld gebruikt. Het is niet goed te zien, maar het lijkt erop dat de tuit van de kan is beëindigd met een dierfiguurtje, wat typerend is voor Friese zilveren kannen uit die tijd. We hebben hier vermoedelijk te maken met een familienaambord van de vooraanstaande Leeuwarder familie Kan(n). Deze bezat en bewoonde in de zeventiende en achttiende eeuw onder meer verschillende panden in de Sint Jacobsstraat. Het bord is gezien de stijl van het cartouche te dateren in de eerste helft van de achttiende eeuw.
In Leeuwarden worden op diverse plaatsen gevelstenen na kleur- en historisch onderzoek weer voorzien van hun oorspronkelijke kleuren. Een dergelijke behandeling zou dit meer dan twee eeuwen oude bord zeker niet misstaan.
Sint Jacobsstraat 5
Winkelinterieurs en -puien zijn sterk aan mode onderhevig en de frequentie waarmee ze tegenwoordig soms vervangen worden degradeert ze veelal tot een soort decorbouw. Puien uit het begin van deze eeuw treffen we, inzoverre nog aanwezig, meestal aan in de meer verstilde winkelstraten. Toch vinden we hier vlakbij de Nieuwestad, dé hoofdwinkelstraat van Leeuwarden, een nog nagenoeg gaaf bewaarde naamplaat in de gevel van nummer 5. De plaat is waarschijnlijk in 1913 aangebracht, want in dat jaar nam de naamgever ervan, Ids van Kalsbeek, de zaak over van de fa.D. Terwee. De uit zeven delen bestaande zwart glazen naamplaat draagt Kalsbeeks naam in Jugendstilletters. De verdiepte letters vertonen nog sporen van een goudkeur. De plaat is rechtsonder gesigneerd door het Leeuwarder bedrijf L.JOHs. VAN DER MEULEN. Dit was een fabriek met ateliers ter vervaardiging en bewerking van glas, steen, tegels en verfwaren gevestigd aan de Oostergrachtswal en Wybrand de Geeststraat. In een advertentie uit 1911 lezen we onder andere dat de fabriek bezat een: stoomglasslijperij en glasgraveer-inrichting, zandblaasmachines ter vervaardiging van gevelnaam- en sierplaten van marmerglas, ateliers voor geëtst glas, etc... Zo vertelt deze bewaard gebleven naamplaat niet alleen iets over de winkelhistorie van dit pand, maar bewaart ook de reclamebelettering uit die tijd en is een mooi voorbeeld van een nu ‘uitgestorven' techniek.
Sint Jacobsstraat 7
Deze fraaie pilastergevel heeft er lange tijd bijgestaan als een 'suterige' bleke juffer. Dat was jammer, want samen met de opvolgende nummers in de straat hoort het pand tot de fraaiste zeventiende-eeuwse gevelwand van de stad.
Sint Jacobsstraat 7 zal omstreeks 1650-1660 gebouwd zijn. In de archieven vinden we het pand verschillende malen getooid met de naam "De Witte Helm", mogelijk een gevelsteen of uithangteken. Het voorname woonhuis kende bewoners van stand. In 1711 wordt een zekere secretaris Lamringh als bewoner genoemd. In 1743 kochten advocaat Pieter Bruinsma, jurist en secretaris van Idaarderadeel en Iskje Bruinsma ieder voor de helft het pand. Iskje was getrouwd met de Leeuwarder burgemeester Jacobus Bourboom. Een andere stadsbestuurder Harmanus Balk verwierf het huis in 1764. In het dagelijks leven moet Balk een gefortuneerd koopman zijn geweest. Ook op zijn huis maakte hij een aardig winstje. Verkregen voor fl 2821,- verkocht hij het in 1806 voor fl 4900,- weer aan Cornelis Smedes en zijn vrouw Anna Delmalje.
In de negentiende eeuw kreeg het pand een winkelfunctie wat zich omstreeks 1900 vertaalde in de vervanging van de onderpui door een brede portiekpui. Na 1945 vestigde zich er een filiaal van een bedrijf voor chemisch reinigen en wassen. De gevel was van een witte sauslaag voorzien en kreeg in de loop der tijden een slonzig aanzien. Het uitzakken van het linkergedeelte van de gevel werd voor eigenaar J.T.M. Hepkema in 1987 aanleiding om tot restauratie over te gaan.
Bijzonder aan het herstel is dat het pand niet alleen bouwkundig is opgeknapt, maar ook zijn oorspronkelijke kleurstelling heeft terug gekregen. Onder de vale witte sauslaag kwam een warme paarsbruine kleur tevoorschijn, een materiaalimitatiekleur, die nu weer is aangebracht. De zandsteenelementen zoals lijsten, afdekplaten, kapitelen en dergelijke, zijn van een geel-beige kleur voorzien. Met het aanbrengen van deze niet-authentieke beschildering is het kwetsbare zandsteen beter beschermd tegen aantasting door moderne luchtverontreiniging. Naar de spelregels van het aanbrengen van kleur op monumenten zijn de kozijnen lichter uitgevoerd dan de donkere draaiende of schuivende ramen die kwetsbaarder zijn.
De restauratie van de verdwenen toppinakel op de trapgevel vormde de bekroning van een geslaagde rehabilitatie. Anno 1995 is in het pand een modieuze kledingzaak gevestigd die ook het leven van echte bleke juffers van kleur voorziet.
Sint Jacobsstraat 11 en 9 en Herenwaltje 10 De Phoenix
Het pand Sint Jacobsstraat 11 is zowel wat het exterieur als het interieur betreft één van de monumentaalste panden in de Leeuwarder binnenstad. Het perceel waarop het huis verrees, werd op 11 januari 1666 gekocht door Sinjeur Abraham de Schepper en Titia Hagius. De Schepper was Burgemeester van Leeuwarden en Gedeputeerde van Friesland. In het jaar van de aankoop werd het huis gebouwd. In een cartouche boven een van de pilasters staat in Romeinse cijfers het jaartal 1666. Na De Schepper werd het huis door vooraanstaande personen bewoond. In volgorde zien we voorbij komen Philip van Heiningh "geheimraed van sijne Hoogheit den Prins van Orangie en Nassau"; François Halma, Landschapsdrukker; Douarière van Schratenbagh, geboren d'Aylva; Tinco Lycklama à Nijeholt, Raad-Ordinaris in den Hove van Vrieslant; Ena Romelia van Idzinga, weduwe van Ayso van Boelens; Hector L. van Sminia, politicus, Grietman en Tweede Kamerlid en Baron J.N. du Tour, Grietman van Leeuwarderadeel.
