Open Monumenten in de dorpen ten zuiden van Leeuwarden 1989


Inleiding
Op de Open Monumentendag van 1989 wordt aandacht besteed aan de dorpen ten zuiden van Leeuwarden. Huizum, Hempens, Teerns, Goutum, Swichum, Wirdum en Wytgaard zijn rijk aan monumenten die een bezoek alleszins rechtvaardigen. Ze liggen in het voormalige zuidelijk deel van de grietenij (na 1851 gemeente) Leeuwarderadeel. De grietenij grensde in het oosten aan Tietjerksteradeel, in het zuiden aan Idaarderadeel, in het westen aan Baarderadeel en Menaldumadeel en in het noorden aan Ferwerderadeel. Het oude Leeuwarderadeel bestond in de vroege Middeleeuwen uit een noordelijk, een middel- en het zuidelijk trimdeel. Het middelste gedeelte maakte zich aan het eind van de dertiende eeuw als stad los en die stad Leeuwarden werd in 1435 officieel erkend. Het zuidelijk trimdeel werd pad op 1 januari 1944 bij Leeuwarden gevoegd. Vanaf die datum bestrijkt de gemeente Leeuwarderadeel slechts het gebied van het voormalige noorder trimdeel met als hoofdplaats Stiens. De aanzienlijke inkrimping van Leeuwarderadeel hangt met de uitbreiding van de stad samen. Leeuwarden werd steeds meet het economische centrum in de provincie en had belang bij een groei in zuidelijke richting. Met de zuidwaartse verlegging van de gemeentegrens ging het dorp Huizum deel uitmaken van de stedelijke agglomeratie Leeuwarden

In 1951 werd het Van Harinxmakanaal geopend om een betere scheepvaartverbinding te creëren en de ontwikkeling van de industrie te bevorderen. Aan het einde van de jaren-vijftig is naast de oude dijk Rijksweg 32 aangelegd, waardoor Leeuwarden een betere verbinding met het zuiden heeft gekregen. De andere dorpen, alle gelegen ten zuiden van het genoemde kanaal, hebben hun dorpsstatus behouden doch sorteren thans onder het bestuur van Leeuwarden.


Beknopte geschiedenis
Het zuidelijke gebied van het voormalig Leeuwarderadeel bewaart zowel landschappelijk als qua nederzettings­patroon veel sporen van een rijke geschiedenis. Het landschap wordt bepaald door een noord-zuid lopende kwelderrug die langs de Middelzee is ontstaan. Uit de periode dat een groot deel van het gebied ten zuiden van Leeuwarden bloot stond aan de invloed van de zee, zijn tot op heden nog de bochtige waterlopen van oude slenken bewaard gebleven. Gedeelten hiervan zijn later opgenomen in de vaarwegen die de dorpen onderling verbonden. Deze oeroude resten kan men nog in het huidige landschap waarnemen.

Op de kwelderruggen verrezen de eerste nederzettingen, die al in de Romeinse tijd bewoond waren, getuige de archeologische vondsten, die thans in het Gries  Museum worden bewaard. De terpen waren opgeworpen in verband met het rijzen van de zeespiegel, vooral in de periode tussen ongeveer 300 en 800 na Chr. Ze boden een veilige woonplaats voor de bewoners. Een aantal terpen groeide uit tot terpdorpen. Omstreeks 1200 werden de eerste stenen kerken gesticht. De kerken vormen tot op vandaag opvallende oriëntatiepunten in het landschap. Samen met de boerderijen zijn zij de oudste en belangrijkste bebouwingselementen in het huidige landschap ten zuiden van Leeuwarden. De boerderijen zijn greidboerderijen, vanwege de goede kleigrond die zeer geschikt was voor het weiden van vee. Tot in de zeventiende eeuw kwam echter ook akkerbouw voor. Naast kerk en hoeve waren stins en state zeer belangrijke gebouwentypen. States en stinsen waren in bezit van de hoofdelingengeslachten ofwel de adel. Door grondbezit konden ze macht uitoefenen en bestuurlijke posities bekleden: grietman of lid van Staten en Hof. Om hun status te benadrukken lieten ze in de dorpen of er buiten versterkte stenen huizen of stinsen bouwen. Later werden deze eerder op comfort gebouwd en zo ontstonden de staten.

De hoofdelingen vochten onderling, vooral in de vijftiende eeuw, die bekend staat als de periode van de strijd tussen Schieringers en Vetkopers. Een van de bekendste gebeurtenissen is de slag bij Barrahûs onder Wirdum, die in 1492 plaatsvond. Hier werden Bocke Harinxma en de Sneekers door de Leeuwarders en hun bondgenoten verslagen. De strijd tussen Schieringers en Vetkopers was een krachtmeting tussen de edelen van de staten op het platteland en tegelijkertijd met de machtige families uit Leeuwarden. Bij de onlusten werden onder meer de stinsen en staten van de families Camstra en Unia bij Wirdum verwoest.

Over deze stormachtige periode worden wij ingelicht door de oude kronieken, hoewel de gegevens schaars zijn. Een van de meest betrouwbare schriftelijke bronnen is de "Kroniek van Friesland" van P. Winsemius uit 1622. Hij geeft een gedetailleerde beschrijving van alle dorpen van de toenmalige grietenij Leeuwarderadeel. Hierbij noemt hij de edele staten. De meeste kunnen we in de nauwkeurige atlas van B. Schotanus uit 1698 terugvinden. De laatste geeft bij Huizum Abbingastate, bij Goutum Wiarda, bij Teerns Ublinga en bij Hempens Hiddemastate weer. Te Swichum wordt Ayttastate vermeld, terwijl onder Wirdum een concentratie van staten valt waar te nemen. Men vindt er Uniastate, Camstra, Jousma, Cammingha en Bootsmastate. Door vererving veranderden de namen van de staten wel eens. Zo heette Bootsma voorheen Camstra en Cammingha eerder Groot Oenema. Van deze voorname huizen of staten is niet één bewaard gebleven. Het aantal staten was in 1847 al sterk verminderd blijkens de kaart van W. Eekhoff; alleen Groot Oenema ten westen van Wirdum bestond toen nog. Op de plaats van enkele staten zijn boerderijen verrezen, zoals Aytta, Camstra en Unia. Ze herinneren samen met de restanten van singels en grachten aan een ver verleden.


De dorpen
Het dorp Huizum wordt door de in oorsprong vermoedelijk dertiende-eeuwse hervormde kerk gedomineerd. De nederzetting breidde zich in noordelijke en vervolgens in westelijke richting uit. De bebouwing aan de noord-zuid lopende verbinding , de Schrans, ontstond in de zeventiende eeuw. In Huizum stonden enkele staten waarvan Abbinga- en Sixmastate de bekendste waren. De laatste werd in 1883 afgebroken. Omstreeks 1800 woonden aan de Schrans talrijke ambachtslieden en winkeliers. In de negentiende eeuw vestigden zich vele renteniers aan de Schrans, de Verlengde Schrans en de landelijke Huizumerlaan. Op de plek van Abbingastate verrees omstreeks 1844 de bekende stroopfabriek van Everts, Adema & Co. Aan het einde van de eeuw werd aan de Schrans de onlangs helaas afgebroken Zuivelfabriek gesticht. Huizum was eveneens bekend van zijn vele tuinderijen. Door een grondige renovatie in de jaren-zeventig bleef het dorp zijn oude sfeer behouden.

Vanuit Huizum kan men de dorpen Hempens en Teerns via de weg naar Drachten bereiken. Van Teerns resteren, mede door de aanleg van de provinciale weg, slechts enkele boerderijen en woonhuizen. Het oude terpdorp bezat in het grijze verleden een kerk en twee staten. De kerk uit de dertiende eeuw, gewijd aan de heilige Catharina, stond in 1718 nog overeind. Later werd ze door een klokkestoel vervangen, die in 1872 werd afgebroken. In de nabijheid van het bedehuis stonden Ublinga- en Auckemastate.

Vanuit Teerns leidt naar het oosten een smalle weg naar Hempens, dat aan een doorwaadbare plaats op de kruising van de Nauwe Greuns en de oude dorpsvaart is ontstaan. De kerk op de terp staat a-centraal. Haar voorganger uit waarschijnlijk de dertiende eeuw was aan Sint Maarten gewijd. De huidige kerk is zeer jong en dateert uit 1948. Langs de Himpenserdyk en de vaart is enige bebouwing ontstaan. Ten zuiden van het dorp lag het Hempensermeer, dat in 1784 werd drooggelegd.

Terug naar de provinciale weg volgt men de weg richting Goutum, ten oosten van de oude weg naar Warga. Dit dorp is op verschillende terpen ontstaan. Op één van deze verrezen de kerk, enkele huizen en Wiardastate. Ten noordwesten van de dorpskern lag nog een terp met daarop de staten Putsma en Drinkuitsma. Met uitzondering van het monument ter plaatse van Wiardastate herinnert niets meer aan deze adellijke huizingen. Het dorp werd in de jaren-zeventig sterk uitgebreid en nog steeds is het een populair woonoord voor forensen. Vanuit Goutum kan men via de oude weg naar Warga Swichum bereiken.

Het silhouet van Swichum wordt door de dertiende-eeuwse Nicolaaskerk bepaald. Hiernaast stond tot 1912 het oude Aytta-Godshuis, een gasthuis voor behoeftige ouderen. Voorts is de karakteristieke kop-hals-romp boerderij Ayttastate het noemen waard. Vroeger stond hier Ayttastate van het gelijknamige geslacht, waarvan Viglius van Aytta de meest bekende was. Hij bekleedde belangrijke posities aan het hof van Karel V en Philips II. Haaks op de dorpsstraat loopt de Moskoureed. Deze leidt naar de polder de Grote Wargaastermeer. De oude ringdijk uit de tijd van het droogmaken is intact gebleven en is een interessant "monument" in het landschap.

De Ayttadijk verbindt Swichum in westelijke richting met Wirdum. Al in de dertiende eeuw stond hier een kerk gewijd aan Sint Maarten. Het dorp was welvarend en werd in de zeventiende en achttiende eeuw van de grietenij het hoogst aangeslagen in de floreenbelasting. Tevens had Wirdum de eerste stem bij de verkiezing van de grietman. Binnen het dorp stemde de eigenaar van Uniastate het eerst. In de negentiende eeuw breidde Wirdum zich aanzienlijk uit. Toen ontstond parallel aan de al bestaande Greate Buorren de Lytse Buorren. Ze komen beide uit op een rondweg om de kerk. De bebouwing langs de Greate Buorren heeft een interessante architectuur. Vooral het zogenaamde "pastorietype" voor kooplieden en renteniers is goed vertegenwoordigd. De eenvoudige woonhuizen met lijstgevels voor de ambachtslui en de winkeliers bepalen mede het straatbeeld.

Na de aanleg van de spoorweg in 1868 tussen Leeuwarden en Zwolle kreeg Wirdum een (inmiddels verdwenen) stationsgebouw dat tamelijk ver van de dorpskern lag. Aan het einde van de negentiende eeuw werd aan de Tjaardervaart de Zuivelfabriek gesticht. Rondom Wirdum stonden de reeds genoemde staten. Hieraan herinneren nog de boerderij Unia en de singel van de voormalige Camstrastate, beide ten noordwesten van de dorp. Ten noorden van Wirdum aan de oude Swichumerdyk staat de stelpboerderij Jousma. Daarnaast ligt de stillen en pittoreske begraafplaats van de familie Eysinga. Deze werd in 1828 aangelegd op de plaats van de reeds verdwenen Jousmastate. De aanleg van de begraafplaats houdt verband met het in 1827 uitgevaardigde verbod van koning Willem I, volgens welke het begraven van personen in kerken werd verboden.

