’den ganschen hemel [...] verlicht en bloedrood’
Branden in Wirdum en Wytgaard 1803-1873
Een van de meest bijzondere documenten in het HCL over Wirdum e.o., is een register m.b.t. het gebruik van de brandspuit over de jaren 1803-1873. Het register, een tamelijk recente aanwinst uit 1984, is opgenomen in het archief van de NH Gemeente Wirdum (inv. nr. 234a). De kerkvoogdij kreeg in overleg met het grietenijbestuur namelijk het beheer in 1803, toen de aanschaf van een nieuwe brandspuit het opstellen van een reglement noodzakelijk maakte. De regeling werd goedgekeurd door het grietenijbestuur. Behalve financiële zaken, roosters en reglementen bevat de administratie eveneens verslagen van de werkzaamheden van de brandmeesters, zodat we vrij uitvoerig worden ingelicht over branden in en rond Wirdum. Ook de bekende Doeke Wiegers Hellema ondersteunde de brandspuit met een contributie en was zelfs enige tijd brandmeester. Soms leest het verslag door citaten van de ooggetuigen als een spannend verhaal.
De eerste brand die wordt beschreven, is die in de boerderij van Broer Dooitzes; een stelp, "pas een jaar geleden splinternieuw gebouwd", even ten zuiden Wijtgaard. Op 29 januari 1803 "zag men buiten den deur koomende den ganschen hemel en alles wat rondom zich was, in deezen duisteren winteravond, verlicht en bloedrood". De brandspuit rukte snel uit, maar de boerderij stond toen al "in lichte laaije vlam". De brandbestrijders hakten een bijt in het dikke ijs en lieten de brandspuit "met alle macht het water in den gloed" werpen. De inspanningen hielpen weinig. Aan alle kanten sloegen de vlammen uit het gebouw of in de woorden van de verslaglegger: "ijslijk toneel! Verschriklijken gloed! Het gebulder der vlammen, het kraaken van vallend hout, het gekletter der nederstortende pannen, waar mede de stelp gedekt was en bovenal het rumour in de brandende stallen, het geworstel en gebrul tegen de woedende vlammen, verwekten in den onmachtigen en bedeesden aanschouwer, hoe gaarn anders ook redding en hulp toegebragt, in den hoogsten graad ontzetting en kille verbaasdheid". De "koemuur" bleek te sterk om door te breken of omver te trekken. Slechts vier koeien konden worden gered, "waarvan er een deerlijk uitzag". De rest "wierd aan zijn verschrikkelijk noodlot overgegeven. 23 hoornbeesten, 14 schaapen, 2 paarden en verders als wat binnen de muuren leeven had, wierd een prooi des vernielenden vuurs".
De bewoners konden het vege lijf ternauwernood redden. De boer schrok om half 10 wakker "door een geluid als van het gekletter van een sterken hagel", sprong uit bed en "schikte zijne hoogzwangere vrouw en 4 a 5 kleine kinderen buiten deur, wekte den slaapenden knecht in het brandend buithuis, sleepte de beste en meeste huisgeraaden, met behulp van een en ander onverzaagde menschenvrienden, die trots de gevaaren mede toeschoten, ter deuren en vensters uit".