In 1823 werd het voorname woonhuis ingericht tot logement en kreeg het de naam ‘De Phoenix'. De gevel van De Phoenix had oorspronkelijk vier verdiepingen. Omstreeks 1878 is de geveltop gesloopt en vervangen door een schilddak. Architect G.J. Veenstra maakte later op basis van een tekening van A. Martin een reconstructietekening van de gevel en schreef erbij: "Gevel is onder leiding van den architect H.H. Kramer in't derde kwart van de 19e eeuw bedorven".
De drie nog bestaande verdiepingen van de gevel worden bepaald door gestapelde pilasters, achtereenvolgens in de Dorische, Ionische en Korintische orde. De voetstukken en kapitelen zijn uitgevoerd in zandsteen. De bovenste verdiepingsvensters zijn omzoomd met festoenen. Boven de verdiepingsvensters hangen zware festoenen in de vorm van bloemslingers, die bij de middelste travee door een draperie met elkaar verbonden zijn.
In 1878 werd ook het interieur vernieuwd onder supervisie van architect Kramer. De toenmalige eigenaar W.J. Brochard liet onder andere de voor- en achterzaal opnieuw inrichten. Er kwamen plafondschilderingen in met neo-stijlkenmerken zoals arabesken, knoppen en vazen. Langs het plafond loopt een kooflijst met lotusbladeren. De hoeken van de zalen zijn betimmerd, langs de wanden zijn lambrizeringen met panelen aangebracht. In de achterzaal bevindt zich een schouw van zwart marmer met groene inlegstukken. Boven de schouw is een hoge spiegel met rijkversierde lijst geplaatst.
Op het plafond is achtmaal een cartouche aangebracht met de tekst "W 1878 B". Ongetwijfeld de initialen van de eigenaar en opdrachtgever en het jaar van de verbouwing.
Architect Kramer bleef betrokken bij de verbouwing van De Phoenix. In 1906 maakte hij voor de nieuwe eigenaar J. Jonker een plan voor de "uitbreiding en verbouwing van het Hotel Phoenix aangenomen door M. Meijer, alhier voor f 9.567,-". Vermoedelijk is toen onder andere de trappartij vernieuwd. De trap naar de bovenverdieping heeft een trappaal met Amsterdamse schoolkenmerken. Boven het trapbordes zit een glas-in-lood raam met Jugendstil-motieven en centraal een afbeelding van de mythologische vogelfiguur Phoenix. Ook is in het pand nog een oude spiltrap aanwezig, waarvan de houten spil een bijzondere getordeerde vorm heeft.
Hotel De Phoenix had een goede naam. Voor het hotel stonden vroeger dikwijls deftige equipages en later statige automobielen met kaarslantaarns. Belangrijke gasten werden van het station afgehaald met een omnibus van het hotel. Vermeld moet nog worden dat het koffiehuis Hof van Holland op nummer 9 ook nog bij het hotel werd getrokken. De grote eetzaal werd hierin ondergebracht.
In mei 1940 betrokken Duitse militairen het hotel. Na in 1945 het tribunaal gehuisvest te hebben nam 's Rijksbelastingen het gebouw in gebruik. Na het vertrek van de belastingdienst heeft de benedenverdieping een aantal winkelvestigingen en een kapper gehuisvest. De bovenverdiepingen kwamen leeg te staan. In de jaren '93-'95 is het grote huis, dat doorloopt tot het Herenwaltje, door de Woningstichting Patrimonium gerestaureerd. Er zijn zestien nieuwe appartementen in aangebracht.
Boven de voordeur is ter herinnering aan de restauratie een prachtig gesneden bovenlicht geplaatst. Het stelt uiteraard een Phoenix voor en symboliseert dat dit voor Leeuwarden zo belangrijke monument als het ware uit haar as is herrezen.
Maria Annastraatje 3
In 1993 is de voorgevel van dit charmante pandje gerestaureerd. Het metselwerk was te ver heen om als schoon werk gerestaureerd te kunnen worden. Daarom koos men voor een nieuwe pleisterlaag, waarin de rondbogen boven de kozijnen gestyleerd werden aangegeven. De gevel werd gesausd in een cementkleurig grijs. Het pand is in de loop der tijden bewoond geweest door beoefenaren van gewaardeerde ambachten zoals schoenmaker, kleermaker, boekdrukker, goudsmit enzovoort, maar ook door vrouwen die een beroep uitoefenden met minder maatschappelijk aanzien, want van 1850 tot 1867 was dit pand een waarschijnlijk chique bordeel. In deze periode waren er in het Maria Annastraatje drie en in het Auckamastraatje twee bordelen, die in tegenstelling tot de bordelen in de Amelandsstraat vlak bij de Kazerne, hun cliëntèle wierven uit de betere kringen, wat ook wel te verwachten was zo dicht bij het bestuurscentrum van de stad.
In 1867 werd de woning gesplitst in een onder- en bovenwoning. In 1873 richtte de timmerman Jentje Jorna beneden een timmerwinkel in. Deze voormalige timmerwerkplaats is na de restauratie in 1993 een kunstenaarsatelier. De eigenaar/bewoner heeft er onder andere de etspers van zijn leermeester de Leeuwarder kunstenaar Jan Stroosma in gebruik. De balken in het atelier lopen van de voor- naar de achtergevel, wat doet vermoeden dat de zijgevels mandelig (in gemeenschappelijk gebruik met de buren) zijn. Achter de voordeur loopt een gang over de volle lengte van het pand met aan het einde ervan het voormalige uitpandig privaat, nu een bergkast. De over twee verdiepingen doorlopende wenteltrap staat tegen de achtergevel en is door een vorige bewoner op de begane grond ten dele vergroot waardoor hij daar helaas zijn oorspronkelijke vorm heeft verloren. Op de eerste verdieping is deze zeventiende-eeuwse trap wel gaaf bewaard gebleven met nog de originele stootborden bestaande uit brede deeltjes verbonden met veer en groef. De treden zijn ingemetseld in de achter- en zijgevel en zijn niet zoals vaak gebeurd door vocht aangetast. Halverwege de trap vinden we een deurtje van kraalschroten dat toegang geeft tot een bergruimte boven het voormalige privaat. Intensief bewoonde panden zoals dit deed de bewoners woekeren met de schaarse ruimte. Op de eerste en tweede verdieping zijn nog originele paneeldeuren aanwezig. De oorspronkelijk met pannen gedekte kap is vroeger verlaagd tot een platdak, dat bij ontbering van tuin of balkon wordt gebruikt als dakterras waarop men als het weer dat toelaat kan genieten van het 'stadslandschap' met mooi uitzicht op de koepel van het Stadhuis.