Van Wirdum leidt de Púndyk naar Wytgaard. Daarvoor moet echter eerst de spoorlijn gepasseerd worden. Het jonge dorp Wytgaard was tot 1957 een buurschap, die onder Wirdum viel. Er woonde van oudsher een overwegend rooms-katholieke bevolking. Lang moest men genoegen nemen met een schuilkerk. Pas in 1872 gaf de parochie opdracht aan de bekende architect P.J.H. Cuypers om er een kerk te bouwen, die in 1966 helaas moest worden afgebroken. De roomse begraafplaats uit 1853 bevindt zich nog steeds in goede staat. Ten noorden van het dorp staat een fraaie stelpboerderij op de plaats van de vroegere Oud- of Klein Oenemastate, waarvan de singels en de oude boomgaard met uitzondering van de grachten onlangs zijn gerestaureerd.

Aan de oude weg naar Leeuwarden staan Oud en Nij Barrahûs. De eerste met zijn klokgevel dateert uit 1787 en vormt het restant van een boerderij die vanwege de aanleg van de spoorweg de schuur verloor. Tegenover dit gebouw staat de boerderij Nij Barrahûs waarvoor het beeld van een soldaat is geplaatst. Beide houden de herinnering levend aan het gehucht Barrahûs, waar de slag tussen Schieringers en Vetkopers plaatsvond. De oude dijk naar het noorden wordt bij Goutum gemarkeerd door het dubbele woonhuis en het naburige pompstation van de Waterleiding uit 1928. Met dit jonge monument wordt de route van de Open Monumentendag van 1989 afgesloten.

drs. R.L.P. Mulder-Radetzky


Huizum
Over de ouderdom van het dorp Huizum valt bij gebrek aan historische gegevens niet te twisten. Wat in ieder geval op hoge ouderdom wijst, is dat de oorspronkelijke dorpskern op een terp ligt. De eerste terpen ontstonden rond het jaar 600 voor Chr. en pas na 1100, toen men met de aanleg van zeedijken begon, werd de aanleg van nieuwe terpen overbodig. Er kan dus bewoning zijn geweest gedurende een periode van zeker veertien eeuwen, daargelaten of er vóór de terpentijd al sprake was van een nederzetting. De weinige bodemvondsten hebben evenmin nieuws over de ouderdom van het dorp verschaft. De eerste schriftelijke bron over Huizum dateert uit 1149. Het betreft hier een brief van Wybald, de abt van Corvey, die hij namens de "Khristenen van de Parochie Lienward ten jare 1149" aan de bisschop van Utrecht schreef.

In de loop der tijden heeft het dorp verschillende benamingen gehad, zoals Husma, Hwsmanghae, Husum en tenslotte Huizum. Dit laatste betekent "Bij de Huizen", waarmee de bij Huizum staande stinsen van de toenmalige hoofdelingen zullen zijn bedoeld.

Voorheen was het verkeer over water belangrijker dan over land. Zo wordt de Potmarge reeds in het jaar 900 genoemd. Wat we nu als zodanig kennen is de Nieuwe Potmarge, thans een verbinding tussen de zuidelijke stadsgracht van Leeuwarden en de Greuns. Bij Huizum is een aftakking naar het zuiden, de Wirdumervaart. Vroeger had de Wirdumervaart aan de noordzijde van de dorpskerk weer een aftakking naar het oosten, de Oude Potmarge. Gedeelten hiervan zijn nog aanwezig bij de brandweerkazerne en de Holstmeerweg.

De karakteristieke dorpsstraat is in de jaren 1978-1984 gerenoveerd met veel aangepaste nieuwbouw. Ter afsluiting van deze opknapbeurt werd bij de brug over de Wirdumervaart een standbeeld "De Tuinder" onthuld. Dit ter herinnering aan de vele tuinbouwbedrijven in Huizum, onder andere aan weerszijden van de Huizumerlaan, Badweg en Hempenserweg.

Op de dorpsterp vinden we het in 1835 gebouwde armhuis (Huizum Dorp 14). In de tweede helft van de negentiende eeuw werd het als dorpsweeshuis ingericht. Gedurende de Eerste Wereldoorlog diende het gebouw als opvangcentrum voor Belgische vluchtelingen. In 1928 vond een ingrijpende verbouwing plaats en kreeg het een woonbestemming voor vier gezinnen.


Sint-Johannes de Doperkerk
Deze bijzondere, nog jonge kerk werd in 1934 ingewijd. Op 16 februari 1932 gaf het aartsbisdom te Utrecht opdracht aan bouwpastoor J.B.H.A.M. Tepe tot de bouw van een rooms-katholieke kerk in Huizum. Al eerder waren voorbereidingen getroffen, die de uiteindelijke plaats van het kerkgebouw bepaalden. Op 24 december 1931 kocht het kerkbestuur van de St. Bonifatius-parochie te Leeuwarden namelijk een stuk gardeniersland met twee woningen aan de Huizumerlaan voor f 20.000,- van Petrus Johannes Jongma. Opvallend hierbij is, dat laatstgenoemde dit bezit kort daarvoor, op 26 oktober 1931, voor dezelfde prijs had gekocht van de gebruiker/eigenaar Jan Kaastra.

De beide woningen aan de Huizumerlaan werden naderhand afgebroken. Bij graafwerkzaamheden achter deze woningen werden restanten gevonden van een zware fundering van roodbonte oude friezen en resten van  zandstenen kolommen en een kapiteel.

Het ontwerp voor de nieuwe kerk werd gemaakt door H.P.J. de Vries uit Rotterdam. Waarschijnlijk werd het eerste plan gewijzigd op aanwijzingen van de plaatselijke architect Arjen Witteveen. Uit het ingestelde bouwkundig onderzoek van het aartsbisdom wordt namelijk opgemerkt dat "bouwstukken worden gewijzigd in overeenstemming met de overeenkomst van 7 februari 1933, waar een regeling is getroffen met architect Witteveen te Leeuwarden".

De stichting van de kerk noopte tot een herindeling van de bestaande Leeuwarder parochies St. Bonifatius en St. Dominicus. De kerk van laatstgenoemde parochie stond destijds in de Speelmansstraat. Door de vestiging van een derde parochie met een kerk in Huizum verloor de Bonifatiuskerk 125 zitplaatsen; om het financiële draagvlak van de St. Bonifatius-parochie niet nog meer aan te tasten, werd op de vergadering van kerkbesturen van 1 maart 1932 gepleit voor nieuwbouw van de Dominicuskerk buiten de stadsgracht, waarbij als mogelijke bouwplaats de directe omgeving van de rooms-katholieke begraafplaats ter sprake kwam. De grenslijn tussen de parochies is naderhand definitief vastgesteld, de nieuwe Dominicuskerk heeft in 1936 een plaats gekregen aan de Harlingerstraat.

Anders dan gebruikelijk ligt de hoofdas van het kerkgebouw vrijwel zuiver zuidnoord. Overigens is de traditionele oostwest oriëntatie wel in beide topgevels van de zadeldaktorens gehandhaafd. De daknaald staat derhalve dwars op die van de kerk. De vormgeving is in hoofdlijnen neogotisch, zonder echter de decoratieve verrijkingen die een halve eeuw eerder gebruikelijk waren. De ruimtelijke geleding doet eerder romaans aan. Maar ook het baksteen-expressionisme van de tussenoorlogse jaren is erin verwerkt. De kerk kan nog het best ingedeeld worden bij de traditionalistische stromingen van Delftse en Bossche School. In tegenstelling tot de befaamde Cuyperskerken heeft het geheel door de gekozen materialen een frisse aanblik.

De kerk biedt plaats aan bijna 800 gelovigen. De indeling van de kerk is Christocentrisch, waarbij het presbyterium of priesterkoor zich in het middel van het kruisvormig grondplan bevindt. Dit tien bij tien meter metende priesterkoor verheft zich anderhalve meter boven de begane grond. Het hierop geplaatste hoofdaltaar, dat zich aanvankelijk aan de noordzijde bevond, werd naderhand meer naar het zuiden verschoven, zodat het thans meer nog dan voorheen een centrale plaats in het gebouw inneemt. Aan drie zijden van het priesterkoor zijn de veertien kruiswegstatiën aangebracht. Het doopvont heeft later eveneens een plek op het priesterkoor gekregen. Het gekleurde glas in de raampartijen geeft een bijzonder effect aan het overigens eenvoudige doch stijlvolle interieur. Behalve een oud schilderij, vermoedelijk afkomstig uit de vroegere Dominicuskerk aan de Speelmansstraat, bezit de kerk enkele kunstwerken van parochianen, waaronder een Madonna van de kunstschilder G.J. Adema (1898-1981).


Hervormde Kerk
Door de bepleistering wordt de bouwgeschiedenis van de Huizumer dorpskerk grotendeels aan het oog onttrokken. Het schip met de grote spitsbogige vensters en de 5/12 koorsluiting is gotisch van vormgeving, maar het bevat oude romaanse delen van tufsteen uit de twaalfde eeuw. Aan de noordzijde is in de bepleistering een nis zichtbaar, die vermoedelijk een overblijfsel is van een dichtgemetseld venster uit de romaanse periode. In 1804 werd de kerk hersteld en ingrijpend gewijzigd. Aan de zuidkant bevindt zich in de kerkmuur nog een memoriesteen van de predikant Robidé van der Aa, ter nagedachtenis aan zijn vrouw Eelkje Oppes en van vijf van hun kinderen. Bij leven woonde het gezin in het pand Grote Kerkstraat 28, waarin tegenwoordig het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaesjesintrum is gevestigd.

De dertiende-eeuwse onderbouw van de toren is ongeleed en onversierd. Een omgaande lijst scheidt de onderbouw van een inspringende hogere geleding uit de zestiende eeuw, waarin zich de galmgaten bevinden. Het zadeldak is geplaatst tussen twee topgevels, die met nissen verlevendigd worden. Aan de zuidzijde is te zien, dat de toren in de zeventiende eeuw tweemaal werd gerestaureerd. Er is een steen aangebracht met het opschrift "1626 is diesen toor gereperere / Sinde administratoors Take / Isbrant ende Hessel Deddes". De jaartalankers 1655 duiden op de volgende restauratie en het ontstaan van de bij Huizum behorende buurt de Schrans. Om namelijk de herstelwerkzaamheden te kunnen bekostigen werden stukken grond langs de voormalige Middelzeedijk in pacht uitgegeven voor bebouwingsdoeleinden. De klokken in de toren dateren uit 1529 en 1582. In de Tweede Wereldoorlog werden zij door de Duitse bezetters geroofd, maar in 1945 ongeschonden in een Duitse haven aangetroffen, zodat ze nadien weer in functie konden worden hersteld. Het huidige uurwerk is vermoedelijk negentiende-eeuws; het heeft een ouder exemplaar uit 1631 vervangen.

Het interieur van de kerk is een bijzonder ensemble en geeft een compleet beeld van een zeventiende-eeuwse protestantse kerkinrichting. Tot het waardevolle meubilair behoort in de eerste plaats de preekstoel; het is de enige in Friesland, daterend van vóór de Reformatie en bovendien een van de zeldzame achtkantige exemplaren in dit gewest. De fijn uitgevoerde renaissance decoraties bestaan onder andere uit toogpanelen en gecanneleerde kolommen met korintische kapitelen. De Latijnse tekst op het zwarte fries rond de bovenzijde van de kuip is ontleend aan Jesaja 58:1. Het doopbekken dateert uit 1604 en het doophek met gedraaide balusters uit dezelfde eeuw. Tegenover de preekstoel staan drie overhuifde herenbanken, waarvan een op het fries de volgende spreuk draagt: "ARBOR EX FRUCTIE, ET LEO EX UNGUE AGNOSCITUR" (De boom herkent men aan zijn vrucht, de leeuw aan zijn klauw). Voor de orgelpei staan gewone banken met fraaie renaissance zijschotten. Bij de restauratie in 1960/'61 verdween de lambrisering grotendeels. Een destijds ontdekte piscina-nis werd gerestaureerd. De bijzondere gewelfschotels, eveneens daterend van vóór de Reformatie, bleven bewaard.

De kerk bezit een waardevolle collectie avondmaalszilver. Deze bestaan onder meer uit een zilveren wijnkan uit 1860, twee bekers uit respectievelijk 1605 en 1802, een achthoekige broodschaal uit 1761 en twee bekkens uit hetzelfde jaar. In 1605 had Huizum reeds een orgel. Het huidige instrument werd in 1849 vervaardigd door L. van Dam, die veel oud pijpwerk opnieuw gebruikte. De firma Bakker en Timmenga voerde in 1954 een restauratie uit.

Wat de rol van de kerk betreft, traditiegetrouw had de kerkelijke organisatie bemoeiingen op velerlei terrein. Sinds 1563 wordt onderwijs gegeven aan de kinderen in Huizum. De onderwijzer was in de eerste plaats een kerkelijke functionaris. De eerste school stond op het kerkhof en wel in de noordwesthoek. In de negentiende eeuw verrees een nieuwe school in de steeg tussen de straatnummers Huizum Dorp 78 en 82; dit gebouwtje staat er nog. De huidige dorpsschool staat aan de Huizumerlaan op nummer 148 en kwam in 1883 tot stand. In de jaren-twintig van onze eeuw werd deze school uitgebreid met een verdieping met vier lokalen. De vernieuwing is nog zichtbaar aan de bovendorpels van de kozijnen: op de begane grond zijn ze rond en boven recht, zij het dat in het metselwerk wel een ronding werd aangebracht. Het schoolgebouw is in 1989 geheel gerestaureerd.

Het door de kerk beheerde Van Sloterdijckfonds heeft in het verleden de oprichting mogelijk gemaakt van een naai- en avondschool voor meisjes. Het pand Huizum Dorp 74 is speciaal gebouwd als onderkomen voor die school. Ook de Sixma-Stichting wordt beheerd door de kerk. De stichting was oorspronkelijk bedoeld om huisvesting te verschaffen aan en in het levensonderhoud te voorzien van twee bejaarde vrouwen. Hun in 1930 afgebroken onderkomen stond tussen de straatnummers Huizum Dorp 61 en 64. Tevens moest uit het legaat de grafkelder van de families Sixma, Van Meijma en Trip, in de achtertuin van het pand Huizum Dorp 64, worden onderhouden. Deze grafkelder is jaren geleden met zand volgestort en met een betonplaat afgedekt. De bijbehorende (gebroken) grafsteen is spoorloos verdwenen.

Tot oktober 1905 waren de Huizumerlaan en de dorpsstraat eigendom van de kerk. In genoemd jaar vond de overdracht plaats aan de burgerlijke gemeente, tot aan het straatje naar de kerk. Tenslotte bezat de kerk voorheen veel landerijen, die weliswaar inkomsten opleverden, doch ook beslommeringen met zich meebrachten.

S. Grijpstra


Hempens / Teerns
Hempens/Teerns, ze worden tegenwoordig in één adem als tweelingdorpen genoemd, al komen ze in de telefoongids nog afzonderlijk voor. Het dorp Teerns bestaat eigenlijk niet meer. De kern is verdwenen onder het kruispunt ten zuiden van de Drachtsterbrug. De buurschap aan de Himpenserdyk nabij de brug over de Nauwe Greuns die bij Teerns hoorde, is met Hempens aan de overzijde van het water een eenheid gaan vormen. Bodemvondsten uit beide dorpsterpen hebben aangetoond, dat de nederzettingen al bewoond waren in de laatste eeuwen voor het begin van onze jaartelling. In de middeleeuwen bouwden de bewoners van Teerns en Hempens elk een godshuis. De kerk van Teerns is al sinds lang verdwenen, die van Hempens is verschillende malen vernieuwd en staat nog steeds op een ruim kerkhof.

In het laaggelegen agrarische gebied zijn rond de dorpen bovendien enkele huisterpen te vinden waarop states en boerderijen gebouwd waren. Het karakter van Hempens en Teerns is in de loop der jaren bepaald geweest door de landbouw. Weg en vaart hebben eveneens de ontwikkeling bepaald. Bij de doorwaadbare plaats en de overzet in en over de Nauwe Greuns is ten noorden langs de Himpenserdyk de buurschap van Teerns gegroeid en na de voortzetting in de Skoalledyk heeft de Hempenser bebouwing tussen deze dijk en de Nauwe Greuns plaatsgevonden.

Thans is de bebouwing van de twee dorpen als het ware gevangen tussen twee boerenplaatsen van de familie Oosterveld. Aan de westzijde staat een boerderij met voorhuis die in 1907 door deze familie is gebouwd en aan de oostzijde, vlak voor de kerk, is al in 1859 een monumentale stelpboerderij door de Oostervelds gebouwd. In het landelijk gebied staan meer grote boerderijen; die ten westen van het grote kruispunt horen oorspronkelijk ook nog bij Teerns.


De kerk
De kerk van Hempens is het onbetwiste centrum van de dorpsgemeenschappen. Zij is op 1 januari 1988 in eigendom en beheer overgedragen aan de Stifting Freonen Tsjerke Himpens-Tearns.

De tot nu toe vroegst bekende vermelding van de kerk is uit 1511. Het godshuis moet er dan al lange tijd staan. De vermelding laat ons weten dat de kerk toegewijd is aan Sint-Martinus van Tours, een toentertijd zeer populaire heilige in Friesland. Het is nauwelijks bekend hoe die middeleeuwse kerk er uitgezien heeft. De hoofdvormen zijn te zien op een dorpsportret dat Piter Idserdts, tekenmeester van de Franeker Academie, in het midden van de achttiende eeuw maakte. Op de voorgrond de Nauwe Greuns met een vissersbootje en tussen wat boerenhuizen, boerderijen, een hooiberg en veel geboomte rijst een dorpskerk op. De met klimop begroeide zware zadeldaktoren met schouderstukken en pinakels vormt een kenmerkend silhouet. Zowel op het midden van het zadeldak als op het kerkdag staat een windvaan.

In 1806 zijn kerk en toren van Hempens vertimmerd. De toren kreeg een spits en de kerk is met handhaving van het muurwerk ook aangepakt. Het thans nog aanwezige drieling-baksteenmuurwerk duidt erop dat de middeleeuwse kloostermoppen al eerder vervangen moeten zijn, vermoedelijk in de zeventiende eeuw. Omstreeks 1840 merkte een bezoeker op dat de kerk fraai beschilderde glasramen bezat, onder andere een dat door Germandus (of Gerardus), die van 1627 tot 1656 de derde voorganger van de dorpsgemeenschap was, geschonken was.

In 1872 zijn de toren en westelijk kerkfront geheel vernieuwd in een toen gebruikelijke architectonische mengstijl. Als gevolg van brand is de kerk in 1945 voor een groot deel verwoest, maar toren en westgevel zijn gespaard. In 1947 moest de spits wel hersteld worden en is de kerk vanaf de grondvesten herbouwd, waarbij gebruik gemaakt is van het oude baksteenmateriaal, de drielingen. Aan deze herbouw gaf de Hempenser bouwkundige A.H. Visser leiding. In grote lijnen is de vorm van het oude gebouw aangehouden, maar in detail zijn er wel veranderingen aangebracht.

De zaalkerk met driezijdige koorsluiting is bijna elf meter lang en ruim zes meter breed; de toren meet ongeveer 3.25 meter in het vierkant en de haan op de spits reikt tot ruim twintig meter. Het schip is vier raam- en gewelfvakken diep, wat aan de buitenzijde te zien is aan verdiepte velden met ramen en uitgemetselde lisenen. Bij herbouw is het aantal ramen verdubbeld, maar de rondboogvensters werden wel kleiner. De toren bestaat uit twee, iets versneden geledingen en een achtzijdige, ingesnoerde naaldspits. De onderste geleding is breed en bevat de ingangspartij met halfrond bovenlicht en in de tweede geleding volgen achtereenvolgens een rond venster, de halfrond gesloten galmgaten en de ronde torenuurwerken op elkaar.

Kerk en toren zijn bouwhistorisch niet van zeer grote betekenis, maar voor structuur en silhouet van de dorpen van groot belang.

Het gebouw ligt op een ruim, door bomen en struiken omzoomd kerkhof met een gevarieerde collectie, voornamelijk negentiende- en vroeg-twintigste-eeuwse grafmonumenten. Door de eigendomsoverdracht kan de kerk, die jarenlang nagenoeg ongebruikt is gebleven, weer een levendige functie voor de dorpsgemeenschap gaan uitoefenen.


Van Oxena Brids tot ijzeren draaibrug

Richt de eenvoudige kerktoren zich verticaal naar de hemel, het andere kenmerkende monument van Hempens-Teerns strekt zich horizontaal aards uit en verbindt de buurt van Teerns over de Nauwe Greuns met Hempens. Vermoedelijk heeft er in de Middeleeuwen al een brug over het water gelegen; in 1463 is er sprake van een "oxena brids", een ossebrug, die verschillende onderzoekers interpreteren als een doorwaadbare plaats. Later is er inderdaad sprake van zo'n oversteek of van een veer met bootjes, maar in 1584 komt toch ook weer een "dreijholt over de vaerth" voor een soort draaiplank.

De Nauwe Greuns is lang druk bevaren geweest. Pas sinds de totstandkoming van het Van Harinxmakanaal met nieuwe aansluitingen is het er rustiger geworden. De huidige brug die over een jaar haar eeuwfeest mag vieren, kan wegens de slechte constructieve toestand al enige jaren niet meer opengedraaid worden, maar dit monument van verkeerstechniek verdient een respectabele opknapbeurt.

Het is een in 1890 ontworpen, geklonken en gelaste ijzeren draaibrug met een symmetrische balans, rustend op een grote, ronde, lage, gemetselde pijler. De liggerconstructie en het wegdek vormen, om gemakkelijk weggedraaid te kunnen worden, een parallellogram Aan de westoever is een vrij lang, vast bruggedeelte geslagen en aan de oostoever is een hoog landhoofd gevormd. Daarnaast is de draaisteiger aangebracht, een kwart-rond plankier. De brug kan zo met handkracht opengetrokken worden en komt dan aan de oostkant van de vaaropening te liggen. Het brugwachtershokje staat aan de andere zijde en is stellig enkele tientallen jaren jonger dan de brug zelf. De draaisteiger heeft gedeeltelijk een leuning met kruislingse vakverdeling, dezelfde die de brugleuningen bezitten. De liggers van de lange en smalle draaibrug zijn bovendien met ijzeren jukconstructies met trekstangen en stelschroeven opgespannen. De Hempenser brug is een aardig, eenvoudig en door iedereen te begrijpen monument van waterstaatkundige techniek, dat alle zorg verdient.

Peter Karstkarel


Goutum: van dorp tot buitenwijk
In de jaren-zestig en -zeventig heeft Goutum zich naar vorm en functie revolutionair ontwikkeld. Het boerendorp, dat van oudsher nooit meer dan zo'n driehonderd inwoners telde, werd in rap tempo getransformeerd tot een forensenplaats van ruim zeventienhonderd zielen. En blijkens de nieuwste gemeentelijke "Dorpennota" is het einde van de groei nog niet in zicht: "De toekomstige ontwikkeling van Goutum zal worden afgestemd op de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte van het stadsgewest". Dat betekent dus voortgezette suburbanisatie, met als herinnering aan het plattelandsverleden nog slechts de naamgeving van de nieuwbouwwijken.

"Nòch is Goutum in fleurich doarp mei in eigen oansjen", zo schreef de historicus van Ljouwerteradiel vijf jaar geleden. Dat fleurige mag waar zijn, het eigen gezicht heeft wel bijzonder aparte trekken: een losjes bebouwde oude kern, her en der wat lintbebouwing het eerst aan de oostkant van de nogal afgelegen Brédyk en dat opgevuld met een zestal eigentijdse en dus blokvormige wijken met zulke authentieke namen als Haven, De Pôlle, Oer de Feart, De Tilbarten en De Tolve. Zo staat de kerk toch weer enigszins in het midden, op een terp die rond 1900 zo drastisch werd afgegraven, dat naderhand enkele percelen opnieuw moesten worden opgehoogd. Plannen om dit archeologische monument in de oude vorm te herstellen, zijn nooit uitgevoerd. Wel is de nieuwbouw er tot een minimum beperkt, waardoor het groene dorpshart goeddeels intact is gebleven.