Herenwaltje 16
De architectuurcriticus J.J.Vriend noemde ooit het gewapend beton de belangrijkste uitvinding van de negentiende eeuw. In de twintigtse eeuw heeft de toepassing ervan een grote vlucht genomen, vooral als constructiemateriaal. Het plastisch gebruik en de naturel toepassing is evenwel bescheiden gebleven. Een mooi voorbeeld van zo'n toepassing is het volledig in beton gegoten brugwachtershuisje bij de Oosterbrug. Een ander voorbeeld is de voorgevel van de werkplaats met bovenwoning van aannemer G.W. Stienstra hier op Herenwaltje 16. Stienstra liet de gevel in 1927 ontwerpen door architect A. Vroom. De onderpui is volledig in gewapend beton uitgevoerd in de vorm van een omgekeerde U en draagt op een uitkraging de erker van de eerste verdieping. Het beton is als gewassen grindbeton behandeld. De gevel wordt ter weerszijden over de beide verdiepingen geflankeerd door geronde gemetselde kolommen. Het glas-in-lood in de bovenlichten van de erker is helaas niet meer aanwezig en ook de centraal geplaatste vlaggemast ontbreekt. In 1993 werden helaas ook de ijzeren firmaletters van de pui gesloopt. Voor het overige is deze markante gevel redelijk gaaf bewaard gebleven.
Herenwaltje 18
Albert Martin tekende het Herenwaltje in 1884, met de dan nog niet gedempte smalle gracht aan de westzijde. De tekening toont hoe het pand er ooit in gave staat heeft uitgezien: op de begane grond twee vensters (waar nu de grote bedrijfsdeur zit) naast de entreepartij en boven drie vensters. Herenwaltje 18 is gebouwd als een doorsnee stadswoonhuis, zo mogen we op grond van de tekening wel aannemen.
Overigens is die bedrijfsdeur niet de enige uiterlijke verandering aan het pand. Op Martin's tekening worden de bewoners tegen weer en wind beschermd door een fiks schilddak met de nok in de lengterichting en een classicistische kajuit met een driehoekig fronton boven de kroonlijst op het voorschild. Daarbij vergeleken is het smalle dwarsgeplaatste zadeldak met een rechttoe rechtaan kajuit, dat nu het uiterlijk bepaalt, een dissonant. Bovendien is de voordeur van jongere datum en zal het bovenlicht rijker detaillering gekend hebben. Tegelijk is de entree nog immer het meest bijzondere onderdeel van het huis. De deur en het raam worden eerst omvat door een architraaf met meervoudige profilering en vervolgens door een sober hoofdgestel, bestaande uit geblokte pilasters met kleine lijstkapitelen en daarop een kroonlijst met een tandlijstje, op de hoeken geschraagd door dierekop-consoles met festoenen. Welke dieren? Dat valt lastig te zeggen. Zeg, een kruising tussen een schaap en een koe.
De aardigste verrassing evenwel, die het huis voor de aandachtige beschouwer in petto heeft, bevindt zich laag bij de grond. De pilasters en de architraaf zijn op hardstenen neuten gezet. Op de linker, helaas deels tot onder straatniveau weggezonken of juist uit het zicht verdwenen doordat de klinkerbestrating te hoog is opgebracht, valt in sierlijk gebeiteld handschrift te lezen dat D.(.)V.Jelgerhuis "den 26 april 1790" de eerste steen heeft gelegd. En dat sluit weer mooi aan op de classicistische geveluitdossing, de iets getoogd gesloten vensteropeningen, de entreepartij, de stevige kroonlijst en de verdwenen dakkajuit.
Of in het genoemde jaar alleen het front werd vernieuwd of een geheel nieuw huis werd opgetrokken, blijft vooralsnog onbekend. De stichtingssteen stelt ons wèl in staat om te achterhalen, wie de bouwheer is geweest: Douwe Ruitinga, in het voorjaar van 1790 eigenaar geworden (volgens de consentboeken) en dus meteen maar een aannemer ingeschakeld. Ruitinga overleed overigens nog in hetzelfde jaar; zijn weduwe en zoon hebben het huis wat langer bewoond. Ruitinga's professie? Hij was meester-zadelmaker en koopman en dan ligt de conclusie voor de hand dat het boven de voordeur om koeiekoppen gaat.
Herenwaltje 20
Leeuwarden heeft zes gevelzonnewijzers en de oudste daarvan vinden we hier tussen nummer 20 en 22. Het opschrift luidt:
declineert vã 'tzuyde na 'twesten•76 2/3 gr•eñ inclineert•1 4/5 gr•
en daaronder:
MORANVLLA FVGACIBVS HORIS MANTUANUS
Het bijzondere van deze verticale zonnewijzer is dat ze meer op het westen dan op het zuiden is ‘georiënteerd'. Zoals op de wijzerplaat is aangegeven is de hoek die deze maakt met de oost-west-as 76 2/3 graden. Dit betekent dat de zonnetijd slechts vanaf XII uur 's middags tot VII uur 's avonds wordt aangegeven, als de zon schijnt tenminste. Soms helt een wijzerplaat licht voorover (inclineert), hier aangegeven met 1 4/5 graden wanneer de gevel op vlucht (licht voorover hellend) is gebouwd. Een geringe inclinatie heeft al gevolgen voor de indeling van de wijzerplaat. De huidige gevel staat evenwel loodrecht, zodat deze wijzerplaat hier niet de juiste zonnetijd aangeeft.