Behalve de terp is er de afgelopen eeuw meer waardevols verdwenen. Het begon in 1882 met de afbraak van Wiardastate. Het monumentale slot vormde, volgens een ooggetuige, "met zijn poort, zijn ruim voorplein, zijn bloemtuin, zijn bouwschuur en stalling een deftig en indrukwekkend geheel, door een breede gracht omringd". Aan de Singel, zoals dit deel van de Buorren tot 1950 heette, ontstond zodoende een groot gat. Dat werd "as teken fan nije, earmoediger tiid", slechts gedeeltelijk opgevuld door een met behulp van het afbraakmateriaal opgebouwd boerderijtje, al snel Het Slot genoemd. Die moest in het begin van de jaren-zeventig op haar beurt het veld ruimen. Alweer een teken des tijds. Toen werden namelijk de laatste grachten en sloten weerszij de Buorren gedempt en vervangen door meer hedendaagse voetpaden (een proces dat zich ook langs de Wergeaster- en Goutumerdyk voltrok). De iepziekte voltooide enkele jaren later de aftakeling van de eens zo fraaie ieperen Singel. Op het (afgegraven) terrein van de voormalige state liggen nu het dorpshuis Ien en Mien en de Wiardaskoalle. Op een terprestant oostelijk daarvan wordt de herinnering aan het slot bewaard door een kubusvormig, marmeren gedenkteken, honderd jaar na dato door de nazaten opgericht "ter nagedachtenis aan hun voorouders en aan de in 1882 afgebroken Wiarda-State". De bijbehorende tuin aan de overkant van de weg is bebouwd onder de naam Binnentûn.

Twee jaar voor het slot verdween werd even zuidwestelijk ervan de nieuwe pastorie met koetshuis gebouwd. Een indrukwekkend voorbeeld van de toen gangbare neoclassicistische stijl. In de loop der jaren heeft het pand wel iets van zijn oorspronkelijke karakter verloren - bij een verbouwing in 1935 verdween een deel van het stucwerk aan de voorgevel evenals het balkon boven de voordeur - maar het is toch een van de fraaiste monumenten van Goutum gebleven, ook al benemen forse kastanjes het uitzicht enigszins en zijn de zesruitsvensters onlangs vervangen door groten ramen in kunststof.

Ook uit de vorige eeuw dateren de panden zuidelijk van de kerk, waar de Buorren een scherpe bocht naar links maakt. De nummers 15, 17 en 19 zijn respectievelijk het voormalige schoolmeestershuis met zijn glooiende tuin, een vroegere bakkerswoning die onder een royale schildkap is gebouwd en daardoor wel eens met de pastorie wordt verward, en de kosterij met haar sierlijk gemetselde paardenstalling.

Afgezien van de hierna behandelde objecten is Goutum niet (meer) rijk aan monumentale bouwwerken. Wellicht blijkt te zijner tijd dat de lacunes door de "kapitale" nieuwbouw op acceptabele wijze zijn opgevuld.


Agneskerk
In de loop van de twaalfde eeuw kreeg Goutum een (tuf)stenen kerkje, dat aan de Romeinse tienerheilige Agnes was gewijd. Rond 1250 werd het flink verbouwd en grotendeels uit rode (Friese) baksteen opgetrokken. In de tweede helft van de vijftiende eeuw volgde een laatste ingrijpende verbouwing: het schip werd verhoogd en naar het oosten verlengd, terwijl aan de westkant een 33 meter hoge zadeldaktoren verrees. Daarmee kreeg de Agneskerk haar huidige, gotische vorm. De laatste restauraties dateren van het begin van deze eeuw. Het kerkhof is volledig omgeven door leilinden en een smeedijzeren hek.

Aan het exterieur is de bouwgeschiedenis goed af te lezen: een bont schouwspel van verschillende steensoorten, metselverbanden, verbouwings- en restauratiesporen. In de noordmuur springen de restanten van de tufstenen kerk in het oog, gemetseld in afwisselende lagen staande en liggende blokken, waarin betrekkelijk grote rondboogvensters waren uitgespaard. Ook de laat-middeleeuwse verhoging is eenvoudig te traceren. Enkele gotische vensters zijn naderhand kennelijk weer verkleind en van houten ramen voorzien.

De ommantelde toren is versierd met spitsboognissen en samengesteld uit blokvormige geledingen met in de eerste een gedenksteen met het jaartal 1651 en in de twee een met 1757. In de noordoostelijke hoek een voorbeeld van negentiende-eeuws steunwerk.

In het heldere interieur vallen twee (gerestaureerde) rouwborden op. Het grootste is een wapenbord ter nagedachtenis aan een van de bewoners van Wiardastate, Ruerd Carel van Cammingha, overleden in 1793. Het meubilair, inclusief de sobere, zestiende-eeuwse preekstoel en het Van Damorgel uit 1864, was donkerbruin, totdat het in 1970 in bronsgroene tinten werd geschilderd. De balken die het tongewelf ondersteunden, zijn in 1895 afgezaagd en vervangen door ijzeren trekstangen. Onder de toren bevindt zich een grafkelder; zes loden platen, afkomstig van grafkisten aldaar, zijn verhuisd naar de consistoriekamer.

Zowel kerk als toren staan momenteel op de wachtlijst voor restauratie.


Brandspuithuisje
In zijn "Geschiedenis van Goutum" neemt R.K. de Jong de lezer mee op een wandeling door de Buorren anno 1880. Het dorp had toen juist de beschikking gekregen over een moderne handbrandspuit. Conform de voorschriften werd het nieuwe apparaat, dat wel vijftien meter hoog kon spuiten, eenmaal per jaar op zijn deugdelijkheid beproefd, tot groot vermaak van met name de jeugd.

De spuit werd in de bocht van de Buorren (nummer 20) gestald in een nieuw opgetrokken brandweerhuisje. Dat verloor die functie toen de brandweer in 1925 werd gemotoriseerd. De handbrandspuit verdween, het onderkomen raakte in verval.

Bij de aanleg van de Haven, vijftig jaar later, werd het brandweerhuisje door timmerbaas Willem Kimsma van de definitieve ondergang gered door het helemaal af te breken en als oud te herbouwen. Alleen de deuren, met het opschrift "Brandspuit", zijn nog oorspronkelijk. Het bedrijfsmonumentje is er echter niet minder curieus om. Tegenwoordig worden er fietsen gestald; ter gelegenheid van de Open Monumentendag  is er weer een handbrandspuit opgesteld.


Boerderij Heechhiem
Nog in 1951 voerde vanaf de Wergeasterdyk "een rustiek laantje, als een groene tunnel, met een bevallige slinger naar de boerderij met zijn oeroude Doeke Martens appelbomen". Door de aanleg van de wijk Heechhiem/Binnentûn is die situatie sinds 1970 drastisch gewijzigd: de oprijlaan is verdwenen, de boerenplaats is net niet opgenomen in de nieuwbouw.

De boerderij is er een van het negentiende-eeuwse stelptype: het woon- en bedrijfsgedeelte onder één vierzijdig schilddak, traditiegetrouw respectievelijk bedekt met geglazuurde (blauwe) en ongeglazuurde (rode) pannen. De eerste steen van Heechhiem, een naam die zowel de voor- als zijgevel siert, werd blijkens een inscriptie gelegd op 17 juli 1889. Aan het front is sindsdien het een en ander veranderd. Zo werd een blinde nis vervangen door een raam en naar het zuiden verplaatst. De fraai gesmede muurijzers bleven bewaard.

Bijzonder is de uitgebouwde melkkelder aan de noordzijde, oorspronkelijk een (nieuw) onderdeel van de bouwboerderij die hier sinds 1581 stond. De uit gele baksteen opgetrokken ruimte heeft een deur naar het "stalt", de spoelplaats aan de gracht, die ooit vrijwel het hele terrein omgaf. De kelder, die met de opkomst van de zuivelfabrieken zijn functie verloor, is nog goeddeels intact: een estrikken vloer, sporen van "zuivelblauwe" muurverf, binnen- en buitenluiken, tralies om-en-om van ijzer en hout en een brede deur, waardoor men met twee emmers gemakkelijk toegang had tot de karnhoek in het nieuwe bedrijfsgedeelte. Boven de melkkelder bevindt zich een ruime zolder met uitgebouwde kajuit.

Ook de "tsjerneharne" is nog grotendeels authentiek: veel tegelwerk, waaronder twee tableaus met niet geheel natuurgetrouw afgebeeld vee, een asymmetrische schouw en in het plafond nog goed zichtbaar het polsgat voor de karnton.

Nadat de boerderij in 1963 haar agrarische bestemming verloor, is de schuur ingrijpend verbouwd. Ook in het woongedeelte is veel vernieuwd. In de "goeie keamer" resteert echter nog een betimmering met een (kinder) bedstee en een fraaie porseleinkast, voorzien van karakteristieke negentiende-eeuwse houtimitatie.

Jan Pieter Janzen


Swichum
Tot 1864 was de Ald-Swichumerdyk de enige weg die naar Swichum leidde. Dit modderpad begon op Barrahûs, naast de boerderij met het soldaatje, en passeerde Wirdum aan de noordkant (onder andere langs Eysingastate). Via een losse brug over de Wirdumervaart kon men dan in het dorp komen. Een zeer geïsoleerde ligging, vooral als men bedenkt dat de weg een flink gedeelte van het jaar onberijdbaar was. Van groot belang was dan ook de Swichumervaart, een zijtak van de Wirdumervaart. Pas in bovengenoemd jaar werd de weg naar Wirdum aangelegd en kwam ook een verbinding met de Wergeasterdyk tot stand. Gedeelten van de Ald-Swichumerdyk zijn nog aanwezig, maar door de aanleg van Rijksweg 32 en de Wâldwei is het pad in stukken geknipt. Op het kruispunt in het dorp is "Om'e Tsjerke" nog een gedeelte van die oude weg.

In de zeventiende eeuw wordt Swichum genoemd een "kleyn dorp aen de meeren ende laege landen". Met die meren zullen de Hempenser- en de Grote Wargaastermeer bedoeld zijn. "Laege landen" zal vooral slaan op de drooggevallen meanders die het Oud Diep in de omgeving van het dorp gemaakt had. Het Oud Diep kwam uit de Wouden en mondde bij Barrahûs uit in de Middelzee. Het bruggetje in het fietspad naast Rijksweg 32 (hm paaltje 7.99) gaat over een restant ervan.

De Aytta-familie heeft een sterk stempel op het dorp gedrukt. In de eerste plaats was daar Aytta- of Buckemastate en verder het door Viglius van Aytta gestichte godshuis en de door dezelfde Viglius opgerichte school. Tot 1892 heeft Swichum een eigen school gehad. Het gebouw, een zogenoemd "schoolhuis" (onderwijzerswoning en school onder één dak), brandde in 1971 af. Nu staat er de woning Moskoureed 2. Of de school van Viglius ook op die plaats gestaan heeft, is onbekend.


De kerk
Door het ontbreken van bebouwing rondom manifesteert het kerkje van Swichum zich nadrukkelijk op de grotendeels afgegraven terp. De leilinden uit het begin van deze eeuw en het mooie smeedijzeren hek verfraaien het geheel. Komt men dichter bij het gebouw, dan ziet men dat de kerk en de toren zeer bouwvallig zijn. Het karakter van de kerk wordt bepaald door een interessante lappendeken van bouwstijlen. Het muurwerk bestaat hoofdzakelijk uit kloostermoppen. De kerk, waarvan het schip uit de dertiende eeuw dateert en het koor van rond 1300 kan zijn, is een van de oudste bakstenen kerken van Friesland.

Onder de dakvoet van de kerk bevindt zich een fries; langs het schip loopt vrijwel geheel een rondboogfries (de rij halfronde boogjes) en rond het koor een keperfries. In de zuidmuur ziet men aan de westkant, waar het fries ernstig is beschadigd, dat een aantal stenen waarop de boogjes rusten, bewerkt zijn; een menselijk gelaat is duidelijk herkenbaar.