Een verbouwingstekening uit 1926 laat zien dat er in de toen nog achttiende-eeuwse gevel geen zonnewijzer aanwezig was. Hij komt derhalve uit een andere gevel. De latijnse tekst betekent: Er is geen oponthoud, geen verwijl, van de vlietende uren. Een achttiende eeuws handschrift meldt dat deze tekst voorkomt op een gevel aan de Turfmarkt. Toch zal deze zonnewijzer die gevel niet gesierd hebben want de hoek die de Turfmarkt maakt met de oost-west-as wijkt af van die van het Herenwaltje. Met Mantuanus zou bedoeld kunnen zijn Tiumme Mantuanus, een Augustijne koorheer, die in 1570 pastoor was te Achlum. Hij oefende in Leeuwarden tot aan zijn dood in 1616 in het geniep zielzorg uit onder de rooms-katholieken.
De waarschijnlijk zeventiende-eeuwse zonnewijzer moet hier geplaatst zijn in 1931 toen in opdracht van Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij N.V. de bovenwoning werd opgesplitst in twee woningen met elk een aparte opgang en de gevel volledig werd vernieuwd.
Raadhuisplein 34 In de Fortuyn
Volgens de in de gevel aangebrachte jaarstenen is het pand Raadhuisplein 34 gebouwd in 1666. Dat dit overigens niet het éérste huis op deze plek was blijkt bijvoorbeeld uit de stadskaart van Sems van 1603 en uit de transactievermeldingen uit de Groot Consentboeken (eerste melding: 1588).
Het pand is wellicht gebouwd in opdracht van Cornelis Hylkinx, lid van de vroedschap van Leeuwarden en één der notabelen ter stede. Deze Hylkinx kocht het oorspronkelijke pand in 1662 en verwierf daarmee een bezit dat -volgens de Decreetboeken- "nu rede geheel oud is ende bouwvalligh". De verbouwing zou dan de verklaring van de gevelstenen met de boodschap "Anno 1666" kunnen vormen.
Lastiger laat zich de fraaie gevelsteen "In de Fortuyn" verklaren: Hylkinx stierf in 1665 of 1666 nadat hij "banquerot was gegaan". Een te duur uitgevallen verbouwing? In ieder geval een weinig fortuinlijke afloop.... Overigens is er geen hard bewijs dat de gevelsteen (wellicht een afbeelding van Vrouwe Fortuna die het ‘voor de wind' gaat) al bij het gereedkomen van het huidige pand is geplaatst: de oudste geschreven vermelding van de naam van het pand "In de Fortuyn" stamt uit 1843.
De voorgevel is (naar de beschrijving van Peter Karstkarel) als volgt te typeren:
"De voorgevel van [...] nr.34, is van helderrood baksteenmateriaal gemetseld. De pui van dit huis bezit smalle en vlakke pilasters van hout die op natuurstenen plintstukken rusten en een geprofileerde kroonlijst dragen. De deur met bovenlicht heeft (net als de naastligger, nr. 32) blokversiering aan het kozijn. Boven de kroonlijst zijn in barokke cartouches jaarstenen met anno 1666 aangebracht. Het geveldeel van de etage zal uit die tijd dateren, de pui en de gevelbeëindiging zijn aan het eind van de achttiende of begin van de negentiende eeuw aangebracht. Op de etage zit om de ramen een vrij zware toscaanse pilasterstelling, die in het midden doorbroken wordt door een vrij grote gevelsteen "In de Fortuyn". De gevellijst is geprofileerd en de eveneens geprofileerde goot wordt ondersteund door klossen."
Van het oorspronkelijke interieur is helaas niets behouden gebleven, afgezien van het balkenplafond op de eerste verdieping met de verzorgde geprofileerde betimmering tussen de balken. Deze ‘kaalslag' is veroorzaakt doordat het pand de nodige bedrijvigheid onderdak heeft geboden. Vanaf ca. 1865 bevond zich op de begane grond het Expeditiekantoor en aanvankelijk ook het agentschap der Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij van de firma Posthuma. Vanaf 1933 hield Centraal Beheer (voorloper van het GAK) hier kantoor. De indeling van de begane grond stamt uit die tijd. In 1962 kwam het pand in bezit van de Gemeente Leeuwarden die toen ook de rest tot kantoor liet verbouwen en verbindingen tot stand bracht met de nummers 32 en 30. Na de verhuizing van de gemeentelijke diensten naar het Stadskantoor kwam het pand in bezit van bewoners die de oorspronkelijke woonfunctie hebben hersteld. De schoorsteenmantel in de woonkamer is afkomstig uit een gesloopte Groninger boerderij.
Raadhuisplein 32
Het Raadhuisplein ontstond in 1715 toen de gracht tussen weeshuis en Stadhuis werd overkluisd. De zuidkant van het Raadhuisplein beslaat een gevelwand bestaande uit een viertal panden. Tot 1992 waren deze in gebruik bij de gemeente Leeuwarden. In 1994 zijn Raadhuisplein 30 en 32 aangekocht door Makelaardij Boomsma, in 1995 Hellema & Boomsma, en in gebruik genomen als kantoor. Nummer 32 bezit een fraaie bovenwoning die verhuurd wordt.
Het pand, dat vermoedelijk uit het begin van de zeventiende eeuw stamt, kreeg in later tijd een nieuwe gevel en bezit een forse ingangspartij met blokomlijsting. De vensters zijn hun oorspronkelijke ramen (zes-ruiters) kwijt geraakt. De lijst onder de goot bezit triglyfen. De dakkapel wordt bekroond door een fronton. Opvallend is de forse schoorsteen die uit het voorschild van het dak oprijst en het pand een statig aanzien geeft. De begane grond bestaat uit een doorlopende gang aan de linkerzijkant en een voorkamer met daarachter een souterrain met opkamer. Deze vertrekken zijn in gebruik als kantoor. De verdieping bestond voor de restauratie uit twee vertrekken die nu zijn samengetrokken tot een kamer met keuken. De voormalige voorkamer heeft een aardige stucversiering tussen de balken. In de kap zijn twee slaapkamers en een badkamer ingebouwd.
Voor de oorlog was dit pand bij veel Leeuwarders bekend vanwege de loten die men kon kopen bij het befaamde gelukskantoor van Max Cohen.
Raadhuisplein 30
Dit uit oorspronkelijk twee panden bestaande complex heeft één huis-nummer. Ogenschijnlijk lijken het twee afzonderlijke panden maar inwendig is het één geheel waarbij het linker als toegang en trappenhuis dienst doet. Beide panden dateren waarschijnlijk uit de achttiende eeuw. Ze bezitten dwarskappen tussen topgevels.
Het linker pand bezat een schoorsteen op de rechter dakhoek die niet meer aanwezig is. De kajuit wordt bekroond met een fronton waaruit een hijsbalk steekt. Onder de goot de kroonlijst met tanden en klossen. De charmante ingangspartij bestaat uit een trapstoep van drie treden geflankeerd door aardige hekjes en een deur met bovenlicht. Ter weerszijden van de deur pilasters. Bij de laatste verbouwing is de ingang van de kelders onder de trapstoep gemaakt.
Het hoekpand werd in 1807 voor fl. 3000,- aangekocht door het gemeentebestuur van Leeuwarderadeel om als gemeentehuis te dienen. In 1843 werd het linkerpand aangekocht wegens ruimtegebrek en bij het grietenijhuis getrokken. Tot 1899 hebben beide panden als zodanig dienst gedaan. In dat jaar liet men een nieuw gemeentehuis bouwen aan de Schrans te Huizum. Na enkele jaren van particuliere bewoning zijn beide panden aangekocht door de gemeente Leeuwarden.
In de jaren-dertig is het hoekpand afgebroken en, met gebruikmaking van de oude steen, in dezelfde stijl herbouwd. Beide panden zijn toen inwendig één geheel geworden. De vloeren en het trappenhuis zijn van gewapend beton. Het interieur bezit geen historische onderdelen meer.
Raadhuisplein 21, 23 en 25
Net boven de arm van de lantaarn aan de gevel van Raadhuisplein 21 zit het straatnaambordje "Weerd". Een vergissing, want nummer 21 ligt echt aan het Raadhuisplein. Dit is echter niet zo'n onvoorstelbare dwaling voor hen die zich bedenken dat de huisnummering in dit stadsdeel van Weerd over Raadhuisplein, Hofplein, Gouverneursplein en Eewal naar de Wortelhaven doorloopt. De nummering is een erfenis van de in de negentiende eeuw ingevoerde wijkindeling van de stad. Het statige pand links van Raadhuisplein 21 heeft dan ook het adres Weerd 19. De nummers 19, 21, 23 en 25 waren tot 1993 in gebruik bij de gemeente Leeuwarden. Na de opening van het Stadskantoor aan het Oldehoofsterkerkhof kwam Weerd 19 in particulier bezit en staan de panden 21, 23 en 25 te wachten op een nieuwe bestemming. Plannen om er de muziekschool en het creativiteitscentrum De Blauwe Stoep onder te brengen lijken naar alle waarschijnlijkheid niet haalbaar. De drie gebouwen zijn door hun mooie gevels en hoogte zeer beeld- en karakterbepalend voor het Raadhuisplein.
Nummer 21
Nummer 21 is het oudste en heeft wellicht de hoogte van de andere twee bepaald. Het voorname laat achttiende-eeuwse woonhuis is als één van de weinige panden in de binnenstad voorzien van een souterrain met ramen. Het vier raamvlakken brede huis is drie verdiepingen hoog en staat licht op de vlucht, wat te zien is door vergelijk met de gevel van nummer 23. Het huis heeft een sobere kroonlijst onder een dwarskap met hoekschoorstenen.
Nummer 23
Raadhuisplein 23 is onmiskenbaar van jongere datum. Het blokvormige pand is eveneens drie verdiepingen hoog, maar is vijf raamvlakken breed. De lage schildkap past bij de negentiende-eeuwse mode waarin nummer 21 is opgetrokken. De kroonlijst met ijzeren roosters tussen acanthusbladlijstjes vormt een contrast met de sobere lijst van nummer 23. Op de hoeken is het pand voorzien van pilasters met verdiepte velden, op de derde verdieping overgaand in veelzijdige halve pijlers op consoles. De pijlers worden bekroond met kapitelen in struisveervorm die vergaarbakken schragen. De middenpartij heeft vlakke pilasters op de eerste en gepaarde smalle pilasters op de tweede verdieping. Boven de dubbele paneeldeur bevindt zich een balkon op gepaarde decoratieve consoles met sierlijk smeedwerk. Op een tekening van A. Martin uit 1876 zien we dat het pand oorspronkelijk ook aan de straat van een sierlijk smeedijzeren hek was voorzien.
Het pand is bekend door de vestiging van Van Gend en Loos van 1895 tot 1968. In de herinnering van veel Leeuwarders leven nog de paarden van deze transportmaatschappij. De paarden stonden in de stallen op Sint Anthonystraat 3. De paardentractie raakte in 1951 in onbruik. In 1958 nam Van Gend en Loos nieuwe loodsen bij het station in gebruik en vertrokken de kantoren naar het Stationsplein.
Nummer 25
De tekening van Martin uit 1876 werd gemaakt ter gelegenheid van de afbraak van de voorganger van nummer 25. Tot mei 1876 stond hier het Old Burger Weeshuis. Het Weeshuis was er al gevestigd vanaf 1534 toen het gesticht werd door Auck Petersdochter, vrouw van schepen Lieuwe Lieuweszoon. In 1876 betrok het Weeshuis een nieuw gebouw aan het Zaailand. De gemeente verwierf de oude opstallen na een veiling en ging over tot afbraak voor de oprichting van Gemeenteschool twee en drie. Gemeenteschool drie stond ook bekend als de Hofschool.
De voormalige Hofschool is één van de fraaiste schoolontwerpen van Stadsarchitect Thomas Romein. De school heeft twee verdiepingen met hoge lichte lokalen. Op de overgang van de verdiepingen is decoratief lijstwerk met console-achtige elementen en velden aangebracht. Het drie traveeën brede pand kent een verticale geleding door pilasters aan weerszijden van de traveeën. De pilasters op de eerste bouwlaag zijn geblokt en voorzien van diamantkoppen. Op de tweede bouwlaag hebben de pilasters velden en composietkapitelen met forse leeuwe-koppen die een draperie in de bek dragen.