In de zuidzijde bevinden zich drie, later ingebroken spitsboogramen, die met kleine stenen van rond 1600 zijn opgevuld. Naast het meest westelijke raam is een dichtgemetselde korfboog te zien; hier zal zich een ingang bevonden hebben. Rechts boven de boog zijn nog enkele profielstenen te zien van een waarschijnlijk gotische versiering. Het tweede venster is groter geweest en heeft naar het oosten kennelijk een voorganger gehad. Tussen het tweede en derde venster is een dichtgemetselde, lancetvormige opening te zien. Daarna volgt een verticale bouwnaad, voor een deel aan het gezicht onttrokken door een strook stucwerk. Rechts van het derde venster bevindt zich een bemetseld stuk muur. Op deze plaats heeft zich waarschijnlijk een steunbeer bevonden.

Het halfrond gesloten koor, dat enigszins ingesnoerd is, begint met een spitsboogvenster. Tussen de eerste en tweede steunbeer bevindt zich een vrij gaaf muurgedeelte van in wild verband gemetselde kloostermoppen. Achter de tweede beer zijn aan beide zijden sporen te zien van een rondboogopening. Links van de derde steunbeer bevindt zich ook een spoor van een rondboogvenster. Ter ondersteuning van de dakvoet bevindt zich in de muur van het koor een geprofileerde rand.

Het meest oostelijke vlak van de noordgevel wijkt enigszins naar binnen en is onmiskenbaar later ingevuld. Misschien heeft er een uitbouw gestaan. In dit stuk muur bevindt zich een kleine, rondbogige, dichtgemetselde opening. De noordwand van de kerk bevat een spitsboogvenster en de ingang tot de kerk. De laatste dateert uit de eerste helft van de vorige eeuw. De steunstenen onder het rondboogfries hebben aan deze zijde een rond profiel. Tegen de linkerkant van de westmuur heeft stellig ook een aanbouw gestaan; is dit een lijkenhuisje geweest?

De toren is in de vorige eeuw ommetseld. De voorganger is toen kennelijk flink bekapt, gezien de rankheid van de huidige toren. De zuidingang is gedicht en men kan nu alleen via de kerk in de toren komen. In de toren hangen twee klokken, waarvan de oudste gegoten is in 1438. De jongere is een gietsel uit 1548 door Gherhardus van Wou.

De kerk wordt niet meer voor de eredienst gebruikt en de meeste banken zijn verwijderd. Het interieur is zeer sober. In de vorige eeuw (1856) zijn de eiken lambrisering en de eveneens eiken herenbanken verdwenen. De preekstoel stamt uit de achttiende eeuw. Onder de lezenaar bevindt zich een duif als symbool van de Heilige Geest. Een neoclassicistische betimmering sluit de kerk af van het portaal. In dit portaal heeft het houten tongewelf oude geprofileerde sleutelstukken. Onder de vloer bevindt zich een aantal belangrijke grafstenen, waaronder enige van de familie Aytta.


Aytta-Godshuis
Het Aytta-Godshuis stond ten noordoosten van de kerk. Het was een soort gasthuis en werd in 1572 gesticht door Viglius van Aytta, in 1507 op Barrahûs geboren. Viglius liet het Godshuis oprichten uit dankbaarheid voor zijn oom Bernardus Bucho van Aytta, die hem zijn studie mogelijk had gemaakt en die uit Swichum afkomstig was. Het geld voor de studie was goed besteed. Viglius groeide uit tot een rechtsgeleerde van Europees formaat: hij werd onder andere persoonlijk adviseur van koning Philips II. Naast wetenschapper was Viglius ook een uitstekende financier; hij werd zeer rijk, maar zijn zuinigheid was spreekwoordelijk. Op latere leeftijd begon hij geld uit te geven en stichtte hij gebouwen in Leuven, Gent en Swichum.

Het Aytta-Godshuis was bestemd voor zeven oude armen, die er kosteloos mochten wonen en een uitkering kregen. Als tegenprestatie moesten de bewoners voldoen aan enige kerkelijke verplichtingen. Het gasthuis bestond uit een hoofdgebouw met kamers, dat ongeveer noord-zuid liep. Haaks op dit gedeelte stond een uitbouw naar het oosten. Deze uitbouw diende als bakkerij en slagerij. Het fraaie renaissance gebouw had op alle drie eindgevels een trapgevel.

In de vorige eeuw raakten de fondsen, die Viglius gevormd had en waaruit een en ander betaald werd, uitgeput. Het gebouw verkrotte. Toen verdwenen ook de zijvleugel en de noordelijke trapgevel. In 1912 werd het hele gebouw afgebroken en de onderliggende terpgrond duur verkocht.


Ayttastate
Ayttastate was zoals de meeste andere states gesitueerd op een omgracht terrein. Een dam met een hamei verleende toegang tot de state. Zij bestond uit een rechthoekig bouwwerk met twee lagen onder een schildkap met hoekschoorstenen. Hoewel de state in 1786 al in vervallen toestand verkeerde en de boomsingel grotendeels gekapt was, geeft een schetstekening van J. Gardinier Visscher uit dat jaar ons stellig nog een betrouwbaar beeld. De tekening toont een gebouw met een onregelmatige indeling. Het linker gedeelte heeft een onderkeldering met twee luikjes aan de voorzijde en een poortnisje in de zijgevel. Op de verdieping zijn aan beide zijden ramen aangebracht. Het rechter deel lijkt niet onderkelderd te zijn en bevat een viertal kruisvensters van ongelijke breedte van een zestiende-eeuws model, waarboven de verdieping nog vrij hoge ramen heeft. Bezijden het midden is een grote kapel uit het dak gebouwd. Achter de state bevinden zich een schuur en stalachtige aanbouwen.

Op het terrein tegenover de kerk staat tegenwoordig een boerderij , een van het kop-hals-romptype, die in 1847/'8 moet zijn gebouwd. De overwelfde kelder van de oude state zou daarbij gehandhaafd zijn. Een deel van de grachten en singels is in elk geval nog aanwezig.


De Grote Wargaastermeer
Op de plek, waar de Moskoureed een bocht maakt van 90 graden, bevindt zich de buitenrand van de vroegere Grote Wargaastermeer. De ringsloot en -dijk en de vaart met daarachter het opmerkelijk lage niveau van de polder zijn hier duidelijk te zien. Over de tijd van ontstaan van het meer is weinig bekend. Het zal waarschijnlijk na 1200 geweest zijn. Vrijwel zeker is hier turf gewonnen en hebben water en wind de gegraven petgaten steeds groter gemaakt.

Op initiatief van de rijke Amsterdammer Paulus Jansz. Kley is in 1633 begonnen met de droogmaking. Twee molens aan de oostkant maalden het water over de ringdijk. Dat waren zogenaamde "opwerkmolen", die nog geen schroef hadden maar schepraderen. Een enkele molen was niet in staat het water over de dijk te krijgen en daarom gaf de ene molen het water door aan de andere.

De boeren zullen blij geweest zijn met de inpoldering, want er kwam een eind aan de voortgaande afkaveling van het land en bovendien werd 188 ha grond aan het landbouwareaal toegevoegd. De vissers voelden zich echter in hun bestaan bedreigd. Wirdumer vissers zouden enige malen de ringdijk doorgestoken hebben. Langs de weg door het meer staat een monumentje ter ere van Kley, met onder andere zijn grafsteen.

Jaep Dykstra


Wirdum
Het oorspronkelijke dorpsgebied van Wirdum was zeer omvangrijk. De noordelijke grens lag dicht onder Goutum, de zuidelijke een kilometer ten noorden van Reduzum. Het uiterste oosten grensde aan de Hempenser- en Grote Wargaastermeer en de Zwette vormde de westelijke grens. Het grondgebied was in de late middeleeuwen sterk vergroot door de inpoldering van de Middelzee. In 1957 verloor Wirdum een groot gebied, toen Wytgaard een zelfstandig dorp werd. Maar dorpsgrenzen hadden toen allang geen officiële betekenis meer.

De Middelzee is hier van groot belang geweest. In de eerste plaats wierp de zee een kwelderwal op, waarop men terpen kon bouwen. Later maakte de bevolking uiteraard gebruik van het ingepolderde en vruchtbare land. De oude Middelzee is in het landschap nog duidelijk te herkennen. De dijk liep grotendeels op de plaats waar nu de Brédyk ligt en qua verkaveling is er een sterk verschil tussen het Aldlân en het Nijlân.

Rond bovengenoemde terpen ontstond een aantal buurschappen, waarvan Marwert, Tsjaerd, de Werp (met Barrahûs) en Jousmabuorren (met de Him) samen met de dorpskern het dorp Wirdum van nu vormen. De dorpskern breidde zich vooral uit naar het westen. We mogen aannemen, dat toen de Greate Buorren volgebouwd was tot aan het water, de Lytse Buorren ontstond, eerst de zuidzijde en daarna de noordkant. In de achttiende en negentiende eeuw ontstond er achter deze beide straten een aantal stegen, onder andere de nu gerenoveerde Kamp ten zuiden van de Greate Buorren.

Wirdum is vroeger duidelijk een waterdorp geweest. Niet alleen waren alle boerderijen via een vaart bereikbaar, maar ook in het dorp zelf was veel water. De Wirdumervaart liep (en loopt) aan de noord-, oost- en zuidkant. De Werpstervaart en de Haven liggen aan de westkant, de laatste ten zuiden van de brug. Achter de Greate Buorren lag de Zuiderhaven, nu een slootje. In de Greate Buorren zelf was een haven vanaf de brug tot ongeveer halverwege de kerk. Verder lag er onder meer nog een haven bij de school aan de Lytse Buorren.

Tot in de negentiende eeuw kon men via de weg Wirdum alleen bereiken langs de Wytgaardsterweg (nu Legedyk, Marwertsterdyk) en de Werpsterdyk. In genoemde eeuw veranderde er veel. De oude Rijksstraatweg werd aangelegd en ook de Swichumerdyk. De Tsjaerderdyk werd doorgetrokken van Tsjaerd naar de Eagumerdyk en de al bestaande wegen werden verhard. Bovendien kwam in 1868 de spoorlijn Leeuwarden-Zwolle gereed en kreeg Wirdum een station. In onze eeuw kwam die stopplaats weer te vervallen, maar kwamen Rijksweg 32 en de Wâldwei tot stand.

Toen de Legedyk verhard werd en de Swichumerdyk was aangelegd, ontstonden er aan deze straten mogelijkheden tot nieuwbouw. Het dorp heeft er een paar fraaie "pastorie- of rentenierswoningen" aan overgehouden. In de eerste helft van onze eeuw stokte de woningbouw. Huizen uit de jaren-twintig en -dertig komen hier weinig voor. Omstreeks 1960 kwam de nieuwbouw weer op gang. De gemeente Leeuwarden, waartoe Wirdum sinds 1944 behoort (voorheen Leeuwarderadeel), heeft niet zonder succes een eind gemaakt aan de lintbebouwing. De kerk staat nu weer in het spreekwoordelijke midden.

Voor de werkgelegenheid in het dorp, buiten de ambachten en de echte agrarische sector, werd de in 1891 aan de Tsjaerderdyk opgerichte zuivelfabriek van belang. Soms liep het aantal werknemers op tot dertig. In 1964 werd de fabriek gesloten, maar de gebouwen staan er nog.

Wirdum heeft vijf schoolgebouwen gekend, waarvan er nog twee als zodanig gebruikt worden. De oude openbare school aan de Lytse Buorren, die op dezelfde plaats een aantal kerkscholen als voorgangers heeft gehad, wordt nu gebruikt door de Agrarische Bedrijfsverzorging. In 1869 werd een christelijke school opgericht achter de Lytse Buorren. Het schoolgebouw aan de Skoallesteech doet tegenwoordig als garage dienst; de oude gebruikers hebben in 1955 de beschikking gekregen over een nieuwe school aan de Theodorus Beekhuisstrjitte. In dezelfde straat kwam in 1987 ook een nieuwe openbare school. Reeds in 1875 had de afdeling Wirdum van de Maatschappij tot 't Nut van het Algemeen een bewaarschool gesticht. De later vernieuwde school is thans wijkgebouw van het Groene Kruis.