De hoge lokalen zijn voorzien van samengestelde vensters elk met twee slanke tussenzuiltjes van gietijzer met acanthusknoppen en composietkapiteeltjes. De raamvlakken worden afgesloten door hardstenen segmentvormige ontlastingsbogen met uitstekende sluitsteen. De boogtrommels daaronder zijn voorzien van decoratief opengewerkt ijzer met acanthuskrullen en palmetten. De ingang ligt in een verdiept trapportiek met dubbele deuren, roosters, lijstwerk en bovenlicht met rondpas. Net als nummer 23 heeft ook de Hofschool een schildkap maar afgeknot en voorzien van platte gegroefde Friese pan. De gevel was in vroeger jaren voorzien van een fraaie balustrade met stadswapen voor de kap.
Door het intensieve gebruik voor kantoorfuncties is van de oorspronkelijke interieurs van Raadhuisplein 21, 23 en 25 weinig interessants meer over gebleven.
Hofplein 29 Voormalig Stadhouderlijk Hof
Het voormalig Stadhouderlijk Hof is van 1971 tot 1995 eigendom van de Gemeente Leeuwarden geweest. Vele inwoners kennen het van binnen omdat zij er in het huwelijk traden of omdat zij het voor een afspraak met één van de wethouders of ambtenaren bezochten. Nadat in 1993 bleek dat de gemeente voor het Hofcomplex een passende nieuwe bestemming zocht, diende de stichting ‘Kultuer en Toerisme yn Fryslân' een plan in om ‘hofkamers' en logementen in het gebouw te vestigen. De Stichting heeft in het kader van het project ‘Stadslogementen in de Friese Steden' al logementen in Harlingen en Bolsward gerealiseerd. De gemeente Leeuwarden reageerde positief en ging in december 1994 accoord met de verkoop van het voormalige Hof. De nieuwe eigenaar, de ‘Stichting Monumenten yn Fryslân', gaat er bij de verbouwing van het Hof vanuit dat de aanwezige architectonische en cultuur-historische waarden gerespecteerd moeten worden. Men streeft er naar de voormalige grandeur in ere te herstellen. In 1995 zal het gebouw naar ontwerp van het bureau Adema Architecten te Dokkum aangepast worden aan de nieuwe functie: een centrum voor cultuur-historische activiteiten.
Op de eerste verdieping komen elf zogenaamde hofkamers met als extra voorziening de bruidssuite die in de rechter vleugel aan de straatzijde wordt ingericht. De zolder zal onderdak verlenen aan negen stadslogementen en een fitness-ruimte. Al deze eenheden zullen beschikken over een goed geoutilleerde badkamer, een toilet en een keukenblok, overeenkomstig de behoefte aan comfort van de hedendaagse toerist.
Op de begane grond komen de ontvangst- en horecafuncties. De bekende Gele - en Blauwe Zaal zullen na een opknapbeurt opnieuw dienen als trouwzaal en ruimte voor recepties. Dit geldt ook voor de statige Nassauzaal in de rechtervleugel met zijn achttiende-eeuwse betimmering en de statige door Louis Volders geschilderde portretten van de stadhouders.
De vroegere vertrekken van de wethouders in de linkervleugel, zoals de Gouden-, Groene- en Blauwe Kamers krijgen de functies van vergaderruimte en van restaurant. De overige twee zogeheten tuinkamers worden van een terras voorzien waar men koffie en thee kan drinken. Achter het gebouw zal een serre verrijzen die van bronskleurig materiaal wordt geconstrueerd. In het souterrain wordt een brasserie ondergebracht, waar gerechten uit de eigen streek zullen worden geserveerd. De sfeer van de oude kelders geeft deze eetgelegenheid een speciaal karakter.
Er zijn plannen om met behulp van historische bouwfragmenten naar de bouwgeschiedenis van de stad te verwijzen.
Om de verschillende ruimten met uiteenlopende functies goed bereikbaar te maken worden er meer toegangen gecreëerd. De hoofdverdieping blijft via de monumentale trap vanaf het plein bereikbaar. De brasserie en de hofkelders zullen via de ingang in de poort aan de rechterzijde te bereiken zijn. Raadhuisplein 27 wordt van een nieuwe toegangspartij voorzien en zal dienen als receptie. Er zal een passage komen via welke men de tuin kan betreden. In de Hofwinkel zullen allerlei voorwerpen met betrekking tot het verleden der Nassau's te verkrijgen zijn. Op de verdieping van dit gebouw wordt een zaal ingericht waar bezoekers kunnen worden geïnformeerd.
Het Hofcomplex heeft een lange en boeiende geschiedenis waarvan hier enkele belangrijke aspecten worden geschetst. Op de plaats van het Hof stond oorspronkelijk een complex van gebouwen dat uit drie vleugels bestond. De rechter vleugel en het iets naar achteren geschoven middelste gebouw met hun gevels in renaissance stijl zijn door Boudewijn van Loo, rentmeester-generaal van de Spaanse koning bewoond geweest. De linker vleugel verrees waarschijnlijk in het midden van de zestiende eeuw en stond bekend als het Dekemahuis. De drie vleugels omsloten een voorplein, dat door een hek was afgesloten. Getuige een zeventiende-eeuwse tekening moet vooral het rechter gedeelte van het gebouw zeer schilderachtig zijn geweest door de detaillering van de gevels.
Het complex werd in twee fasen aangekocht door Gedeputeerde Staten om het aan de stadhouder als residentie aan te bieden. In 1587 betrok Willem Lodewijk de rechter vleugel. In 1603 kon hij ook over het linker gedeelte beschikken.
Regelmatig werden bouwwerkzaamheden uitgevoerd aan de gebouwen. Zo vond er ter gelegenheid van het huwelijk van Johan Willem Friso in 1709 een ingrijpende verbouwing plaats. De bekende architect Daniël Marot werd hiervoor benaderd. Hij werkte al langer als hofarchitect voor de Nassau's. Hij wijzigde de gevel van het middengebouw dat van een fronton in het midden werd voorzien. De nieuwe façade kreeg vijf ramen. De overige gevels werden niet van strakke lijstgevels voorzien, maar wel van moderne Engelse schuiframen. Het omvangrijke project van Marot kon vanwege de hoge kosten niet geheel worden gerealiseerd. Het interieur is toen ook aanzienlijk gemoderniseerd om de uit Kassel afkomstige Maria Louise te gerieven. In die tijd is een royaal trappenhuis gebouwd dat nog aanwezig is. Ook is toen de zaal in de rechtervleugel opnieuw ingericht als eetzaal. In 1995 is deze zaal bekend als de Nassauzaal.
Toen prins Willem Carel Hendrik Friso in 1737 in het huwelijk trad, zijn er grote verbouwingen gerealiseerd. Achter het middengebouw zijn een danszaal en een kapel ondergebracht, die in 1807 al werden afgebroken. Nadat de prins in 1747 tot algemeen erfstadhouder werd benoemd en naar Den Haag verhuisde werd het gebouw slechts als tijdelijk logeerverblijf gebruikt. In 1789 volgde een ingrijpende verbouwing door P.W. Schonck, waarbij de architectonische eenheid van de verschillende gebouwen werd nagestreefd. Er ontstond een statige maar sobere gevelwand met regelmatig geplaatste grote empire vensters en strakke lijstgevels. Van deze situatie getuigt de bewaard gebleven maquette die in de Nassauzaal te bewonderen is. In de Franse tijd deed het gebouw dienst als weeshuis en hospitaal. Na particuliere aankoop kon de patriciër Gerlacus Buma zich vanaf 1807 eigenaar noemen van de linker vleugel terwijl het rechter gedeelte in bezit was van Marc Cornelis baron du Tour. De portretten van Buma en zijn vrouw hangen in het gebouw. Vanaf 1815 tot 1971 was het pand eigendom van de koninklijke familie en stond het bekend als koninklijk paleis. In 1880 vond een verbouwing plaats onder toezicht van H.R. Stoett. Anno 1995 toont het gebouw nog steeds Stoetts ontwerp. De ingangspartij werd ingrijpend gewijzigd. Er werd een monumentale trap toegevoegd en het paleis kreeg op de eerste verdieping een balcon. Ook de kap en de vensters veranderden. Hierna bood het gebouw tot 1971 onderdak aan drie Commissarissen van de Koning en Koningin.
door een geprofileerde daklijst afgesloten en is drie traveeën breed. Voor de hoge kap is een dakkapel uitgebouwd. Zijn erfgenamen verkochten het pand in 1867 aan jhr. mr. Idzert Frans van Humalda van Eysinga, advocaat in Leeuwarden en later lid van de Raad van State in Den Haag.
Het "royale en net ingerichte herenhuis" bezat voorname vertrekken. Op de begane grond lagen links van de lange met wit marmer bevloerde gang de voor- en achterkamer. Beide waren voorzien van fraaie marmeren schoorstenen met spiegels. Ze bezaten gestucte plafonds die vermoedelijk door de bekende Leeuwarder stucadoor Johan Eilert Martens werden vervaardigd. De met kostbaar behang bespannen muren moeten de vertrekken een statig aanzien hebben verleend. De plattegrond van het huis bezat een L-vorm waarvan de arm op de Beijerstraat uitkwam. In dit gedeelte rechts van de trap lagen de keuken en de bijkeuken met de ramen aan de genoemde straat. Onder de ruime kamers van de begane grond lagen de kelders waarvan de wijnkelder zich onder de gehele gang uitstrekte en via een trap te bereiken was.
De eerste verdieping had eveneens een voor- en achterkamer, maar de voorkamer lag in de hele breedte van het huis met drie ramen naar het plein. Beide hadden gestucte plafonds en schoorstenen. Het meest kostbare vertrek was echter de zaal, die in de arm van het gebouw met vier vensters aan de Beijerstraat gesitueerd was. De zaal had een representatieve functie die uit de inrichting blijkt. Er worden drie grote damspiegels tussen de vensters genoemd die het vertrek optisch moeten hebben vergroot. De schoorsteenmantel, het plafond en het fraaie behang gaven het vertrek een luxe aanzien evenals de mahonie meubelen, het rood gebloemde tapijt en de rood gestoffeerde canapé's en stoelen. Ter verhoging van de sfeer bij ontvangsten werd de piano bespeeld. De drie vertrekken waren via de comfortabele trap en het ruime portaal toegankelijk. Op de tweede verdieping werden ook de voor- en achterkamer genoemd die beide over een alcoof beschikten. Ook bevond zich er een dienstbodenkamer. Alle kamers lijken met zorg te zijn afgewerkt. Onder de kap boven het hele huis lag een uitgestrekte linnenzolder. Boven de zaal in de oostelijke arm, een bouwlaag lager, bevond zich de turf- en bergzolder.
Het statige pand werd door Regnerus Juckema van Burmania baron Rengers, kamerheer van Willem III, in 1871 verworven. Na zijn overlijden verkocht zijn dochter het in 1885 aan de bekende Leeuwarder arts Ph. Kooperberg, auteur van het boek "Geneeskundige plaatsbeschrijving van Leeuwarden" uit 1888. Dit bekende boekwerk moet in de vertrekken van dit herenhuis zijn geschreven. Hij werd opgevolgd door Andreas Kuhlmann, gehuwd met Maria Brenninkmeijer. Kuhlmann verhuurde het aan dr. J. Baart de la Faille, die er tot 1918 woonde. Hoe het huis in zijn tijd er heeft uitgezien toont een foto van na 1900. Wij zien hierop de van zonneblinden en jalouzieën voorziene hoge vensters van het deftige huis. Van zijn interieur kunnen wij ons een goede voorstelling maken dankzij de foto van een kamer aan de voorkant van het huis. De opname toont een sfeervol vertrek dat vol en donker lijkt, zoals in het begin van deze eeuw mode was. De schoorsteenpartij met spiegel en gietijzeren kachel overheerst de ruimte. In 1918 vormt het pand met de vleugel aan de Beijerstraat nog één geheel maar de zaal is inmiddels in tweeën gedeeld. Thans is het gedeelte aan de Beijerstraat afzonderlijk bewoond.
Hofplein 33
Het oudste bekende gegeven is dat in dit pand in 1615 een borduurwerker woonde. Op een tekening uit ca. 1685 van het Hofcomplex en omgeving ziet men op de hoek van de Beijerstraat een statige halsgevel van drie bouwlagen onder een hoge kap. Het huis is in tegenstelling tot het pand links hoog en breed. In 1995 is juist het omgekeerde het geval.