Naast een hervormde werd Wirdum in 1873 ook een gereformeerde kerk rijk. Dit godshuis verrees aan de Swichumerdyk. Nu is het een garage; de gereformeerden kregen in 1925 de beschikking over een veel groter onderkomen aan de Legedyk. Daar kwam in 1934 ook de kapel van de vereniging van orthodoxen in de hervormde kerk te staan. het gebouwtje staat er nog, maar enkele jaren geleden herenigden de richtingen in de hervormde kerk zich. Wirdum zou in de zestiende en zeventiende eeuw ook een doopsgezinde kerk hebben gehad en wel aan de Greate Buorren, maar hierover is weinig bekend.


Hervormde Kerk
In Wirdum staat de toren van de kerk aan de "verkeerde" kant: niet tegen de westzijde van het schip zoals dat in Friesland regel is, maar tegen de zuidmuur. De kerk heeft wel een toren gehad aan de westzijde. Het unieke feit deed zich toen voor dat de kerk twee torens bezat. De westelijke toren, die gebouwd was van tufsteen, is in 1688 door de kerkvoogden voor f 4.790,- verkocht aan de cementindustrie in Makkum! Sedertdien dragen de Wirdumers de bijnaam "Tuorkefretters". De afgebroken toren ha een spits, maar daar hij in 1597 grotendeels was ingestort en weer herbouwd, is de oudste vorm onbekend. Bij de laatste restauratie van de kerk (1982) bleek dat in de noordmuur van het schip zich een restant bevindt van een (romaans) muurgedeelte van tufsteen. De eerste kerk en toren zouden daarom uit de twaalfde eeuw kunnen dateren.

De huidige toren is in 1806 opgericht. In het begin van de vorige eeuw was de zadeldaktoren die op deze plek stond zo bouwvallig geworden, dat men besloot hem af te breken en te vervangen.

Het kerkgebouw dateert uit de tweede helft van de dertiende eeuw. Helaas is het schip in latere tijden vrijwel geheel met kleinere steen omkleed. Aan de koorzijde echter ziet men nog restanten van het dertiende-eeuwse gebouw: een in wild verband gemetseld muurgedeelte met een fragment van een rondboogfries. De drie steunberen zijn ook van moppen, drie maal onderbroken door een band van tufsteen, en zouden gelijk met het koor gebouwd kunnen zijn.

Moppenmateriaal bevindt zich eveneens in de noordelijke uitbouw van de kerk. Maar dit element is van een 150 jaar later. Kenmerkend zijn hier de drie hoge spaarnissen in romano-gotische stijl. De uitbouw is de begraafkapel van de Oenema's en de Cammingha's geweest. Ook zal het familiealtaar hier hebben gestaan. De kerk heeft waarschijnlijk ook een uitbouw naar het zuiden gehad; vermoedelijke sporen hiervan zijn binnen te zien.

In 1716 heeft de westkant van het schip, dat door de afbraak van de tufstenen toren geschonden was, een drieledige sluiting gekregen. De portiek ontving een versiering in natuursteen, bestaande uit een gebroken fronton met siervaas en alliantiewapens.

Ruimtelijk gezien behoort het interieur van de gerestaureerde Wirdumer kerk tot de meest fascinerende van Friesland. Het negentiende-eeuwse gewelf van het schip is in 1982 weggebroken. Daar zich erboven nog de ribben van een gotisch gewelf bevonden, kon dit oude tongewelf in ere hersteld worden. De noordelijke uitbouw die van het schip was afgesloten, maakt weer onderdeel van de kerk uit. Het aanwezige houten plafond is bij de restauratie verwijderd en het oorspronkelijke kruisribgewelf is opnieuw in het zicht gebracht. Ook het nog bestaande deel van de zuidelijke beuk kwam weer bij de kerk. Hier hangt nu een in 1984 door Jan Murk de Vries vervaardigd kruisbeeld. In dit gedeelte van de kerk is ook een toegang naar de toren gemaakt. Jammer genoeg ging dit ten koste van het "hûnegat", een detentiecel.

De preekstoel, een product uit de negentiende eeuw en vóór de restauratie gesitueerd tegen de noordmuur, heeft een nieuwe plek tegen de zuidelijke muur gekregen. In 1843 boden de kerkvoogden van Leeuwarden alle verlichting van de Grote Kerk te koop aan in de krant. De kerkvoogdij van Wirdum heeft daarvan toen een flink aantal blakers en waarschijnlijk ook enkele luchters gekocht. De koperen kronen dateren uit 1776. In de kerk valt het grote aantal herenbanken op. Ze zijn evenals de preekstoel in de negentiende eeuw vervaardigd, maar een ervan heeft op het ruggeschot oudere familiewapens. In de achttiende eeuw waren er in de kerk tal van rouwborden; er zijn er slechts twee van overgebleven.

Indrukwekkend is het grote aantal, vaak fraaie grafzerken. Vrijwel alle stijlen uit de geschiedenis van de Friese zerkbeeldhouwkunst zijn vertegenwoordigd. Het oudste exemplaar is de zandstenen gotische priesterzerk van Fercke van Aytta, pastoor te Wirdum, overleden in 1500. De mooiste grafstenen zijn de door Vincent Lucas in maniëristische stijl gehouwen steen van Wytze Camstra en de twee portretzerken in het koor, met op de ene de afbeelding van Wytze van Cammingha en zijn vrouw Rixt Roorda en op de andere Julius van Eysinga in volle wapenrusting.

Het orgel is in 1790 gebouwd door Lambertus van Dam. Bij de bouw werd gebruik gemaakt van onderdelen van oudere voorgangers. Het uitbundige houtsnijwerk is van Jacob Swalue.

Tenslotte het kerkhof: het valt op dat de Cammingha's, toen het verboden werd binnen de kerk te begraven, hun doden zo dicht mogelijk bij hun kapel bleven begraven. Opvallend aan de zuidzijde is de steen met twee koeien en twee paarden. Het is een negentiende-eeuwse steen op het graf van de koopman-boer Einte Jochums Admiraal.


De voormalige pastoriewoning
De voormalige hervormde pastorie, thans in gebruik als kantoor van de Agrarische Bedrijfsverzorging (Hôf 1), is gebouwd op de plaats waar al sinds honderden jaren de predikantswoning heeft gestaan en waar vóór de Hervorming de pastoorswoning stond.

Daar de oude pastorie in slechte toestand verkeerde, kreeg de bekende Leeuwarder architect Jurjen Bruns opdracht een nieuw gebouw te ontwerpen. In 1875 kon, zoals ook blijkt uit de gedenksteen in de westelijke muur, de eerste steen worden gelegd. Bouwer werd Klaas Rienks Sybrandy, telg uit een Wirdumer geslacht van vermaarde timmerlieden en aannemers.

Het front van het grote blokvormige gebouw heeft een bijzonder decoratieve kwaliteit. Het laat de voor de pastorie- of rentenierswoning gebruikelijke indeling zien van twee raamvakken aan weerszijden van de toegangspartij, met boven de entree een uitgebouwde gevel. Dit centrale element is geheel bepleisterd en wordt begrensd door veelzijdige hoekkolommen, bekroond met siervazen. De deur met bovenlicht staat achter een portiek die omlijst is en bekroond met een sierkuif. De ramen in het front zijn ook omlijst en van een sierkuif voorzien. De voorgevel ontving als geheel eveneens een omlijsting en wel met hoekpilasters en een kroonlijst. Onder de gootlijst zit een reeks fraaie consoles. Het dak met de gegolfde Friese pannen wordt bekroond door hoekschoorstenen met borden.

Is aan de pastorie vormgegeven in een menging van verschillende neo-stijlen, het naastgelegen koetshuis, met onder andere twee paarden- en twee koeienstallen, vertoont meer een neoclassicistisch karakter. De poortpartij met de uitbouw voor het dak geeft met schijnvoegen de illusie van natuursteen weer. Het hijsluik voor de hooizolder kreeg zo een opmerkelijk monumentaal karakter. De consoles van de gootlijst zijn identiek aan die van de woning en brengen de verbinding tussen de beide gebouwen tot stand.


Stelp De Golle
Naast de reeds genoemde Jousma- of Eysingastate bezat Wirdum in ieder geval nog vijf adellijke huizen: Uniastate op de Werp, Camstra onder Wytgaard, een state van diezelfde naam aan de Werpsterdyk en tenslotte de beide Oenemastates aan de Brédyk en de Marwertsterdyk, thans ook in Wytgaard gelegen. In sommige gevallen is van de states niets meer terug te vinden, soms herinnert een gracht of een singel nog aan vroeger tijden.

Mondelinge overlevering wil, dat op de plaats van het tegenwoordige dorpshuis De Golle ook een adellijk huis heeft gestaan, eveneens van de familie Camstra. In 1832 maakte de bekende Wirdumer dagboekschrijver Doeke Hellema melding van een "heerenhuizinge" en een "boerenhuizinge" op deze plek.

Tot 1923 stond hier een prachtige kop-hals-romp boerderij. In genoemd jaar werden de kop en de hals afgebroken, werd er een hooivak van het bedrijfsgedeelte afgenomen en kwam de stelpboerderij tot stand zoals die nu nog bestaat. De naam Vriezemastate die ook wel aan de boerderij wordt gegeven, is vermoedelijk afkomstig van de familie Vrieze, die rond de eeuwwisseling eigenaar was. Historische betekenis heeft deze naam niet. De boerderij werd in 1973 als dorpshuis in gebruik genomen.


Eysinga Begraafplaats
Een anderhalve kilometer ten noorden van Wirdum ligt, midden in de weilanden, omgeven door bomen en een uitgedroogde gracht, de vervallen maar nog indrukwekkende Eysinga-begraafplaats. Tot in het laatst van de achttiende eeuw stond hier Jousmastate, dat in de zestiende eeuw door vererving in handen was gekomen van de familie Eysinga. De gracht die nu om de begraafplaats ligt, is een overblijfsel van de oude slotgracht. De oppervlakte van het terrein lijkt niet groot, maar Jousmastate was een flink gebouw met meer dan tien kamers en met zes kelders.

Toen in het middel van de vorige eeuw het begraven in de kerk om hygiënische redenen verboden werd, gingen sommige voorname families er toe over hun doden te begraven op afgeperkte gedeelten van begraafplaatsen. Anderen legden een eigen begraafplaats aan, zoals ook de Eysinga's.

De eerste begrafenis vond hier al plaats in 1828. In dat jaar werd jonker Frans Julius Johan van Eysinga, onder andere oud-grietman van Doniawerstal, naar zijn laatste rustplaats op het eilandje tussen de grachten gebracht, waar verder nog geen enkele voorziening getroffen was. Het houten bruggetje dat gediend had voor de toegang, werd na de teraardebestelling weer verwijderd. Deze eerste begrafenis vond plaats vanuit Leeuwarden en ging via de Wirdumervaart. Dergelijke begrafenissen over water kwamen hier later nog wel vaker voor.

In 1835 werd voor de vierde teraardebestelling een enorme ringmuur uit de gracht opgetrokken tot anderhalve meter boven de grond. De gracht was hiertoe drooggelegd. Op de plek waar zich nog steeds de toegang bevindt, werd in 1872 een vaste burg gebouwd met ervoor een groot smeedijzeren hek. Het hek is verdwenen, de brug is door een dam vervangen.

Tot 1907 was de begraafplaats over de weg alleen te bereiken langs de zogenaamde Ald-Swichumerdyk. In dat jaar werd voor de op één na laatste begrafenis een nieuwe beklinkerde weg aangelegd naar de Werpsterdyk, ter lengte van ongeveer anderhalve kilometer. Sinds 1986 is de plek alleen te bereiken via de Loodyk, een ruilverkavelingsweg. Waren de graven tot 1907 zeer sober, nu werd er een grafkelder gebouwd en verschenen er voor het eerst familiewapens op de zerken.