In de achttiende eeuw werd het huis verbouwd, toen jonker Pieter van Jongestal het in 1770 betrok. Tot 1799 bleven zijn erfgenamen eigenaar. Jacobus Moorman Bouwmeester, ook eigenaar van Hofplein 31, verwierf daarna het hoekhuis. Ook zijn nazaten verhuurden het steeds. Vanaf 1800 bewoonde Freule A.E. van Burmania het statige pand. Haar opvolger was een zekere Baudet. Uit deze tijd stamt een beknopte beschrijving van de indeling. Het huis had verschillende kamers, een keukenkelder, een zolder en een vliering. Tussen 1824 en 1867 woonde er een hoge ambtenaar, Ladenius.
De oude gevel is omstreeks 1800 vervangen door de huidige lijstgevel en de vensters werden ook gemoderniseerd. Het bouwvolume van het gebouw bleef grotendeels intact. Voor de kap werd een dakkapel geplaatst. De gevel is drie traveeën breed en had de ingang links van de twee vensters en werd later naar het midden verplaatst.
Van het interieur krijgen wij een goed beeld op basis van een koopakte die in 1867 is opgemaakt. Het huis had op de begane grond links een gang waarnaast de voorkamer lag met twee ramen naar het Hofplein. De voorkamer had een marmeren schoorsteen en was behangen. Via een schuifdeur kon men de achterkamer betreden. Deze had twee ramen in de Beijerstraat en een grote kast. Aan het einde van de gang bevond zich de trap naar beneden. Hier was de ruime keuken met twee ramen aan de straat. Voor de keuken lag een open ruimte waarin zich een pomp en een privaat bevond. De ruimte is gesitueerd onder de stoep en was voorzien van gemetselde gewelven, die in 1994 gerestaureerd zijn. Verder bevonden zich beneden nog een turfbergplaats, een provisiekelder en een regenwaterbak.
Vanuit de gang kon men via de trap naar boven. Op de eerste verdieping was eveneens een ruime voorkamer met schoorsteen en drie ramen aan het Hofplein. De achterkamer bevatte één raam aan de zijde van de Beijerstraat. Het is interessant dat beide achterkamers hun vensters aan de Beijerstraat hadden. Dit was het gevolg van het feit dat het hoekpand door het L-vormige gebouw van Hofplein 31 was ingesloten. In de oude oostmuur aan de Beijerstraat is de uitgebouwde schoorsteen van nummer 33 goed zichtbaar. Samen met nummer 31 vormt nummer 33 een statig accent aan de noordwand van het Hofplein.
Hofplein 38 De Hoofdwacht
In 1688 werd op de plaats van de huidige politiepost aan het Hofplein op kosten van het rijk de Hoofdwacht gebouwd. Het wachtgebouw was bestemd voor de vorstelijke garde en de garnizoenswacht. Het was een charmant gebouw met aan de voorzijde een colonnade met acht pilaren. In de gevel bevond zich een steen met het wapen van Friesland. Onder voorwaarde dat het gebouw als militaire Hoofdwacht in gebruik kon blijven, verkocht het rijk de wacht in 1844 aan de gemeente. Onder architectuur van stadsarchitect Thomas Romein vond in 1844 een algehele vernieuwing plaats. De nieuwbouw bood ruimte aan een wachtlokaal voor de soldaten, drie lokalen voor de gemeentepolitie, een officierskamer en een cachot. Op de verdieping lag onder andere de zittingszaal van het kantongerecht. De vier oude kanonnen die voor het gebouw stonden opgesteld werden in 1852 verkocht. In 1895 werd de zolder van de Hoofdwacht verhuurd aan een Amsterdamse firma die er de eerste Leeuwarder telefooncentrale vestigde. In 1935 was de Hoofdwacht voor het groeiende politieapparaat te klein geworden en werd het politiebureau gehuisvest in het monumentale pand Nieuwestad 49. De Hoofdwacht werd bij het Stadhuis gevoegd. Na het vertrek van de politie van de Nieuwestad naar de Holstmeerweg werd hoe langer hoe meer het gemis van een politiepost in de binnenstad gevoeld. Het is daarom verheugend dat in 1994 de oude Hoofdwacht haar functie als politiebureau terugkreeg.
Stadsarchitect Thomas Romein, die in 1844 nog maar een jaar bij de gemeente in dienst was, heeft het gebouw vormgegeven in de voor hem zo kenmerkende stijl uit zijn beginperiode als architect. In het uitspringende middengedeelte zitten de ramen zo diep, dat ze als door pijlers ondersteund lijken. Op de verdieping kwamen op een neo-classicistische wijze omlijste ramen. In het middenrisaliet zijn de ramen geflankeerd door een zuilenstelling die zo hoog oprijst dat ze de zware omlijsting van de halfronde zoldervensters ondersteunt.
Bij de laatste schilderbeurt werd het gepleisterde gebouw op grond van "indirecte historische gegevens" voorzien van een prachtige okerkleur. Het oker wordt knipogend ook wel ‘Karstkarelgeel' genoemd, als een soort hommage aan de ambtenaar die Leeuwarden in het beleid van kleur op monumenten een progressieve en vooraanstaande plaats in Nederland gaf.
Commissaris Wesser
Aan het eind van de negentiende eeuw werd de woning van de commissaris van politie in de Sint Jacobsstraat verbonden met de Hoofdwacht. Hier woonde ook de legendarische politiecommissaris Willem Frederik Wesser. Hij was een forse man met een zware snor en borstelige wenkbrauwen, een fabelachtig geheugen en zo sterk als een dijk. Van deze "politieman van groot formaat, wiens uitzonderlijke kwaliteiten tot in de hoogste kringen des lands waren doorgedrongen" zijn veel prachtige verhalen overgeleverd. Zo kwam commissaris Wesser eens naar het arrestantenlokaal toen hij een arrestant te keer hoorde gaan. De man begon hem uit te schelden. Wesser ging voor hem staan, tilde de man van de grond en smeet hem meters van zich af. "Gooi die kerel in de cel" was alles wat hij zei. Commissaris Wesser was één met zijn mensen. Zo bracht hij een jonge rechercheur, die net een moeilijke zaak opgelost had, met zijn auto voor een theevisite naar zijn moeder. Commissaris Wesser overleed na een korte ziekte in 1930. Zijn begrafenis trok veel belangstelling. Het hele korps volgde de baar en langs de route van de begrafenisstoet stonden hagen mensen.