De laatste begrafenis heeft plaatsgehad in 1938. Na die tijd is het terrein spoedig verwaarloosd geraakt. In de oude kasteeltuin ten zuiden van de gracht kan men tot  in onze tijd in het voorjaar stinsenplanten aantreffen.

Jaep Dykstra


Wytgaard
Wytgaard, liggend aan en op de oude Middelzeedijk, behoorde vanouds bij het dorp Wirdum. De geschiedenis van Wytgaard loopt vanwege deze verbintenis met Wirdum grotendeels parallel met die van het buurdorp. Alleen op godsdienstig gebied verschillen de beide dorpen wezenlijk van elkaar: Wirdum is een protestants dorp en Wytgaard een oude rooms-katholieke enclave.

Wytgaard dankt in feite haar rooms-katholieke parochie aan Wirdum. Gaan we terug tot 1580, het jaar van de Reformatie en de beeldenstormen. De oude parochiekerk in Wirdum viel als een der eersten in handen van de protestanten en het oude rooms-katholieke geloof werd overal verboden. De laatste pastoor van Wirdum, Johannes Popkesz., werd in 1580 verbannen omdat hij niet tot de nieuwe leer overging.

Van 1580 tot 1593 verkeerde de oude godsdienst in Friesland in een desolate toestand. Er waren nauwelijks meer trouwe priesters te vinden en die er nog waren hielden zich schuil. Omstreeks 1592 kwamen er vanuit de zuidelijker Nederlanden paters Jezuïeten werken. Zij trokken van plaats naar plaats en bedienden heimelijk de weinig overgebleven rooms-katholieke gelovigen. Oenemastate benoorden Wytgaard was een van die plaatsen; de invloedrijke familie Cammingha, die het slot bewoonde, was na de Reformatie het katholieke geloof trouw gebleven. De zo ernstig vervolgde priesters en zendelingen vonden op de state een goed en welkom thuis en hadden voor hun diensten zelfs een huiskapel ter beschikking. Het is dan ook zeker dat de nieuwe rooms-katholieke statie (later parochie) op Oenemastate haar oorsprong heeft gevonden.

In 1609 vestigde zich hier pater Arnoldus Cathuis (Cathz.), geboren te Leeuwarden op 21 december 1576. Hij was van voorname komaf: zijn vader was burgemeester van Leeuwarden. Pater Cathz. wordt algemeen beschouwd als de grondlegger van de statie Wytgaard (1631). Naar hem is in het dorp een straat vernoemd.

De voorspraak en invloed van de in 1719 nog steeds oprecht katholieke Cammingha's was krachtig genoeg om voor pater Aloysius Byrza toestemming te verwerven tot het oprichten van een gebouw, dat er van buiten als een pakhuis uitzag, een zogenaamde schuilkerk. De eerste steen voor dit gebouw werd in 1719 gelegd door Doeke Jans (Roorda), paardenkoper van beroep. De schuilkerk stond aan de Púndyk naar Wirdum, achter de plaats van de huidige kloostermuur. De latere eigenaar van Oenemastate, Reinier baron van Middachten, liet in 1833 op de schuilkerk een koepel bouwen met daarin een klok van 95 oude ponden. Dat was hoogst opmerkelijk en zeer vererend, de eerste metalen stem in Friesland in een katholieke kerk sinds de onlusten der zestiende eeuw.

Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853) werd het katholieke kerkhof aangelegd (1859) en in 1872 de nieuwe "Cuyperskerk" gebouwd. Voordat in 1921 een eigen katholieke school werd opgericht, gingen de kinderen naar de uit 1863 daterende openbare lagere school die nog steeds, zij het zwaar verbouwd, met haar rondboogtraveeën het dorp markeert. De katholieke Sint Gerhardusschool aan de Buorren is in 1981 verlaten. Kinderen en onderwijzend personeel namen hun intrekt in de nieuwe "Teake Jan Roordaskoalle" aan de Tjissema. De eerste naoorlogse nieuwbouw van het dorp is in 1964 tot stand gekomen.

Naast het bekende dorpscafé bezit Wytgaard een eigen dorpshuis (De Twirre) en heeft het een bloeiend sport- en verenigingsleven. Wytgaard, doorsneden door de rijksweg Leeuwarden-Sneek, telt momenteel zo'n zeshonderd inwoners.


De rooms-katholieke begraafplaats
In het dekenaat Leeuwarden was, met uitzondering van het eiland Ameland, tot 1859 geen enkele rooms-katholieke begraafplaats te vinden. De katholieke doden werden veelal op algemene begraafplaatsen te ruste gelegd. De gelovigen uit Wytgaard en omgeving vonden een laatste rustplaats op het kerkhof bij de Hervormde Kerk in Wirdum. De parochie St. Nicolaasga had al vanaf 1842 een eigen begraafplaats en in het uiterste zuiden van Friesland dateerde het eerste rooms-katholieke kerkhof te Steggerda (inmiddels opgeheven) uit ongeveer dezelfde periode.

In de tijd dat pastoor Johan von Schelve van Wytgaard plannen maakte voor het derde rooms-katholieke kerkhof in Friesland, moest dat eigenlijk nog heimelijk gebeuren. Hij verwachtte, naar later bleek terecht, veel weerstand van de burgerlijke autoriteiten en van de protestanten. Na veel problemen te hebben overwonnen, werd het kerkhof op 1 juni 1859 ingewijd. In de eerste tientallen jaren daarna werden uit alle hoeken van het dekenaat de katholieken in de gewijde aarde te Wytgaard begraven. Nog steeds staan er gedenktekens van overledenen uit Dokkum, Franeker, Harlingen, Dronrijp, Irnsum, Oosterwierum, Warga en vooral uit Leeuwarden. Alleen al in 1875 vonden er niet minder dan 75 begrafenissen plaats. Uit deze tijd stamt de bijnaam van de Wytgaarders: de "gleskenuvers", omdat ze van achter hun vensters de vele begrafenisstoeten gadesloegen.

Later kregen andere parochies ook eigen begraafplaatsen en nam de wens om in Wytgaard begraven te worden, sterk af. Het kerkhof is in 1984 bij de herdenking van het 125-jarig bestaan grondig opgeknapt en heringericht. Er heerst, evenals vroeger, een vredige en waardige sfeer.


De voormalige "Cuyperskerk"
De oude schuilkerk uit 1719, sinds 1853 gewijd aan Maria ten Hemelopneming, was anderhalve eeuw later in een vervallen toestand geraakt. In 1870, onder het pastoraat van Johannes von Schelve (1852-1880), startten daarom de voorbereidingen voor de bouw van een nieuwe grote kerk. De benodigde grond was geschonken door jonkheer Vegelin van Claerbergen uit Joure. Dankzij zeer grote offers van de parochianen kwam er voldoende geld beschikbaar om de vermaarde architect P.J.H. Cuypers opdracht te geven een ontwerp te maken voor een neogotische kruiskerk met een grote toren. Met de bouw werd in 1871 aangevangen en op 21 oktober 1872 kon de prachtige kerk geconsacreerd worden door Mgr. A. Schaepman, aartsbisschop van Utrecht. Vele milde gaven maakten in 1875 de aanschaf van drie klokken en een slaguurwerk voor de toren mogelijk. De klokken werden toegewijd aan paus Pius IX, Maria en Jozef, en ontvingen de inscriptie "Een offer van Wijtgaards pastoor en parochianen 1875". In de navolgende jaren zijn door de parochianen veel goederen: meubels, beelden en gebrandschilderde ramen aan de kerk geschonken.

De oude pastorie naast de inmiddels afgebroken schuilkerk werd in 1928 door pastoor W. de Groot vervangen door een grote nieuwe pastorie. Die verrees zuidelijk naast de Cuyperskerk op de plek van de in hetzelfde jaar gesloopte armenhuizen, in de volksmond "it âlde kleaster" geheten.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn de drie zware klokken door de Duitse bezetter weggehaald uit de toren en naar Duitsland getransporteerd. In 1957 heeft de parochie nieuwe klokken aangekocht.

De kerk raakte in deze periode danig in verval en in 1950 werd een rapport opgemaakt met een kostenberekening voor herstelwerkzaamheden. Die zijn echter nooit uitgevoerd. Pastoor H. Meekes gaf in 1960 de eerste aanzet tot plannen voor een nieuw kerkgebouw en stelde de ruime pastorie ter beschikking aan de Zusters van Liefde, die er in augustus 1961 het klooster "Mater Dei" vestigden. De plannen voor een nieuwe kerk werden door het bisdom en pastoor H. Dierkes verder uitgewerkt en op 11 oktober 1965 werd in de toen jongste dorpsuitbreiding de eerste steen gelegd. De oude Cuyperskerk, nog geen honderd jaar oud, met zijn fiere slanke toren, zijn fraaie glas-in-lood ramen, kruiswegstaties en beelden moest worden afgebroken. De toren viel op 11 november 1966 door een lading dynamiet. Een zwarte dag in de geschiedenis van Wytgaard.

Veel parochianen konden zich niet met de afbraak van de monumentale neogotische kerk verenigen, temeer omdat zij helemaal geen inspraak hadden gehad. Tal van inventarisstukken, zoals de kruiswegstaties en de ramen, zijn helaas vernietigd. Enkele beelden staan thans in de rooms-katholieke kerk te Workum, de doopvont in de Hervormde Kerk te Stiens en de schitterende gebeeldhouwde preekstoel in een museum te Utrecht. Van de kerk zijn gelukkig vele foto's bewaard gebleven, foto's om te laten zien dat zoiets nooit weer mag gebeuren.


Jaring Walta
Jaring Walta, de bekende schilder uit Wytgaard, werd als zoon van een vrachtrijder geboren op 12 maart 1887 te Blauwhuis. Op jonge leeftijd koos hij  voor het vak van huisschilder en maakte aanvankelijk verfkwasten en -potten schoon voor zijn baas. Hij kwam in 1910, net getrouwd met Berber Rypma, naar Wytgaard waar hij aan de Buorren een schilderszaak en lak- en spuitinrichting dreef. Bovendien was hij hier scheerbaas en verkocht hij sigaren. Walta had een grote liefde voor de natuur en voor muziek en las veel boeken. Geïnspireerd door deze gaven kreeg hij aardigheid in het kunstschilderen en nam hij tekenlessen aan de avondschool te Leeuwarden.

Samen met zijn al even bekende oom Germ Rypma kopieerde hij doeken van beroemde meesters in musea en maakte hij contact met andere schilders, zoals Anders van der Sloot, Gerrit Benner en Hans van der Schaaf. Ook kreeg hij  contacten met Douwe Kiestra, Reinder Brolsma en S. Sipma, allen begaafde schrijvers.

Walta maakte stillevens, landschappen en portretten, waarin hij probeerde het karakter van de mens te treffen. Hij kreeg goede kritieken op zijn werk, maar bleef bescheiden, schuwde de publiciteit. Bij veel Wytgaarders is de herinnering aan de markante, geestige persoonlijkheid gebleven. De kunstenaar overleed op 19 november 1971.


Oenemastate aan de Brédyk
De geschiedenis van Oenemastate is boeiend, doch ingewikkeld. Er zijn namelijk twee states (of stinsen) geweest. Groot Oenema werd ook wel Camminghastate genoemd. Deze state, het slot met de daarbij behorende gebouwen, stond het noordelijkst en lag aan de oude Middelzeedijk, thans de Brédyk. Eertijds markeerde een poort de toegangsweg, waarvoor een ophaalbrug lag - het slot was omgeven door een brede grachtensingel. Het is een groot slot geweest met twee vleugels, een menigte grote kamers en een huiskapel. In 1436 - het slot is dan vermoedelijk al zeer oud - woonde er ene Wytze Oenema met zijn vrouw His Sjaerdema. Zij hadden vier kinderen, namelijk Feijcke, Oene, Wick en Tieth. Ongetwijfeld is de naam van het slot afkomstig van deze familie.

Oene Oenema verloor het leven in 1463 nabij Irnsum in de zogenaamde Donia-oorlog, de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers. Oene's zus Wick trouwde met Watzes Abbes Dekema. Hun nazaten (de Cammingha's) hebben steeds op de state gewoond. De tweede zuster, Tieth, huwde Jelger Feytsma thoe Jelgersma. Dit echtpaar en hun kinderen bewoonden de zuidelijke state, die we als Oud- of Kleine Oenemastate kennen.

De beroemde generaal Wytze Watze van Cammingha woonde in 1584 op de noordelijke state. In 1821 zijn de poort en een groot gedeelte van de state afgebroken. Het resterende bezit was na 1821 in handen van Tjalling Minne van Asbeck, de schoonvader van Reinier baron van Middachten. Het restant van het eens zo roemrijke slot van de Oenema's en de Cammingha's is in 1920 gesloopt, de grachten zijn toen gedempt en het land behoorde vanaf dat moment bij de zuidelijke state.

De zuidelijke state werd in 1700 bewoond door kolonel Koenraet van Unckel, nazaat van de Cammingha's. In 1755 stond Oud- of Klein Oenemastate te koop en is een groot gedeelte afgebroken. Het is aannemelijk dat een lid van de familie van Middachten toen op deze plek een nieuwe boeren- of herenhuizinge heeft laten bouwen. Op 15 november 1844 brak er brand uit op Oenemastate. De verwoeste opstallen waren dubbel verzekerd, bij de toenmalige verzekeringmaatschappij O.B.A.S. en Woudsend, en dat betekende "niet verzekerd". Jarenlang heeft het terrein een troosteloze aanblik gegeven, omdat de verzekeringmaatschappijen in een juridisch gevecht waren verwikkeld.

Pas in 1848 is de statige huizinge gesloopt. Op dezelfde plaats verrees een nieuwe stelpboerderij, die in 1908 is aangekocht door Sjerp IJsselstein. De familie IJsselstein heeft de boerderij tot 1982 bewoond. Er werd toen al jaren geen boerenbedrijf meer uitgeoefend. Daarna is het gebouw verkocht aan de familie Jakobs, die het exterieur heeft laten restaureren. De huidige Oenemastate, haar oude, nog zichtbare en opnieuw beplante singels en grachten, en de prachtige tuinen zijn restanten van een glorieus verleden.

De Brédyk onder Wirdum

Boerderij met voorhuis op De Werp
Aan de Brédyk, ter hoogte van de Werpsterhoek, staan twee boerderijen naast elkaar, die wel van het type kop-hals-romp zijn, maar waarvan het voorhuis dwars op het bedrijfsgedeelte staat. Aan deze voorhuizen is naar het model van de zogenaamde pastorie- of rentenierswoningen vormgegeven, met dit verschil dat ze op een zeer hoog souterrain staan, dat als molkenkelder werd gebruikt. Het is duidelijk dat bij de bouw de invloed van de stad zich heeft doen gelden. De meest zuidelijke boerderij (Brédyk 32) is gebouwd in 1871. De noordelijke (Brédyk 30), die bezocht kan worden, is tien jaar jonger.

Het souterrain van Brédyk 30 is met versierde natuursteen platen bekleed. In het midden leidt een hoge trap naar de ingangsportiek, waarboven de gevel is uitgebouwd. Openslaande deuren en een balkon accentueren deze middenpartij. Portiek en raamopeningen zijn fraai omlijst en van kuiven voorzien. Ook de gevelpartijen kregen omlijstingen van pilasters en zeer decoratieve kroonlijsten. De middenpartij wordt begeleid door veelzijdige hoekkolommen, die bekroond worden door siervazen. Het schilddak, belegd met geglazuurde gegolfde Friese pannen, wordt bekroond door hoekschoorstenen met borden en pironnen.

Ook in het interieur is nog te zien, dat de boerderij uit ruime beurs betaald moet zijn. Het oostelijk vertrek bezit nog de oorspronkelijke betimmeringen. Rond de ramen binnenluiken en verzorgde vensterbanken op zuiltjes en in een wand de bedsteden met een fraaie diggelkast in het midden. De gang heeft een plafond van decoratief stucwerk.


Oud Barrahûs
Op nummer 26 van de Brédyk staat slechts het voorhuis van een boerderij. Toen in 1867 de spoorweg Leeuwarden-Zwolle werd aangelegd moest het bedrijfsgedeelte worden afgebroken. Een paar honderd meter westelijker is vervolgens een nieuwe boerderij gebouwd.

De kuif van de buitengewoon sierlijke voorgevel geeft het jaartal 1787 te lezen, waar onder een wapenschild. Het wapen lijkt afgehakt; op de plaats daarvan is geschilderd "Oud". er onder zijn "Barra" en "huis" uitgehakt en tussen de twee woorden is "no 34" geschilderd.

Voor het einde van de achttiende eeuw heeft het huis een ouderwetse gevel in rococo-vormen. De in- en uitzwenkende ojiefgevel kan zelfs in de stad Leeuwarden maar op een plek (Nieuwestad 39) worden aangetroffen. De gevel op Barrahûs is voor het platteland een verbazingwekkend rijk verzorgd exemplaar.

Jaep Dykstra

De Brédyk onder Goutum

Gelede boerderij in het Goutumer Nieuwland
Ten westen van de Brédyk c.q. de Overijsselseweg lag ooit de Middelzee. Nu ligt er het Goutumer Nijlân, een weids en praktisch boomloos landschap zonder noemenswaardige bebouwing.

Precies driehonderd jaar na de aankoop van een plaats aldaar liet het Sint Anthony Gasthuis in 1908 op een dichter bij de rijksweg gelegen perceel (Overijsselseweg 18) een compleet nieuwe boerderij bouwen "volgens 't Zuid Hollandsch Systeem", ook wel gelede bouw of lengtebouw genoemd. Kosten: ruim 16.000 gulden, voor die tijd een vrij hoog bedrag. Over het resultaat was boerderijdeskundige G.J.A. Bouma anno 1949 nog slecht te spreken: "De bouwkosten zijn hoger, het voederen van hooi kost meer arbeid en het uiterlijk is aanzienlijk minder fraai dan dat van een stelp of een kop-hals-romp".

Dat laatste valt te bezien. De Leeuwarder architect W.C. de Groot heeft met deze nieuwerwetse boerenplaats een alleszins acceptabel gebouw op zijn naam geschreven in een voor hem karakteristieke decoratieve stijl (vgl. de Hollanderwijk en het Gabbema-gasthuis aan de Wijbrand de Geeststraat). Zowel het woon- als het bedrijfsgedeelte is voorzien van gele consoles, doorlopende gele dorpelbanden en ander siermetselwerk. De schoorsteenbroden zijn even royaal als sierlijk en De Groot heeft niet nagelaten het nokwerk te voorzien van pironnen.

De voorgevel van het breed opgezette woongedeelte is een studie waard: het geheel kleurrijk gemetseld, de ramen voorzien van luxueuze zonnewering (een combinatie van blinden en luiken) en bekroond met fraaie boogtrommels. Aan de noordkant staat een aangebouwde serre annex werkruimte.

Het bouwwerk kreeg het gelede karakter, doordat woning, stal en hooiberging in afzonderlijke, slecht door deuren met elkaar verbonden ruimtes werden ondergebracht. Dat had zowel wat de brandveiligheid als wat de hygiëne betrof zijn voordelen (het streven was toen om de melk bacterievrij te houden teneinde een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de gevreesde volksziekte tuberculose). Bovendien werd de (gestukadoorde) stal op "Hollandsche" wijze ingericht: het vee in een dubbele rij met de kop naar de voergang en dus niet zoals bij de "Friese stal" met de kop naar de muur en een voergat in de zolder. De ruime stal verkeert niet meer in de oorspronkelijke staat, het gevolg van een poging tot modernisering in de jaren-zeventig. In dat opzicht had de bouw van een ligboxenstal meer effect. Het gebinte in de hooischuur is origineel, de zoldering niet.

Vanuit het woongedeelte bieden de ramen in de gang en in het "feintekeamerke" uitzicht op het "bûthús". De gang en de betegelde woonkeuken verkeren nog goeddeels in de oorspronkelijke staat.

Het pompstation van de Waterleiding
Een jaar na de oprichting in 1887 telde de Leeuwarder Waterleiding Maatschappij 36 aangesloten percelen. Begin 1904 waren het er al twaalf keer zo veel. Door de droge zomer groeide het aantal aansluitingen dat jaar explosief. Met alle gevolgen van dien: vooral op zaterdag, wanneer alles in en om huis werd schoongemaakt, was de toevoer af en toe onvoldoende. Klachten over deze situatie, met name van ziekenhuizen, leidden tot de bouw van een kelderreservoir met een hulppompinrichting bij Goutum. Hiermee kon de druk op de persbuis vanuit Grouw, waar het water werd gewonnen, worden verminderd, zodat de kans op buisbreuken kleiner werd. Bovendien kon de capaciteit iets worden vergroot.

Het aanjaagstation (Overijsselseweg 84) werd in 1905 gebouwd door de Leeuwarder architect H.H. Kramer, die ook verantwoordelijk was voor de twee belendende woningen-onder-één-kap. De onderste helft van de even speels als evenwichtig opgebouwde voorgevel is in rode baksteen uitgevoerd, de bovenste wit bepleisterd. Boven de woonkamer een charmante driedelige raampartij die meeloopt met de dakrand. Achter de woningen is in een grasveld de welving van het "laagwater reservoir" nog zichtbaar.

Het oorspronkelijke aanjaagstation werd vanwege bouwtechnische gebreken al in 1928 vervangen. Het nieuwe gebouw kreeg een platte dakconstructie met vlak onder de daklijst een drietal kleine raampjes. De ver overstekende daklijst wordt nog een geaccentueerd door uitstekende gemetselde lijsten bij de hoekramen en uitbouwsels op de begane grond met een soortgelijke dakconstructie. Door deze bloksgewijze geleding ademt het station een kubistische, zo men wil expressionistische geest.

Jan Pieter Janzen


Colofon

Uitgave:              Stichting Aed Levwerd 1989
Redactie:            Peter Karstkarel en drs. R.L.P. Mulder-Radetzky
Tekstbijdragen:   Jaep Dykstra, S. Grijpstra, Jan Pieter Janzen, Peter Karstkarel,
                            drs. R.L.P. Mulder-Radetzky en Henk Nota
Fotografie:          Siep van Lingen, Catrinus van der Veen, Gemeentearchief Leeuwarden
                            Documentatiecentrum voor katholiek Friesland
Routekaart:           E. van der Veen
Druk:                      Wielsma BV Leeuwarden
Vormgeving:         Impact Vormgeving

Sponsorvermelding

De Open Monumentendag op 9 september 1989 is in Leeuwarden mogelijk gemaakt dankzij financiële bijdragen van:

Gemeente Leeuwarden
Rabobank Leeuwarden B.A.
Maatschappij tot 't Nut van het Algemeen Leeuwarden
Waterleiding Friesland
Agrarische Bedrijfsverzorging, Wirdum
Avéro Verzekeringen
Bouman Reklame/marketing
Leeuwarder Onderlinge
MAB-groep
V en H Leeuwarden
Gebr. Adema, Goutum
Kimsma, Goutum
J. Prosje, Goutum
Struiksma, Goutum
Duhoux, Wirdum
Haaima, Wirdum
Stichting De Twa Doarpen, Wirdum

De Open Monumentendag zou niet plaats kunnen vinden zonder de medewerking van de eigenaar/beheerders van de opengestelde panden en de inzet van vele vrijwilligers in de dorpen. Speciale medewerking werd verkregen van S.A. van der Meer, Wytgaard, van A. Klugkist jr, Goutum, de brandweer van Leeuwarden, de Waterleiding Friesland en het Fries Museum.